GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.180.677/01 Zaaknummer rechtbank : C/10/460103 / HA ZA 14-968 arrest van 7 augustus 2018 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, tevens geïntimeerde in incidenteel appel, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te Den Haag, tegen 1 [executeur 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [executeur 2] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, tevens appellanten in incidenteel appel, hierna te noemen: [executeur 1] respectievelijk [executeur 2] , en samen ook wel als: de executeurs advocaat: mr. J.C. Moree te Rotterdam, en 3 [X] , wonende te [woonplaats] , als partij opgeroepen op de voet van art. 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna te noemen: [X] , advocaat: mr. J.C. Moree te Rotterdam. Het verdere verloop van het geding Voor het verloop van het geding tot 29 augustus 2017 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Bij dat arrest heeft het hof bepaald dat [appellant] alsnog [X] in het hoger beroep dient te betrekken. Bij exploot van 1 september 2017 heeft [appellant] [X] opgeroepen tegen 26 september 2017. [X] heeft vervolgens een memorie van antwoord genomen, [appellant] een akte overlegging producties tevens akte wijziging en vermindering van eis, en [executeur 1] en [executeur 2] een antwoordakte uitlating producties, tevens akte overlegging producties. Partijen hebben de zaak op 13 april 2018 aan de hand van overgelegde pleitnotities doen bepleiten, [appellant] door mr. N.P.J.M. Kreté-Marres, [executeur 1] en [executeur 2] door mr. J.C. Moree, en [X] eveneens door mr. J.C. Moree. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt. Op 3 mei 2018 heeft een schikkingscomparitie plaatsgevonden. Ten slotte hebben [executeur 1] , [executeur 2] en [X] de stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd. Verdere beoordeling van het hoger beroep Feiten 1. De door de rechtbank in het vonnis van 9 september 2015 (hierna: het vonnis) vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan. 2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende: 2.1 Uit het huwelijk van [moeder] (hierna: moeder) en [vader] (hierna: vader) zijn geboren: - [X] ( [X] ); - [executeur 1] ( [executeur 1] ), die is gehuwd met [executeur 2] ( [executeur 2] ); - [appellant] ( [appellant] ). 2.2 Moeder is op [datum 1] overleden. Zij heeft bij testament van 7 april 2004 een uiterste wilsbeschikking gemaakt en daarbij, kort gezegd, bepaald dat het versterferfrecht van toepassing is op de vererving van haar nalatenschap en dat haar nalatenschap overeenkomstig de wettelijke verdeling zal worden verdeeld. Uit hoofde van deze uiterste wil heeft zij tot haar erfgenamen nagelaten: vader, [X] , [executeur 1] en [appellant] . 2.3 Vader is vervolgens op [datum 2] overleden. Ook hij heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. In dat testament heeft hij [X] , evenals diens plaatsvervullers, uitgesloten als erfgenaam en [executeur 1] en [appellant] benoemd tot zijn enige erfgenamen. Voorts heeft hij in het testament [executeur 1] en [executeur 2] benoemd tot executeurs en – tot 24 juni 2013 – afwikkelingsbewindvoerders. Met betrekking tot het doen van rekening en verantwoording is in het testament bepaald: “ 12. Rekening en verantwoording De executeur wiens bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd, is verplicht aan degene die na hem tot beheer bevoegd is, rekening en verantwoording af te leggen, op de wijze als voor bewindvoerders bepaald. Rekening en verantwoording wordt afgelegd bij en door middel van de notariële akte van verdeling van de nalatenschap, waarin de verdeling wordt vastgelegd. Periodiek hoeft er geen rekening en verantwoording te worden afgelegd.” 2.4 [appellant] en [executeur 1] hebben de nalatenschap van vader beneficiair aanvaard. 2.5 [X] heeft een beroep gedaan op zijn legitieme portie. 2.6 [executeur 1] en [executeur 2] hebben hun benoeming tot executeurs en afwikkelingsbewindvoerders aanvaard. Zij hebben verklaard dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Dit brengt mee dat de nalatenschap niet behoeft te worden vereffend overeenkomstig de wettelijke regeling voor vereffening. 2.7 [executeur 1] en [executeur 2] hebben het kantoor [naam notariskantoor] Notarissen te Vlaardingen benoemd tot boedelnotaris. Kandidaat-notaris [de boedelnotaris] fungeerde feitelijk als boedelnotaris. 3. [appellant] heeft [executeur 1] , [executeur 2] en [X] in deze procedure betrokken en zich op het standpunt gesteld dat de nalatenschap van moeder onjuist is afgewikkeld en dat [executeur 1] en [executeur 2] in hun verplichtingen als executeurs en afwikkelingsbewindvoerders in de nalatenschap van vader tekortschieten, in het bijzonder in hun informatieplicht tegenover [appellant] . De in verband daarmee door [appellant] ingestelde vorderingen heeft de rechtbank voor het grootste deel afgewezen. Ten aanzien van de vordering tot ontslag van [executeur 1] en [executeur 2] als executeurs heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de kantonrechter om deze overeenkomstig de regels van de verzoekschriftprocedure verder te behandelen. 4. [executeur 1] en [executeur 2] hebben in reconventie vorderingen tegen [appellant] ingesteld, die de rechtbank voor een deel heeft toegewezen. Ten aanzien van de verzochte toekenning van loon in afwijking van het testament heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de kantonrechter om deze overeenkomstig de regels van de verzoekschriftprocedure verder te behandelen. 