GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-18/00157 t/m BK-18/00176 Uitspraak van 1 juni 2018 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto/BPM, kantoor Zwolle, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de na terugwijzing door het Hof gedane uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 december 2017, nummers SGR 17/4604, SGR 17/4606 t/m SGR 17/4609, SGR 17/4611 t/m SGR 17/4614, SGR 17/4616, SGR 17/4620 t/m SGR 17/4629. Procesverloop 1.1. Belanghebbende heeft in april en mei 2015 ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van 20 uit andere lidstaten afkomstige personenauto’s telkens belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) op aangifte voldaan. De Inspecteur heeft de bezwaren tegen de voldoeningen op aangifte afgewezen. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 juni 2017, nummers BK-17/00183 t/m BK-17/00202, heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank voor een hernieuwde behandeling van de beroepen met inachtneming van de uitspraak van het Hof. 1.2. De Rechtbank heeft de behandeling van de zaak voortgezet en de beroepen ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 508 is geheven. 1.4. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 18 mei 2018. Partijen zijn verschenen. 1.6. Op de zitting zijn ook behandeld de vijf hoger beroepen met de BK-nummers 18/00177 t/m 18/00240, 18/00241 t/m 18/00260, 18/00261 t/m 18/00284, 18/00285 t/m 18/00299 en 18/00300 t/m 18/00314. Wat in het ene hoger beroep is aangevoerd en ingebracht, geldt - met instemming van partijen - ook voor de andere hoger beroepen. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft 20 personenauto’s, afkomstig uit andere lidstaten van de Europese Unie, met meer dan normale gebruiksschade in het Nederlandse kentekenregister laten registreren en op diverse dagen in april en mei 2015 de BPM op aangifte voldaan. 2.2. Belanghebbende heeft voor alle 20 auto’s gekozen de afschrijving te bepalen door middel van een taxatierapport met een gedetailleerde schadecalculatie. Steeds is 72 percent van de schade in mindering gebracht op de op basis van referentievoertuigen vastgestelde handelsinkoopwaarden. In enkele gevallen heeft belanghebbende aanvankelijk bij de aangiften ook een taxatierapport overgelegd en 100 percent van de schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst. De terugwijzingsuitspraak 3. Met betrekking tot het eerste hoger beroep heeft het Hof overwogen: "(…) 5.1. De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met juistheid geoordeeld dat de Nederlandse regelgeving op het terrein van de BPM, speciaal waar het gaat om de berekening van de BPM met betrekking tot de registratie van de in geding zijnde personenauto’s, onverkort toepassing kan vinden, omdat het op geen enkel onderdeel in strijd is met het Unierecht, en ook overigens terecht en op goede gronden, behoudens het overwogene in 5.5, geoordeeld dat de beroepen ongegrond zijn. 5.2. In geen van de stellingen die belanghebbende in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd - met inbegrip van de stellingen die raakvlakken vertonen met het Unierecht, waaronder artikel 110 VWEU, en die al dan niet mede zijn gegrond op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie - ziet het Hof een grond anders te oordelen. 5.3. Ook het door belanghebbende in hoger beroep gedane beroep op het beleid van de Staatssecretaris van Financiën, dat is neergelegd in het Kaderbesluit BPM, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 7 april 2017, nr. BLKB2017/1135M, Stcrt. 2017, 21206, faalt naar 's Hofs oordeel, reeds omdat de regeling die ziet op het gebruik van een koerslijst - de Inspecteur heeft er in diens pleitnota terecht op gewezen - voornamelijk van toepassing is in gevallen dat geen referentieauto’s in de markt worden aangetroffen dan wel de handelsinkoopwaarde onvoldoende is te herleiden. Belanghebbende heeft de BPM voor alle 20 auto’s berekend aan de hand van de handelsinkoopwaarden van referentieauto’s. 5.4. Belanghebbende heeft in beroep gesteld dat de waardeverminderingen voor de auto’s hoger zijn (100 percent) dan de vastgestelde norm (72 percent) en dat de taxateur dat conform onderdeel 3.5 van Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 voor elk van de auto’s gemotiveerd heeft uiteengezet en gestaafd met gedetailleerde schadecalculaties en met beeldmateriaal. In hoger beroep heeft belanghebbende haar stelling herhaald en heeft de Inspecteur erkend dat in een aantal gevallen mogelijk onvoldoende acht is geslagen op de stukken. 