ECLI:NL:GHDHA:2018:1692
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.230.659/01 beschikking van 17 juli 2018 inzake 1. Odyssey Water GP Partners LTD, een vennootschap naar het recht van de Caymaneilanden, aldaar gevestigd, hierna te noemen: Odyssey Water GP Partners, 2. Tigris Water Fund L.P., een vennootschap naar het recht van de Caymaneilanden, aldaar gevestigd, hierna te noemen: Tigris Water Fund,3. Tigris Water Fund Pte. Ltd.,een vennootschap naar het recht van Singapore, aldaar gevestigd, hierna te noemen: Tigris Pte,4. Odyssey Capital Pte. Ltd.,een vennootschap naar het recht van Singapore, aldaar gevestigd, hierna te noemen: Odyssey Capital,5. Tigris Infrastructure Partners Pte. Ltd.een vennootschap naar het recht van Singapore, aldaar gevestigd, hierna te noemen: Tigris Infrastructure,6. [naam 1] ,wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen: [appellant onder 6] ,7. [naam 2] ,wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen: [appellant onder 7] appellanten, hierna gezamenlijk te noemen: Odyssey Water c.s. , advocaat: mr. M.C. van Leyenhorst te Bergambacht, tegen: [naam 3] , wonende te [woonplaats 2] , geïntimeerde, nader te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. M.R. Maathuis te Amsterdam.
Het geding Bij beroepschrift, bij het hof binnengekomen op 29 december 2017, hebben Odyssey Water c.s. hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 19 december 2017 van de rechtbank Rotterdam, waarbij het verzoek van [geïntimeerde] tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor is toegewezen. In het beroepschrift hebben Odyssey Water c.s. drie grieven aangevoerd tegen de beschikking, die [geïntimeerde] bij verweerschrift (met bijlagen) heeft bestreden. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018, bij welke gelegenheid partijen hun standpunten hebben laten toelichten door hun advocaten. De advocaten hebben zich daarbij bediend van pleitnotities. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Vervolgens is een datum van de uitspraak bepaald.
Beoordeling van het hoger beroep 1. [geïntimeerde] heeft op de voet van art. 186 Rv de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Daartoe heeft hij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
1.1 Vanaf 2010 zijn [geïntimeerde] , [appellant onder 6] en [appellant onder 7] bezig geweest met het opzetten van een investeringsfonds gericht op investeringen in waterprojecten in Azië.
1.2 [appellant onder 6] , [appellant onder 7] en [geïntimeerde] hebben daarbij afgesproken dat [geïntimeerde] voor het toen nog op te richten Tigris Water Fund (i) zich zou inzetten om een anchor investor veilig te stellen, en indien hij daarin succesvol zou zijn, dat hem daarvoor een succes fee zou worden voldaan bestaande uit 10% van het belang van de fondsmanagers in de general partner van het op te richten fonds, en (ii) een retainer fee indien [geïntimeerde] erin zou slagen een ontwikkelingsbudget voor het fonds (benodigd ter dekking van de opstartkosten van het fonds) te verkrijgen.
1.3 Het belang van de fondsmanagers in de general partner van het op te richten fonds is in de kern een financiële aanspraak: de fondsmanagers is het te doen om de carried interest. Dat is de aanspraak van de general partner op 20% van het door de fondsmanagers gerealiseerde resultaat, een resultaat geboekt met de inleg van de investeerders. Het belang van de succes fee gaat in wezen om een aandeel in de carried interest, en niet zozeer om aandelen in de general partner.
1.4 [appellant onder 6] en [appellant onder 7] zijn hoofdrolspelers in deze kwestie en staan (uiteindelijk) aan het hoofd van en geven leiding aan het Tigris Water Fund. Zij zijn aandeelhouders van en voeren de directie over Odyssey Capital, dat op haar beurt meerderheidsaandeelhouder en bestuurder/feitelijk leidinggever is van Odyssey Water GP Partners. De laatste is op haar beurt 100% aandeelhouder en enig bestuurder van Odyssey Water GP Ltd (Cayman), de general partner van Tigris Water Fund.
1.5 [appellant onder 6] en [appellant onder 7] hebben de afspraken met [geïntimeerde] gemaakt, niet op persoonlijke titel maar als gevolmachtigde namens een nader te noemen meester, zijnde Odyssey Water GP Partners, als beoogd general partner van het op te richten Tigris Water Fund.
