Rolnummer: 22-001818-18 Parketnummer: 10-162484-17 Datum uitspraak: 30 augustus 2018 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1999, [adres]. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het haar ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie. De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2018 gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep, nu er door de verdachte te laat hoger beroep is ingesteld. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 408, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak moet worden ingesteld, indien – onder meer - zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de eerste terechtzitting in eerste aanleg op 20 november 2017 heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat de verdachte niet is verschenen, waardoor de zaak voor bepaalde tijd is aangehouden tot 20 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.