5. [X] heeft in voorwaardelijke reconventie vorderingen ingesteld. Aan de behandeling van deze vorderingen is de rechtbank niet toegekomen, omdat de voorwaarde waaronder de vorderingen zijn ingesteld, niet is vervuld. De vorderingen in hoger beroep 6. In hoger beroep vordert [appellant] , onder aanvoering van acht (arabisch genummerde) grieven gericht tegen het eindvonnis van de rechtbank, na eiswijziging, samengevat, dat het hof de vonnissen van 11 februari 2015 en 9 september 2015 vernietigt, voor zover deze vonnissen betrekking hebben op vorderingen jegens [executeur 1] en [executeur 2] en/of de afwikkeling van de nalatenschap van vader en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. voor recht verklaart dat de taak van de executeurs van rechtswege is geëindigd; b. [executeur 1] en [executeur 2] verplicht om op straffe van een dwangsom rekening en verantwoording af te leggen aan [appellant] over het gevoerde beheer en bewind middels het aan [appellant] overhandigen van een financieel overzicht waaruit met inachtneming van het eerste overzicht van 25 mei 2012 het verloop van de nalatenschap blijkt van vader, in welk overzicht alle inkomsten en uitgaven middels bescheiden worden aangetoond en rekening en verantwoording wordt gegeven over het gevoerde bewind en beheer over het vermogen op de wijze zoals gevorderd onder punt 7 van de inleidende dagvaarding; c. de omvang en de waarde van de nalatenschap van vader vaststelt en bepaalt wat de hoogte is van de legitieme vordering van [X] op deze nalatenschap alsmede wat de omvang en de waarde van het aandeel van [appellant] en [executeur 1] is in deze nalatenschap, zodat de verdeling van de nalatenschap van de vader op korte termijn kan worden afgewikkeld; d. de omvang bepaalt van de door [executeur 1] en [executeur 2] veroorzaakte schade en bepaalt dat vergoeding van deze schade aan de boedelrekening van de nalatenschap van vader dan wel aan [appellant] dient te worden overgemaakt; e. bepaalt dat de door [executeur 1] en [executeur 2] te maken proceskosten niet ten laste mogen worden gebracht van de nalatenschap maar door gedaagden persoonlijk dienen te worden voldaan; f. [executeur 1] en [executeur 2] veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente, welke kosten door [executeur 1] en [executeur 2] persoonlijk dienen te worden voldaan. g. [executeur 1] en [executeur 2] veroordeelt tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van de bestreden vonnissen heeft voldaan aan [executeur 1] en [executeur 2] c.q. de nalatenschap van vader, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling; 7. [executeur 1] en [executeur 2] vorderen in hoger beroep, onder aanvoering van drie (romeins genummerde) incidentele grieven, na eiswijziging, samengevat, dat het hof: in het principaal appel: het vonnis van 9 september 2015 bekrachtigt, behoudens de toegewezen boeterente en het bepaalde voor wat betreft het overhandigen van asbestvrije administratie van Assurantiekantoor […] B.V., zoals in het dictum bepaald sub 5.15 en 5.18, in het incidenteel appel: a. primair alsnog partieel verdeelt door toedeling van alle aandelen van Assurantiekantoor […] B.V. aan [appellant] met verrekening van het aan [appellant] toekomende erfdeel, onder de gelijktijdige veroordeling dat dezelfde waarde van deze aandelen wordt toebedeeld aan [executeur 1] overeenkomstig de in productie 10 (bij de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte wijziging van eis in incidenteel appel) vermelde waarde van deze aandelen (van € 35.049,-) met veroordeling van [appellant] om op straffe van een dwangsom binnen vier weken na het wijzen van eindarrest alle noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten in verband met deze toedeling ten behoeve van Assurantiekantoor […] B.V., waaronder het inschrijven van een nieuwe bestuurder, het aanpassen van de gegevens in de Kamer van Koophandel, het informeren van de Belastingdienst en het wijzigen van de bankgegevens, dan wel, subsidiair, voor recht verklaart dat [executeur 1] en [executeur 2] gemachtigd zijn alle (rechts)handelingen te verrichten, noodzakelijk om Assurantiekantoor […] B.V. te kunnen ontbinden en liquideren, onder gelijktijdige benoeming van [executeur 1] en [executeur 2] als vereffenaar van deze B.V., alsmede [appellant] ertoe veroordeelt dat hij de administratie van deze B.V. onder zich houdt gedurende tien jaren, althans tot het verstrijken van de wettelijke bewaartermijn en deze, indien nodig ter uitoefening van, bij of krachtens de wet gegeven controlebevoegdheden, aan de bevoegde instanties asbestvrij zal verstrekken, alsmede deze administratie na afloop van de wettelijke bewaartermijn conform de geldende regels zal vernietigen; b. voor recht verklaart dat de nalatenschap van vader conform de (bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte wijziging van eis in incidenteel appel) overgelegde productie 8, zoals aangevuld/vervangen door de (bij antwoordakte uitlating producties, tevens akte overlegging producties) overgelegde productie 18 een omvang heeft van € 453.833,49 per 1 mei 2018, vermeerderd met door [appellant] verschuldigde samengestelde maandelijkse rente vanaf 1 mei 2018 tot aan de datum van verdeling, alsmede de in productie 8, zoals aangevuld/vervangen door productie 18, vermelde verdeling vaststelt, inhoudende dat aan [executeur 1] toekomt € 226.916,74, te vermeerderen met het eventueel rechtens vast te stellen executeursloon en voor de verdeling noodzakelijke kosten, aan [appellant] een bedrag van € 73.070,37, rekening houdend met verrekening van de door hem verschuldigde lening ad € 118.797,29 en rekening houdend met de aan [appellant] toebedeelde aandelen Assurantiekantoor […] B.V., en bepaalt dat de gevorderde vaststelling van de nalatenschap