GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.206.401/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/508679/HA ZA 16-410 arrest van 16 oktober 2018 inzake 1. [naam 1] , 2. [naam 2] , beiden wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna: [appellanten] , advocaat: mr. L.M. Zuydgeest te Den Haag, tegen [naam 3] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.G. Hinnen te Leiden. Het geding 1. Voor de gang van zaken tot 7 februari 2017 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 13 april 2017. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. 2. Bij memorie van grieven tevens wijziging c.q. vermeerdering van eis met producties heeft [appellanten] vijf grieven aangevoerd. Bij brief van 15 juni 2017 heeft [appellanten] nog een aanvullende productie in het geding gebracht. Bij memorie van antwoord tevens antwoordakte vermeerdering van eis met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Daarna heeft [appellanten] een akte met producties genomen en bij brieven van 19 september 2017 en 2 oktober 2017 aanvullende producties overgelegd. [geïntimeerde] heeft bij antwoordakte gereageerd. 3. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 4. De door de rechtbank in het bestreden vonnis van 12 oktober 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende: a. [appellanten] is sinds 15 april 2015 eigenaar van het perceel gelegen aan [het adres 1] te [plaats] , perceelnummer [1] , hierna ‘ [perceel 1] ’. [perceel 1] grenst aan de achterzijde aan het perceel van [geïntimeerde] , gelegen aan [het adres 2] te [plaats] , perceelnummer [2] , hierna ‘ [perceel 2] ’, en aan het daarnaast gelegen perceel aan [het adres 3] , perceelnummer [3] , hierna ‘ [perceel 3] ’. [geïntimeerde] is sinds 1999 eigenaar van [perceel 2] . In 2001 heeft [geïntimeerde] tussen zijn perceel en [perceel 1] een schuur geplaatst. De achterste muur (bezien vanuit het perceel van [geïntimeerde] ) van de schuur loopt in het verlengde van de schutting tussen [perceel 1] en [perceel 3] . Voordat [geïntimeerde] de schuur plaatste stond er ook een schutting tussen [perceel 1] en het perceel van [geïntimeerde] . De schutting was in 1979 neergezet door mevrouw [naam 4] , de toenmalige eigenares van [perceel 1] (hierna: ‘ [de toenmalige eigenares van perceel 1] ’) en stond tussen [perceel 1] en [perceel 3] en het perceel van [geïntimeerde] . Het deel van de schutting tussen [perceel 1] en het perceel van [geïntimeerde] is door hem verwijderd om ruimte te maken voor de schuur. Op de veldwerktekening van het Kadaster gehecht aan het bestreden vonnis loopt de schuur vanaf de (vanuit [perceel 3] gezien) meest rechtsgelegen paal (het derde gearceerde blokje van rechts) van de schutting tussen [perceel 1] en [perceel 3] , ter hoogte van punt 0,58 op de kadastrale tekening, in een rechte lijn tot aan de erfgrens met [perceel 4] (zie productie 3 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg). Bij brief van 10 september 2001 aan [geïntimeerde] is namens [de toenmalige eigenares van perceel 1] , de rechtsvoorgangster van [appellanten] , bezwaar gemaakt tegen de verwijdering van de schutting. In de brief is medegedeeld dat [de toenmalige eigenares van perceel 1] ervan uitgaat dat er binnen afzienbare tijd op exact dezelfde plek een schutting wordt teruggeplaatst. [geïntimeerde] heeft vervolgens de door hem verwijderde delen van de schutting teruggeplaatst, tegen de achtermuur van de schuur. Het Kadaster heeft in opdracht van [appellanten] onderzoek gedaan naar de erfgrens tussen [perceel 1] en [perceel 2] . Uit het relaas van bevindingen van het Kadaster, opgemaakt op 10 juni 2015, blijkt dat de schuur van [geïntimeerde] (met overstekend dakbeschot) gedeeltelijk op [perceel 1] , thans het perceel van [appellanten] , staat. [appellanten] heeft [geïntimeerde] bij brief van 5 november 2015 onder verwijzing naar het relaas van bevindingen van het Kadaster gesommeerd de schuur vóór 1 maart 2016 van zijn perceel te verwijderen. 