5.5. De rechtbank heeft over die stelling van belanghebbende geoordeeld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waardevermindering als gevolg van de schade aan de auto’s meer bedraagt dan 72 percent van het schadebedrag, met de motivering dat belanghebbende zich slechts in algemene bewoordingen tegen de toepassing van de 72%-norm heeft verzet. Dat kan betekenen dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op de stelling van belanghebbende en al wat belanghebbende aan bewijs heeft bijgebracht. De rechtbank had op basis van de in het geding gebrachte gegevens voor elk van de auto’s moeten onderzoeken of het bewijs, waaronder taxatierapport, schadecalculatie en beeldmateriaal, voldoende is om belanghebbendes stelling, tegenover de eventuele betwisting door de Inspecteur, te staven en haar oordeel daarover in de uitspraak moeten vervatten. 5.6. De uitspraak van de rechtbank kan niet in stand blijven. Het Hof zal de behandeling van de zaak, tot verbetering van het bewijsoordeel van de rechtbank en ter voorkoming van verlies van instantie door partijen, naar de rechtbank terugwijzen voor het doen plaatsvinden in meervoudige kamer van een nieuwe in de sfeer van de BPM te verrichten toetsing van de schade aan de auto’s. 5.7. Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep uitsluitend wat betreft het overwogene in 5.6 gegrond is. (…)" De Rechtbank 4. De Rechtbank heeft na de terugwijzing overwogen: "(…) Geschil 4. Na terugwijzing door het Hof is alleen nog in geschil het antwoord op de vraag of voor de onderwerpelijke personenauto’s, waarvoor niet in geschil is dat die alle meer dan normale gebruiksschade hebben en waarvoor steeds een gedetailleerde schadecalculatie is overgelegd, heeft te gelden dat 100% van het getaxeerde schadebedrag in aftrek komt, zoals [belanghebbende] bepleit, dan wel niet meer dan 72%, zoals [de Inspecteur] voorstaat. Meer specifiek is in geschil of de door [belanghebbende] in het geding gebrachte gegevens voor elk van de auto’s, waaronder het taxatierapport, de schadecalculatie en het beeldmateriaal, voldoende zijn om [belanghebbende] te volgen in haar stelling dat de waardeverminderingen van de auto’s hoger zijn (100%) dan de vastgestelde norm (72%). 5. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil 6. De rechtbank stelt voorop dat zij voorbijgaat aan alles wat [belanghebbende] heeft aangevoerd met betrekking tot de (on)verbindendheid van de Nederlandse regelgeving op het terrein van de Bpm, daar het Hof in zijn uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] reeds heeft geoordeeld dat die regeling op geen enkel onderdeel strijdig is met het Unierecht en deze grieven de opdracht die het Hof bij de terugwijzing aan de rechtbank heeft gegeven (zie r.o. 5.4. t/m 5.6. van de uitspraak van het Hof) ook te buiten gaan. De rechtbank beperkt zich in deze uitspraak tot de beoordeling van de in geschil zijnde vraag zoals hiervoor onder 4. is weergegeven. 7. In artikel 10, achtste, negende en tiende lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling), in samenhang bezien met Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling, is - kort gezegd - neergelegd dat de waardevermindering van auto’s met meer dan normale gebruiksschade kan worden vastgesteld met gebruikmaking van een taxatierapport, waarbij de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van het schadebedrag. Voor het geval de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm van 72%, is in Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling bepaald dat dit dan gemotiveerd wordt aangegeven, gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal. 8. De rechtbank heeft gelet op hetgeen het Hof heeft overwogen in r.o. 5.4 t/m 5.6, zoals hiervoor [] weergegeven, voor elk van de 20 auto’s bezien wat [belanghebbende] aangaande de schade heeft gesteld en onderzocht of op basis van het taxatierapport, de schadecalculatie en het beeldmateriaal aannemelijk is dat de waardevermindering als gevolg van de schade meer bedraagt dan de norm van 72% van het schadebedrag. 9. Ook na terugwijzing door het Hof ziet de rechtbank in wat [belanghebbende] in beroep heeft aangevoerd en overgelegd, niet een gemotiveerde uiteenzetting van de taxateur van [belanghebbende] over de reden voor een waardevermindering (die) groter (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.