en de verdeling daarvan in de plaats komt van de notariële vastlegging van de verdeling zoals vermeld sub 12 van het testament van erflater; c. voor recht verklaart dat [executeur 1] en [executeur 2] zijn gedechargeerd voor hun volledige taak en beheer als executeurs en voormalige afwikkelingsbewindvoerders, althans over de periode van [datum 2] tot aan de datum dat uw Hof eindarrest wijst, althans over de periode [datum 2] tot en met 31 januari 2016 en zij niet langer rekening en verantwoording hoeven af te leggen bij en door middel van een notariële akte van verdeling zoals vermeld in het testament van vader, alsmede dat rekening en verantwoording door vermelding in het te vragen arrest in de plaats komt van de vermelding in de notariële akte van verdeling; in het principaal en het incidenteel appel: [appellant] veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van beide instanties, met nakosten en wettelijke rente. 8. [X] concludeert in hoger beroep tot bekrachtiging van het vonnis van 9 september 2015, met veroordeling van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de reële (integrale) proceskosten van [X] , geschat op € 4.000,- inclusief BTW, vermeerderd met nakosten. 9. Het hof ziet aanleiding eerst grief 5 in het principaal appel te behandelen, nu deze grief betrekking heeft op de voornaamste concrete bezwaren van [appellant] tegen het optreden van [executeur 1] en [executeur 2] als executeurs. Vervolgens zal het hof achtereenvolgens de grieven 4, 1, 2, 7, 8 en 9 in het principaal appel behandelen (grief 3 ontbreekt). Daarna zal het hof de grieven in het incidenteel appel behandelen De behandeling van grief 6 in het principaal appel, die betrekking heeft op de proceskostenveroordeling, vindt plaats aan het slot van het arrest. Grief 5 in het principaal appel 10. Grief 5 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank (r.o. 4.5.14 van het bestreden vonnis), dat [executeur 1] en [executeur 2] hebben gehandeld als een goed executeur en dat zij geen schadevergoeding aan de boedel of aan [appellant] verschuldigd zijn. 11. Het bestreden oordeel van de rechtbank vormt de slotsom van een bespreking (in r.o. 4.5.1 tot en met 4.5.13) van een groot aantal door [appellant] aan [executeur 1] en [executeur 2] gemaakte verwijten die volgens [appellant] meebrengen dat zij verplicht zijn tot schadevergoeding aan de boedel dan wel aan [appellant] . Tegen de beslissing op enige van deze vorderingen richt [appellant] in het kader van grief 5 specifieke bezwaren, die hierna nog aan de orde zullen komen. Tegen de beslissing op andere dan deze vorderingen formuleert [appellant] geen specifieke bezwaren. Van de juistheid van die beslissingen zal het Hof dan ook in beginsel uitgaan (voor zover nodig verenigt het hof zich met de gronden die de rechtbank daartoe heeft gebezigd en maakt deze tot de zijne), met dien verstande dat [appellant] een tweetal algemene bezwaren heeft geformuleerd die bespreking behoeven. - twee algemene bezwaren 12. In de eerste plaats zou de rechtbank ten onrechte geen acht hebben geslagen op de uitkomst van alle beslissingen tezamen die de executeurs over de gehele periode hebben genomen. Volgens [appellant] hebben bijna alle belangrijke beslissingen die de executeurs hebben genomen tot financieel voordeel voor [executeur 1] geleid en bijna geen enkele beslissing tot enig financieel voordeel voor [appellant] dan wel de nalatenschap. Hieruit blijkt volgens [appellant] dat de executeurs niet hebben gehandeld in het belang van de nalatenschap maar uit eigen belang. 13. Dit bezwaar faalt, nu [appellant] heeft nagelaten daarvoor enige concrete onderbouwing te geven, terwijl in zijn algemeenheid niet valt in te zien dat uit het al dan niet ‘voordelig’ zijn van bepaalde beslissingen voor de ene of de andere betrokkene bij de nalatenschap – hoe dat verder ook beoordeeld zou moeten worden – kan worden afgeleid dat de executeurs niet in het belang van de nalatenschap zouden hebben gehandeld. 14. In de tweede plaats zou de rechtbank ten onrechte hebben geoordeeld dat het feit dat [appellant] zou hebben ingestemd met bepaalde beslissingen van de executeurs, eraan in de weg staat dat hij aan het einde van de executele nog recht heeft op schadevergoeding. Volgens [appellant] strekte de ondertekening door hem van het tussentijds verslag van 25 mei 2013 (lees: 26 mei 2013, toevoeging hof) er niet toe in te stemmen met de handelingen van de executeurs maar alleen tot erkenning dat hij het verslag had gelezen. Voorts blijkt volgens [appellant] uit de e-mails die hij heeft overgelegd dat hij gezien zijn medische problemen op dat moment ook niet de tijd en de energie had om het verslag goed te lezen. 15. Dit bezwaar richt zich kennelijk tegen r.o. 4.3 van het bestreden vonnis, waar de rechtbank de stelling van [appellant] bespreekt dat hij door middel van het ondertekenen van het verslag van 26 mei 2013 geen afstand heeft gedaan van zijn recht om rekening en verantwoording te vorderen en om informatie te vragen aan de executeurs. De rechtbank overweegt aldaar dat de executeurs, niet weersproken, hebben aangevoerd dat [appellant] het verslag voor akkoord heeft ondertekend. In hoger beroep weerspreekt [appellant] dit alsnog. [executeur 1] en [executeur 2] hebben vervolgens als productie 11 van het verslag van 26 mei 2013 een kopie overgelegd die is voorzien van de paraaf van [appellant] op elke bladzijde en waarop [appellant] op de laatste bladzijde zijn handtekening heeft geplaatst direct onder de (handgeschreven) woorden “Voor accoord”. Hierop heeft [appellant] gereageerd bij akte overlegging producties tevens akte wijziging en vermindering van eis door overlegging van een e-mailbericht van [appellant] van 19 juni 2013 en een e-mailbericht van 24 juni 2013 van [de boedelnotaris] , waaruit volgens [appellant] blijkt dat ook de notaris erkent dat [appellant] door ondertekening van het verslag van 26 mei 2013 niet heeft ingestemd met het door de executeurs gevoerde bewind. 