5. In eerste aanleg heeft [appellanten] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten, het volgende gevorderd: a. een verklaring voor recht dat de erfgrens tussen de percelen aan [het adres 1] en [het adres 2] te [plaats] overeenkomt met de kadastrale grens zoals neergelegd in het relaas van bevindingen van het Kadaster van 10 juni 2015; een verklaring voor recht dat de schuur (met overstekend dakbeschot) van [geïntimeerde] zich gedeeltelijk op het perceel van [appellanten] bevindt; een veroordeling van [geïntimeerde] om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, binnen drie maanden na de datum van het vonnis het gedeelte van de schuur op zijn perceel inclusief overstekend dakbeschot te verwijderen en de kosten van het Kadaster ten bedrage van € 450,- aan [appellanten] te vergoeden. 6. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [appellanten] in de kosten: a. een verklaring voor recht dat de strook grond gearceerd op de door hem overgelegde kadastrale kaart [toevoeging hof: de gearceerde strook grond komt overeen met de strook grond waarop nu de schuur staat] door verjaring zijn eigendom is geworden; een veroordeling van [appellanten] om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, mee te werken aan de aanpassing van de eigendomssituatie door middel van een door de notaris op te stellen akte en de inschrijving van deze akte in de kadastrale registers. De strook grond die gearceerd is op de door [geïntimeerde] overgelegde kadastrale kaart komt overeen met de strook grond waarop nu de schuur staat. 7. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] in conventie afgewezen en de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie toegewezen en [appellanten] in conventie en in reconventie in de kosten veroordeeld. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen [appellanten] de desbetreffende medewerking moet verlenen bepaald op zes weken na betekening van het vonnis en deze veroordeling alsmede de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 8. Daartoe heeft de rechtbank samengevat het volgende overwogen. De achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vroeger de schutting stond. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde (en door [appellanten] als juist erkende) verklaringen van drie omwonenden blijkt dat de schutting daar al sinds 1976, dan wel 1988, heeft gestaan en de feitelijke erfgrens vormde tussen de percelen van partijen. Nu de betwiste strook grond sinds de plaatsing van de schutting onafgebroken in gebruik is geweest bij de rechtsvoorgangers van [geïntimeerde] , is [geïntimeerde] door verkrijgende verjaring eigenaar geworden van de strook grond. 9. In de appeldagvaarding vordert [appellanten] vernietiging van het vonnis van de rechtbank en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, toewijzing van zijn vorderingen in eerste aanleg, thans op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie. Verder vordert [appellanten] een veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten inclusief de nakosten, alsmede een veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met wettelijke rente. Bij memorie van grieven heeft [appellanten] zijn eis vermeerderd met een vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] in de reële proceskosten en tot betaling van de kosten van een deskundigenrapport en het kadasterrapport van in totaal € 1.357,13. 10. [geïntimeerde] voert verweer. 11. Het hof zal eerst het bezwaar bespreken van [geïntimeerde] tegen de overlegging van producties door [appellanten] bij akte (aangevuld bij latere brieven), waarin [appellanten] reageert op de producties overgelegd door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord. Dit bezwaar wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] niet in strijd gehandeld met de goede procesorde door zijn reactie te onderbouwen met producties. [geïntimeerde] heeft daarop bij antwoordakte kunnen reageren. 