← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2018:1542

Rolnummer: 22-000344-18 Parketnummer: 10-200854-16 Datum uitspraak: 19 juni 2018 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 2 (waarvoor het hof verbeterd leest: 1) juni 2017 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1985, ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in de [verblijfplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 5 juni 2018. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 31 mei 2016 te Barendrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat heeft weggenomen een bedrag van vijfhonderddertig

(530)euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen vijfhonderddertig
(530)euro, althans een geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, althans een pinpas tot welks gebruik hij niet gerechtigd was door met een pinpas tot welks gebruik hij niet was gerechtigd dat geld op te nemen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 31 mei 2016 te Barendrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat heeft weggenomen een bedrag van vijfhonderddertig
(530)euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen vijfhonderddertig
(530)euro, althans een geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, althans een pinpas tot welks gebruik hij niet gerechtigd was, door met een die pinpas tot welks gebruik hij niet was gerechtigd dat geld op te nemen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft bij een geldautomaat van de ING-bank met een niet aan hem toebehorende pas, tot het gebruik waarvan hij niet gerechtigd was, een geldbedrag van de bankrekening van [aangever] opgenomen. Aldus heeft de verdachte blijk gegeven van tekort aan respect voor andermans eigendom te hebben. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 mei 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Ofschoon in de onderhavige zaak niet door een deskundige omtrent de persoon van de verdachte is gerapporteerd, bevindt zich in het dossier een Pro Justitia rapport d.d. 11 april 2018, opgemaakt door L.E.E. Ligthart, klinisch psycholoog & klinisch neuropsycholoog, betreffende onderzoek naar de voor zijn discipline relevante vraagstelling in verband met de verdenking van een aantal strafbare feiten die hebben geleid tot een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2018. Het gaat daarbij eveneens om diefstal met valse sleutels in de vorm van een bankpas met pincode onder vergelijkbare omstandigheden als in de onderhavige zaak. Naar het oordeel van het hof bevatten deze feiten, te oordelen naar het uittreksel uit de Justitiële documentatie betreffende verdachte en de inhoud van het Pro Justitia-rapport zoveel overeenkomsten met de onderhavige zaak dat het hof het aannemelijk acht dat de verdachte het onderhavige feit met dezelfde geestesgesteldheid heeft gepleegd. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar moet worden geacht en zal dit oordeel bij de strafoplegging betrekken. Bij het bepalen van de straf heeft het hof voorts rekening gehouden met de op 9 juli 2018 gepland staande opname van de verdachte bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling te Utrecht zoals voorzien in de bij genoemd vonnis van 20 april 2018 bepaalde bijzondere voorwaarden. Het hof acht het niet wenselijk de behandeling bij de FPA door het opleggen van een onvoorwaardelijke straf te doorkruisen. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Vordering tot schadevergoeding [aangever] In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 530,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 530,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, ook waar het de beslissing van de politierechter inzake de vordering van de benadeelde partij betreft. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 530,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever]. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand. Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Vordering van de benadeelde partij [aangever] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 530,00 (vijfhonderddertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2016 tot aan de dag der voldoening. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 530,00 (vijfhonderddertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2016 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. A.M.P. Gaakeer en mr. R.M. Bouritius, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 juni 2018.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.