16. Het hof leidt uit de (door [appellant] niet betwiste) parafering en ondertekening door [appellant] bij de woorden “voor accoord” af dat [appellant] wel degelijk heeft ingestemd met het verslag en dat hij daarmee tevens aan [executeur 1] en [executeur 2] kwijting heeft verleend voor de tot dan toe verrichte werkzaamheden in het kader van het afwikkelingsbewind. Dit laatste volgt hieruit dat [executeur 1] en [executeur 2] in de inleiding van het verslag hebben vermeld: “De executeurs verzoeken de erfgenamen het onderhavige verslag te ondertekenen voor akkoord en hen kwijting te verlenen voor de verrichte werkzaamheden in het kader van het afwikkelingsbewind”. Dat deze ondertekening niet slechts strekte tot bevestiging van kennisneming maar wel degelijk ook tot instemming met de inhoud daarvan volgt ook met zoveel woorden uit een e-mail van 19 juni 2013, 23:36 uur, van [appellant] aan [de boedelnotaris] , waarin hij met betrekking tot het tussentijds verslag van 26 mei 2013 schrijft: “Voor de begripsvorming: ik heb voor akkoord getekend inclusief die mailberichten”. Zoals [executeur 1] en [executeur 2] bij pleidooi hebben aangevoerd, en door [appellant] niet is weersproken, vormde de e-mail van 24 juni 2013 van [de boedelnotaris] een reactie op een e-mail van [appellant] van diezelfde dag en ging het er in die reactie slechts om, voor zover hier van belang, dat de door [appellant] verleende kwijting slechts gold voor de handelingen van de executeurs tot 26 mei 2013 en derhalve niet voor de periode nadien. 17. Voor zover [appellant] zich er tevens op beroept dat uit de door hem overgelegde e-mails blijkt dat hij gezien zijn medische problemen op dat moment niet de tijd en de energie had om het verslag goed te lezen, verwerpt het hof ook dat bezwaar. Voor een beroep op art. 3:34 lid 1 BW is dit bezwaar onvoldoende onderbouwd, zeker in het licht van de expliciete overweging van de rechtbank over die bepaling (r.o. 4.3, derde alinea). Voor het overige valt niet in te zien hoe gebrek aan tijd en energie om een verslag goed door te lezen, ook als die zouden zijn veroorzaakt door medische problemen, grond kunnen opleveren om [appellant] te ontslaan van zijn gebondenheid aan zijn door ondertekening daarvan verklaarde instemming met het verslag. [appellant] heeft voorts ook op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat er voor [executeur 1] en [executeur 2] aanleiding bestond om te twijfelen aan die instemming. Naar aanleiding van de concrete bezwaren die deel uitmaken van grief 5 overweegt het hof als volgt. - de aanvullende betaling van € 52.719,- aan [X] ter zake van de nalatenschap van moeder 18. In onderdeel 19 van de memorie van grieven stelt [appellant] aan de orde dat [executeur 1] en [executeur 2] ter zake van de nalatenschap van moeder ten onrechte een bedrag van € 52.719,- uit de nalatenschap aan [X] hebben uitgekeerd. Dit onderwerp heeft de rechtbank behandeld in r.o. 4.5.1, waar de rechtbank voortbouwt op r.o. 4.2 tot en met 4.2.3. [appellant] verwijt [executeur 1] en [executeur 2] dat zij ofwel hebben gedwaald ten aanzien van de aanspraken van [X] , ofwel hem opzettelijk te veel hebben uitgekeerd, maar in ieder geval onzorgvuldig hebben gehandeld door niet eerst uit te zoeken wat de rechten van [X] waren voordat zij tot betaling van het bedrag van € 52.719,- overgingen. 19. Het hof overweegt met betrekking tot dit bezwaar als volgt. Zoals kan worden afgeleid uit het door [appellant] als productie 5 overgelegde verslag van de bespreking van 25 mei 2012 inzake de nalatenschap van vader, bij welke bespreking [X] , [appellant] , [executeur 1] , [executeur 2] en [de boedelnotaris] aanwezig zijn geweest, hadden [X] , [appellant] en [executeur 1] elk een vordering verkregen op vader ter zake van de nalatenschap van moeder ten bedrage van € 175.729,-. Vader heeft op enig moment aan [X] een betaling gedaan van € 109.439,-. Uit een door [appellant] als productie 21 overgelegde berekening kan worden afgeleid dat dit laatste bedrag overeenkomt met 70% van de oorspronkelijke vordering van [X] , verminderd met de kennelijk ter zake van die vordering verschuldigde erfbelasting. Volgens [appellant] kwam de betaling door vader overeen met de contante waarde van de (niet-opeisbare) vordering en werd de betaling door vader gedaan om de aanspraak van [X] volledig af te wikkelen, zodat [X] na ontvangst van de betaling niets meer te vorderen had. Het is evenwel ook mogelijk, en die mogelijkheid is in de bespreking van 25 mei 2012 onder ogen gezien, dat de betaling door vader moet worden beschouwd als gedeeltelijke betaling, waartoe vader ingevolge art. 4:17 lid 1 BW en het testament van moeder te allen tijde bevoegd is, die weliswaar in mindering komt op het per saldo verschuldigde bedrag maar niet tot gevolg heeft dat het restant niet langer verschuldigd is. Het antwoord op de vraag welk van beide mogelijkheden zich heeft voorgedaan, is afhankelijk van de vraag of [X] ermee heeft ingestemd, dan wel vader er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [X] ermee instemde, dat de betaling door vader tot gevolg zou hebben dat de gehele niet-opeisbare vordering door de betaling werd afgekocht. 