1.6 [geïntimeerde] heeft aan zijn verplichtingen voldaan, maar [appellant onder 6] en [appellant onder 7] waren er kennelijk op uit [geïntimeerde] buiten te sluiten en hem de hem toegezegde beloning voor zijn inspanningen te onthouden, dit omdat zij inmiddels van mening waren geworden dat deze beloning niet marktconform was. [geïntimeerde] heeft daarvan niet willen weten en heeft vastgehouden aan de gemaakte afspraken.
1.7 [appellant onder 6] en [appellant onder 7] hebben beoogd het verhaal van [geïntimeerde] te verijdelen door met behoud van zeggenschap over de carried interest, deze niet op naam van Odyssey Water GP Partners als beoogd general partner te houden, maar op naam van Odyssey Water GP Ltd (Cayman) te zetten en te houden.
1.8 Hiermee frustreren [appellant onder 6] en [appellant onder 7] welbewust het verhaal van [geïntimeerde] , hetgeen onrechtmatig handelen van hen vormt.
1.9 Dat onrechtmatig handelen is ook aan te merken als eigen onrechtmatig handelen van Oyssey Water GP Partners (verzoekschrift eerste aanleg 41). [appellant onder 6] en [appellant onder 7] hebben als gezegd uiteindelijk de zeggenschap over Odyssey Water GP Ltd (Cayman) en zijn daarbij begunstigden. Het onrechtmatig handelen van [appellant onder 6] en [appellant onder 7] heeft daarmee ook te gelden als eigen onrechtmatig handelen van Odyssey Water GP Partners (verzoekschrift eerste aanleg 42, spreekaantekeningen eerste aanleg 3).
1.10 [geïntimeerde] lijdt hierdoor schade. Deze begroot hij op USD 6 miljoen, exclusief rente en kosten.
16.1.
In art. 6 aanhef en onder e Rv is bepaald dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Deze bepaling is ontleend aan (thans) art. 7 aanhef en sub 2 Brussel I- bis en art. 5 aanhef en sub 3 EVEX II. Het ligt uit het oogpunt van rechtseenheid in de EU voor de hand de uitleg van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) op dit punt te volgen.
16.2.
Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EU zien de woorden “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” zowel op (1) de plaats van de veroorzakende gebeurtenis (het “Handlungsort”) als (2) de plaats waar de schade is ingetreden (het “Erfolgsort”).
16.3. [geïntimeerde] stelt dat hij in Nederland zijn woonplaats heeft en de schade van het (onrechtmatig) handelen in Nederland ervaart of kan ervaren, nu zijn vermogen in Nederland achteruit is gegaan door het niet uitbetalen van de succes fee, althans daarmee niet is toegenomen, en dat dit in de kern een financiële aanspraak betreft (spreekaantekeningen Mr Maathuis in eerste aanleg 5). Daarmee beroept [geïntimeerde] zich uitsluitend op de hiervoor in r.o. 16.2 genoemde tweede grond.
16.4.
Het beroep van [geïntimeerde] op deze grond faalt. Het Erfolgsort omvat niet iedere plaats waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een buiten Nederland schadeveroorzakend feit zodat de stelling dat [geïntimeerde] in Nederland woont en daar een vermogensachteruitgang ervaart zonder bijkomende aanknopingspunten, die gesteld noch gebleken zijn, van onvoldoende betekenis om te oordelen dat het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan (vgl ECLI:EU:1995:289 (Marinari) en ECLI:NL:HR:2017:2358 met verwijzing naar ECLI:EU:2016:449, C-12/15, de Universal Music-zaak).
16.5.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank Rotterdam vermoedelijk niet bevoegd zal zijn van de zaak van [geïntimeerde] tegen Odyssey Water GP Partners kennis te nemen indien deze aldaar aanhangig wordt gemaakt.
Beslissing Het hof: vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2017; wijst het verzoek van [geïntimeerde] af; veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van appellanten 2 tot en met 7 tot op heden begroot op € 1.518,-- aan salaris advocaat (tarief II, 2 punten); verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.S. van Coevorden, J.A. van Dorp en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.