20. [de boedelnotaris] heeft tijdens de bespreking van 25 mei 2012 verklaard (zo blijkt uit het verslag) dat het waarschijnlijk op de weg van [executeur 1] en [appellant] ligt om aan te tonen dat gehele aflossing is beoogd, maar dat zij – [de boedelnotaris] – op basis van de ter beschikking staande gegevens meent dat het standpunt van [X] hout snijdt. Voorts blijkt uit het verslag dat [de boedelnotaris] te kennen heeft gegeven dat nader onderzoek ter zake kon worden verricht, maar dat [executeur 1] en [appellant] geen nader onderzoek verlangden en zich neerlegden bij het standpunt van [X] dat het ging om een gedeeltelijke aflossing. [appellant] heeft de juistheid van het verslag op dit punt niet betwist. Voorts heeft hij, zoals hiervoor al aan de orde kwam, het verslag van 26 mei 2013, in welk verslag eveneens gewag wordt gemaakt van deze kwestie, voor akkoord getekend. Tegen die achtergrond heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] zijn recht heeft verwerkt om dit punt opnieuw aan de orde te stellen. Het hof voegt daar nog aan toe dat [appellant] geen omstandigheden heeft aangevoerd die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat de mededelingen van [de boedelnotaris] over dit onderwerp niet juist zijn. In het bijzonder zijn geen verklaringen of gedragingen van [X] gesteld (of gebleken) waaruit diens instemming met afkoop van de gehele vordering zou kunnen worden afgeleid. Evenmin zijn (andere) omstandigheden gesteld die kunnen meebrengen dat [appellant] niet kan worden gehouden aan zijn beslissing om af te zien van nader onderzoek in verband met de aanspraak van [X] . - de ring 21. In onderdeel 20 van de memorie van grieven stelt [appellant] aan de orde dat hij op basis van een door de executeurs opgesteld taxatierapport een ring uit de nalatenschap heeft gekocht voor € 9.660,- die, nadat het verslag van 26 mei 2013 was getekend, maar € 5.200,- waard bleek te zijn. [appellant] beroept zich in verband hiermee op dwaling, zodat de koopovereenkomst dient te worden vernietigd, waardoor hij aanspraak krijgt op terugbetaling van € 9.660,- en de ring weer onderdeel wordt van de nalatenschap. Als de executeurs wisten of hadden kunnen weten dat de ring minder waard was dan het getaxeerde bedrag, hebben zij volgens [appellant] onrechtmatig jegens hem gehandeld door de ring tegen het getaxeerde bedrag te verkopen. Tevens is het volgens [appellant] in strijd met de redelijkheid en billijkheid om vast te houden aan een verkoopprijs die later aantoonbaar veel te hoog is geweest. 22. Het hof oordeelt als volgt. [appellant] heeft ter onderbouwing van dit onderdeel van de grief geen omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot het oordeel zouden leiden dat [executeur 1] en [executeur 2] hebben geweten of hebben kunnen weten dat de taxatie van de ring veel te hoog was. Er bestaat dan ook geen grond om te oordelen dat [executeur 1] en [executeur 2] bij de taxatie en de verkoop van de ring hebben gehandeld in strijd de zorg die zij als goede executeurs in acht moesten nemen. Voor een verplichting tot schadevergoeding uit dien hoofde is derhalve geen plaats. 23. Verder is het hof van oordeel dat [appellant] zijn stelling dat de ring veel minder dan € 9.660,- waard was, onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt weliswaar verwezen naar een door hem overgelegd taxatierapport (productie 11 bij inleidende dagvaarding), maar in het licht van de gemotiveerde betwisting van dat rapport en de daaraan te verbinden conclusies door [executeur 1] en [executeur 2] (conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie, onder 39), heeft hij nagelaten zijn standpunt in voldoende mate nader te onderbouwen, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Evenmin heeft [appellant] in hoger beroep een (voldoende) specifiek bewijsaanbod gedaan met betrekking tot de waarde van de ring ten tijde van de verkoop uit de nalatenschap. Dit onderdeel van de grief slaagt dan ook niet. - koopsom pand [S] 24. Onderdeel 21 van de memorie van grieven bestrijdt de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de koopsom van het tot de nalatenschap van vader behorende pand in [S], dat voor € 206.000 is verkocht (r.o. 4.5.6 van het vonnis). Volgens [appellant] hebben [executeur 1] en [executeur 2] als executeurs het pand tegen een te lage prijs uit de nalatenschap verkocht en zijn zij daarom verplicht tot schadevergoeding aan de nalatenschap. 25. Dit onderdeel van grief 5 faalt, omdat [appellant] – daartoe uitgenodigd door [executeur 1] en [executeur 2] – heeft ingestemd met de verkoop tegen de genoemde prijs. Daaraan doet niet af dat [appellant] slechts zou hebben ingestemd onder dreiging met een kort geding, reeds omdat [appellant] niet heeft duidelijk gemaakt welke negatieve consequenties een kort geding voor hem zou hebben gehad in vergelijking met de situatie dat hij instemde met de verkoop. De stelling dat [appellant] slechts zou hebben ingestemd met de levering, en niet met de daaraan voorafgegane verkoop, zoals [appellant] bij het pleidooi in hoger beroep nog heeft aangevoerd, is tardief maar valt ook niet te rijmen met de stelling bij memorie van grieven, onder 21, dat [appellant] heeft ingestemd “met de verkoop”, zodat het hof daaraan ook om die reden voorbijgaat. 26. Voor zover [appellant] nog betoogt dat [executeur 1] en [executeur 2] niet hebben aangetoond dat het in het belang van de nalatenschap was om het pand op dat moment te verkopen tegen een prijs die € 19.000,- lager was dan wat [appellant] redelijk achtte, ziet hij eraan voorbij dat de stelplicht en bewijslast hier niet op de executeurs rust. De rechtbank heeft immers, in hoger beroep terecht onbestreden, overwogen dat het op de weg van [appellant] ligt om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen, die het oordeel rechtvaardigen dat de executeurs in de zorg van een goed executeur zijn tekortgeschoten door geen maatregelen te treffen ter voorkoming van dreigend nadeel door de erfgenamen. De onderbouwing van de grief schiet op dit onderdeel verder tekort, nu daarin niet specifiek wordt ingegaan op de in r.o. 4.5.6 van het vonnis in aanmerking genomen gronden die [executeur 1] en [executeur 2] hadden aangevoerd ter onderbouwing waarom volgens hen het pand voor een reële prijs is verkocht (het pand stond al meer dan een jaar leeg, er waren amper kijkers, de WOZ-waarde was € 204.000,-, de prijs was marktconform en door de makelaar geadviseerd en er waren geen andere biedingen). - pand [H] 27. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald (in r.o. 4.5.11) dat [appellant] het recht heeft verwerkt om terug te komen op zijn instemming met de verkoop van het pand te [H] aan [executeur 1] voor € 90.000,-. Er bestond volgens hem geen enkele noodzaak om het pand op dat moment voor dat bedrag aan de executeurs te verkopen. [appellant] ontkent niet dat hij met de verkoop voor dat bedrag heeft ingestemd, maar is van oordeel dat [executeur 1] en [executeur 2] misbruik hebben gemaakt van het vertrouwen dat [appellant] op dat moment (juni 2013) nog in hun had. Verder betoogt [appellant] dat zijn recht om schadevergoeding te vorderen niet is verwerkt, nu hij het recht heeft om rekening en verantwoording te vorderen aan het einde van het bewind en de executele. 28. Naar het oordeel van het hof faalt dit onderdeel van de grief. Ter comparitie in eerste aanleg heeft [appellant] verklaard dat hij in reactie op een e-mail van notaris [naam notariskantoor] akkoord was gegaan met de verkoop aan [executeur 1] voor € 90.000,-, omdat toen alles nog in redelijke sfeer verliep. Ruim een jaar eerder had het pand volgens het boedeloverzicht van 31 mei 2012 een getaxeerde waarde van € 135.000,-. [appellant] was van deze hogere waarde op de hoogte en heeft, naar hij zelf verklaart, geen bod willen doen. Onder die omstandigheden valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom [appellant] niet gehouden kan worden aan de door hem ten behoeve van [executeur 1] en [executeur 2] gegeven instemming met de verkoop tegen € 90.000,-. Enige onderbouwing van de stelling dat [executeur 1] en [executeur 2] misbruik van vertrouwen hebben gemaakt, ontbreekt. Door met de verkoop in te stemmen, heeft [appellant] nu juist afstand gedaan van zijn aanspraak om op dit punt nog rekening en verantwoording te verlangen, althans het recht daartoe verwerkt. - schuldverrekening 29. [appellant] voert met onderdeel 23 van de memorie van grieven aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat [appellant] over de schuld in verband met de overname van het bedrijf van zijn vader rente verschuldigd is en zelfs een boeterente doordat hij in gebreke zou zijn met tijdige betaling, alsmede dat de executeurs niet in strijd met goed executeurschap hebben gehandeld door niet zijn totale schuld met zijn erfdeel te verrekenen. 30. Voor zover [appellant] met dit onderdeel van de grief zou willen betogen dat hij over de schuld aan de nalatenschap in verband met de overname van het bedrijf van zijn vader in het geheel geen rente verschuldigd zou zijn, faalt het onderdeel bij gebreke van enige toelichting. [appellant] heeft niet betwist dat hij indertijd met zijn vader is overeengekomen dat hij rente zou betalen over deze schuld. Daaruit volgt dat [appellant] na het overlijden van vader over de schuld rente moet betalen aan de nalatenschap. 31. Voor zover het onderdeel betrekking heeft op boeterente, faalt het bij gebrek aan belang, omdat [executeur 1] en [executeur 2] in hoger beroep niet langer aanspraak maken op boeterente en de eis in reconventie in verband daarmee hebben verminderd. 32. Ter toelichting op dit onderdeel vermeldt [appellant] (memorie van grieven, p. 16) dat de executeurs en de rechtbank van oordeel zijn dat de executeurs de wettelijke mogelijkheid hebben om tot verrekening over te gaan, maar dat hij dit betwist en dat hij handhaaft hetgeen hij in eerste aanleg op dit punt heeft gesteld. Nu [appellant] niet verwijst naar enige passage in de door hem in eerste aanleg ingediende processtukken, gaat het hof ervan uit dat hij doelt op de inleidende dagvaarding, onder het hoofdje “11F. Schuldverrekening”. Aldaar wordt met betrekking tot het aan [appellant] toekomende aandeel in de verkoopopbrengst van de woning in [H] aangevoerd dat dit aandeel door [executeur 1] en [executeur 2] niet verrekend had mogen worden met de zakelijke lening die vader aan [appellant] had verstrekt ter zake van de overneming van Accountantskantoor […] , welke lening niet opeisbaar was en er geen recht tot verrekening was. Met dit laatste is gedoeld, zo begrijpt het hof, op de volgende bepaling in de voorwaarden van de geldlening (productie 13 bij inleidende dagvaarding): “7. Schuldverrekening. Partijen sluiten verrekening van hetgeen zij over en weer uit hoofde van deze geldlening te vorderen hebben, uit, behoudens wat betreft het hierna sub O in de laatste alinea bepaalde.” 33. Met betrekking tot de uitkering van het aandeel van [appellant] in de opbrengst van het pand te [H] hebben [executeur 1] en [executeur 2] zich beroepen op verrekening als bedoeld in art. 4:228 BW, dat wil zeggen op de regel dat tot de schulden van een erfgenaam die bij de verdeling op zijn aandeel kan worden toegerekend, behoort hetgeen hij aan de erflater is schuldig gebleven. Deze regel is een bijzondere erfrechtelijke bepaling ter aanvulling van de algemene regel die geldt bij verdeling van gemeenschappen, dat ieder der deelgenoten bij een verdeling kan verlangen dat op het aandeel van een andere deelgenoot wordt toegerekend hetgeen deze aan de gemeenschap schuldig is (art. 3:184 lid 1, eerste zin, BW). Naar het oordeel van het hof hebben [executeur 1] en [executeur 2] , toen de opbrengst van het pand te [H] aanleiding gaf tot een partiële verdeling van de nalatenschap, zich tegenover [appellant] op goede gronden beroepen op gedwongen schuldtoerekening en op grond daarvan een bedrag van € 90.000,- aan [appellant] ten goede gebracht door dit in mindering te brengen op zijn schuld aan de nalatenschap en tegelijkertijd het pand te [H] voor eenzelfde bedrag aan [executeur 1] toebedeeld. Dat de schuld van [appellant] aan de nalatenschap op dat moment nog niet opeisbaar was, staat aan het inroepen van de wettelijke mogelijkheid van gedwongen schuldtoerekening niet in de weg. Evenmin staat daaraan in de weg dat bij de lening door [appellant] en vader verrekening van wat zij over en weer uit hoofde van de geldlening te vorderen hebben, was uitgesloten. Het gaat hier immers niet om verrekening over en weer van verbintenissen uit hoofde van de geldlening. 34. Met betrekking tot de verrekening die [executeur 1] en [executeur 2] hebben toegepast met betrekking tot het bedrag van € 52.719,- dat [appellant] van de nalatenschap van vader te vorderen had ter zake van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van moeder, overweegt het hof het volgende. [appellant] heeft in de inleidende dagvaarding betoogd dat de executeurs als afwikkelingsbewindvoerders van de nalatenschap van vader geen bevoegdheden hadden ten aanzien van de nalatenschap van moeder en dat de verrekening van het genoemde bedrag met zijn schuld uit de lening “dan ook” onrechtmatig was. Dit argument snijdt geen hout, omdat tot de bevoegdheden van [executeur 1] en [executeur 2] als afwikkelingsbewindvoerders en executeurs krachtens het testament van vader onder mee behoorde het voldoen van opeisbare schulden van de nalatenschap (hetzelfde volgt uit art. 4:144 lid 1 BW). Tot de schulden van de nalatenschap van vader behoorde ook de schuld van vader aan [appellant] ter zake van de wettelijke verdeling van moeder. Niet valt in te zien waarom [executeur 1] en [executeur 2] zich als afwikkelingsbewindvoerders en executeurs bij het voldoen van deze schuld aan [appellant] niet op verrekening zouden mogen beroepen omdat zij geen bevoegdheden ten aanzien van de nalatenschap van moeder hadden. Bij een dergelijke verrekening is de nalatenschap van moeder helemaal niet betrokken: die nalatenschap is immers reeds (wettelijk) verdeeld. 35. Het voornaamste bezwaar dat [appellant] in verband met dit onderdeel van de grief aanvoert, is dat [executeur 1] en [executeur 2] zijn totale schuld hadden moeten verrekenen met zijn erfdeel en dat hij in dat geval geen rente meer verschuldigd was geweest over de door zijn vader aan hem verstrekte lening. Volgens [appellant] was het bedrag van € 200.989,88 dat na de levering van het pand te [S] op 18 oktober 2013 werd gestort op de derdenrekening van de notaris ruim voldoende om daarmee de vordering van de nalatenschap op [appellant] , die per 25 maart 2014 € 129.815,36 beliep, te verrekenen. Per saldo overtreft het aandeel van [appellant] in de nalatenschap het bedrag van de vordering van de nalatenschap op hem met ruim € 70.000,-. [appellant] is dan ook – zo voert hij aan – nimmer in verzuim geweest met zijn verplichtingen uit de lening en ten onrechte vorderen de executeurs dan ook vanaf 18 oktober 2013 een rente van 3,5%. 36. [executeur 1] en [executeur 2] voeren hiertegen aan dat er, althans tot 30 oktober 2015, geen voldoende liquide middelen op de ervenrekening beschikbaar waren om tot een zodanige partiële verdeling te komen dat aan [executeur 1] en aan [appellant] eenzelfde bedrag werd uitgekeerd, te weten aan [executeur 1] in contanten en aan [appellant] door verrekening met zijn schuld aan de nalatenschap. Pas op 30 oktober 2015 is de opbrengst van het pand te [S] beschikbaar gekomen op de ervenrekening. [appellant] is in het bestreden vonnis, onder 5.17, veroordeeld om hieraan zijn volledige medewerking te verlenen, doch heeft dit nagelaten, waarna [executeur 1] en [executeur 2] vervolgens op grond van het vonnis de notaris opdracht hebben verleend tot overmaking naar de ervenrekening. 37. Het hof oordeelt hierover als volgt. Vanaf 30 oktober 2015 waren er voldoende liquide middelen in de nalatenschap voorhanden om te komen tot een zodanige partiële verdeling dat de schuld van [appellant] aan de nalatenschap door schuldtoerekening teniet zou gaan, waardoor [appellant] niet langer maandelijks de contractuele rente van 3,5% over die schuld verschuldigd zou worden. [executeur 1] en [executeur 2] hebben geen (steekhoudend) argument aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat zij desondanks van een dergelijke partiële verdeling, waarbij [appellant] belang had, zouden mogen afzien. Vanaf 30 oktober 2015 waren [executeur 1] en [executeur 2] als executeurs (en [executeur 1] als erfgenaam) naar het oordeel van het hof derhalve gehouden om met de financiële belangen van [appellant] rekening te houden door hetzij medewerking te verlenen aan een dergelijke partiële verdeling, hetzij in te stemmen met verlaging van de door [appellant] te betalen rente tot nul. Deze gehoudenheid vloeit voor [executeur 1] en [executeur 2] als executeurs voort uit hun zorgplicht jegens [appellant] als erfgenaam en voor [executeur 1] als erfgenaam uit de redelijkheid en billijkheid die deelgenoten jegens elkaar in acht hebben te nemen (art. 3:166 lid 3 BW). Daaraan doet niet af dat [appellant] zich bij memorie van grieven (p. 20) op het standpunt heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat [appellant] moet meewerken aan het vrijgeven van het in depot bij de notaris gestorte bedrag, omdat daardoor het risico ontstaat dat executeurs door het doen van uitkering aan [executeur 1] bewerkstelligen dat er onvoldoende geld overblijft om het aan [appellant] toekomende bedrag uit te keren. Voor de periode tot 30 oktober 2015 bestond een zodanige verplichting voor [executeur 1] en [executeur 2] niet, nu zij voldoende duidelijk hebben gemaakt dat zolang de opbrengst van het pand te [S] op de derdenrekening van de notaris stond, daarover niet zonder medewerking van [appellant] kon worden beschikt en [appellant] daaraan niet meewerkte (zoals ook blijkt uit het feit dat hij zich heeft verzet tegen toewijzing van de vordering tot vrijgave van de opbrengst). 38. Het voorgaande heeft tot gevolg dat grief 5 gedeeltelijk slaagt en dat de nalatenschap jegens [appellant] geen aanspraak kan maken op de contractuele rente over de schuld van [appellant] aan de nalatenschap uit hoofde van de geldlening vanaf 30 oktober 2015. Hierdoor valt de nalatenschap lager uit dan door [executeur 1] en [executeur 2] is berekend. Voor een verplichting tot schadevergoeding door [executeur 1] en [executeur 2] ziet het hof geen grond, nu nadeel van [appellant] wordt ondervangen doordat de nalatenschap geen aanspraak kan maken op rente vanaf 30 oktober 2015. Grief 4 in het principaal appel 39. Grief 4 houdt in dat de rechtbank ten onrechte: a. heeft bepaald (in r.o. 4.5.2, hof) dat de door de executeurs in rekening gebrachte kosten van € 4.109,51 en € 1.842,71 reële kosten zijn en niet zien op loon en b. bij het bepalen van de omvang en de waarde van de nalatenschap (in r.o. 5.14, hof) rekening houdt met een executeursloon van € 8.854,-. 40. Volgens [appellant] hebben [executeur 1] en [executeur 2] met het factureren van de eerste twee bedragen € 2.000,- teveel in rekening gebracht. Het bedrag aan executeursloon had niet in aanmerking mogen worden genomen bij het bepalen van de omvang van de nalatenschap, nu [executeur 1] en [executeur 2] volgens het testament geen recht hebben op loon en de rechtbank zich terecht niet bevoegd heeft geacht executeursloon vast te stellen en de zaak daarvoor heeft verwezen naar de kantonrechter. 41. [executeur 1] en [executeur 2] betwisten dat zij met de door hen in rekening gebrachte bedragen van € 4.109,51 en € 1.842,71 teveel hebben gedeclareerd. Het bedrag van € 4.109.51 is bovendien door hen genoemd in het tussentijdse verslag van 26 mei 2013 (productie 7 bij inleidende dagvaarding), dat door [appellant] voor akkoord is getekend. [appellant] heeft het recht verwerkt daarop in deze procedure terug te komen. De bezwaren van [appellant] tegen de beide bedragen zijn zo vaag dat [executeur 1] en [executeur 2] zich daartegen niet kunnen verweren. Verder voeren [executeur 1] en [executeur 2] aan dat zij wel degelijk de door [executeur 2] opgenomen 43 verlofuren voor door haar als executeur verrichte noodzakelijke werkzaamheden hebben mogen declareren als kosten tegen een uurtarief van € 28,08. Het bezwaar van [appellant] tegen het in aanmerking nemen van het executeursloon achten [executeur 1] en [executeur 2] gegrond. Zij zullen bij de afwikkeling van de nalatenschap slechts op executeursloon aanspraak maken voor zover dat door de kantonrechter wordt toegekend. Dit laatste is inmiddels gebeurd bij beschikking van 12 mei 2016 van de kantonrechter te Rotterdam (productie 13 bij akte d.d. 13 september 2016 van [executeur 1] en [executeur 2] ), die € 4.400,- aan executeursloon heeft toegekend. 42. Het hof is van oordeel dat het bezwaar van [appellant] tegen het bedrag van € 4.109,51 afstuit op de omstandigheid dat hij zonder voorbehoud heeft ingestemd met het verslag van 26 mei 2013, waarin dit bedrag is vermeld. Voor beide bedragen geldt voorts dat [appellant] zijn bezwaren niet voldoende heeft geconcretiseerd. De verwijzing in de toelichting op de grief naar de als productie 31 in eerste overgelegde reactie naar aanleiding van de door de executeurs ingediende facturen volstaat daarvoor niet, nu het hof ook uit dit stuk niet duidelijk kan afleiden wat de bezwaren van [appellant] zijn. Met betrekking tot de in rekening gebrachte uren is het hof van oordeel dat deze, gelet op de toelichting daarop van [executeur 1] en [executeur 2] , alleszins redelijk voorkomen. In zoverre faalt grief 4 dan ook. 43. Grief 4 slaagt wel op het punt van de bij de omvang van de nalatenschap in aanmerking genomen executeursloon. In plaats van het bedrag van 8.854,- dient uitgegaan te worden van een bedrag aan executeursloon van € 4.400,- dat is toegekend bij beschikking van 12 mei 2016 van de kantonrechter te Rotterdam. Grief 1 in het principaal appel 44. Grief 1 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de taak van de executeurs nog niet is voltooid (r.o. 4.1.1, hof). De taak van de executeurs is op grond van het testament om de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan, te voldoen. Hun taak eindigt (onder meer) wanneer hun werkzaamheden als zodanig zijn voltooid. Ook de executeurs hebben, aldus [appellant] , verklaard dat zij hun taak hebben volbracht. 45. [executeur 1] en [executeur 2] bestrijden te hebben erkend dat hun taak is geëindigd. Nog niet alle schulden van de nalatenschap zijn voldaan: zo lang de tot de B.V. waarvan de aandelen tot de nalatenschap behoren niet is ontbonden, kan geen aangifte dividend- en vennootschapsbelasting worden gedaan zodat deze schulden nog niet kunnen worden voldaan. Ook uit de thans nog aanhangige procedure(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.