12. De eerste twee grieven van [appellanten] zijn gericht tegen rov. 4.6 van het vonnis. [appellanten] bestrijdt de vaststelling van de rechtbank dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vroeger de schutting heeft gestaan. Daartoe voert hij het volgende aan. Na het vonnis heeft [appellanten] de beschikking gekregen over een foto uit 1988. Op basis van die foto heeft RBZ Recherche (hierna: ‘RBZ’) in opdracht van [appellanten] met behulp van professionele software een reconstructie gemaakt van de plaats van de schutting in 1988. Aan de hand van die reconstructie heeft RBZ vastgesteld dat de positie van de schutting in 1988 nagenoeg overeenkwam met de kadastrale grens. Daaruit leidt [appellanten] af dat [geïntimeerde] bij de plaatsing van de schuur in 2001 niet alleen het deel van de schutting tussen de percelen [1] ( [appellanten] ) en [2] ( [geïntimeerde] ), maar óók het hetdeel van de schutting tussen [perceel 1] ( [appellanten] ) en [perceel 3] (niet bij dit geding betrokken buren) heeft verwijderd en dat [geïntimeerde] zowel de achtermuur van de schuur als de schutting tussen percelen [1] en [3] 78,9 cm verder in de richting van het perceel van [appellanten] moet hebben geplaatst. Dit wordt bevestigd door de reconstructie van [appellanten] met behulp van Google Maps, die door RBZ is gecontroleerd, aldus nog steeds [appellanten] heeft de juistheid van de verklaringen van de omwonenden in eerste aanleg niet erkend. Zo zijn woorden al als een erkenning van de juistheid van deze verklaringen zouden worden gezien, dan berust deze erkenning op dwaling. De overgelegde foto’s en reconstructies leveren overtuigender bewijs dan de verklaringen van de omwonenden, aldus [appellanten] 13. Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] voor een geslaagd beroep opverkrijgende verjaring uit hoofde van artikel 3:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zal moeten stellen (en zo nodig bewijzen) dat hij en/of zijn rechtsvoorgangers, de betwiste strook grond gedurende 20 jaar in bezit heeft/hebben gehad. Men neemt een goed in bezit door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen (artikel 3:113 BW). Het hof zal eerst onderzoeken of voldoende vast is komen te staan dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan. Als dat niet het geval is en [geïntimeerde] de achtermuur van de schuur niet op de plek van de oorspronkelijke schutting heeft geplaatst, zoals [appellanten] aanvoert, kan van verkrijgende verjaring immers hoe dan ook geen sprake zijn. De vraag of [geïntimeerde] en/of zijn rechtsvoorgangers gedurende 20 jaar de feitelijke macht over de strook grond hebben uitgeoefend, komt daarna, bij de bespreking van grief 3, aan de orde. 14. [geïntimeerde] heeft zijn stelling dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan, onderbouwd met schriftelijke verklaringen van drie omwonenden. [naam 5] (hierna: [de omwonende 1] ) woont sinds 1979 op [het adres 4] en kwam vanaf 1976 regelmatig op [het adres 3] ( [perceel 3] , naast het perceel van [geïntimeerde] ). Zij heeft onder meer verklaard dat “(…) de erfgrens, zoals deze tot op de dag van vandaag bestaat, de erfgrens is zoals ik die heb aangetroffen toen ik in 1976 bij mijn schoonouders de familie [naam 6] over de vloer kwam. Toenmalig wonend op [het adres 3] . Tevens woon ik zelf sinds 1979 op [het adres 4] en heb sindsdien de erfgrenzen niet zien wijzigen.” [naam 7] (hierna: [de omwonende 2] ) heeft gewoond op de [het adres 5] ( [perceel 4] op de kadastrale kaart), grenzend aan zowel [perceel 1] (het perceel van [appellanten] ) als [perceel 2] (het perceel van [geïntimeerde] ). Hij heeft onder meer het volgende verklaard: “(…) Als oud bewoner van de [het adres 5] , verklaar ik dat de erfgrens zoals deze tot op de dag van vandaag bestaat, de erfgrens is zoals wij die hebben aangetroffen toen wij in oktober 1988 het betreffende pand gingen bewonen. Onze tuin eindigde exact op de plek waar de tuin van [het adres 5] heden ten dage nog steeds eindigt en ook de muur van de schuur van het perceel [het adres 2] staat exact op de plek zoals deze in de vorm van een hek aanwezig was toen de Familie [naam 8] het pand bewoonde. Na verhuizing van de Familie [naam 8] , heeft de huidige bewoner de huidige schuur exact op de plaats van de schutting geplaatst, die daar was aangelegd door de toenmalige bewoonster Mevrouw [de toenmalige eigenares van perceel 1] . De situatie zoals deze nu wordt aangetroffen is sinds oktober 1988 niet veranderd.” [naam 9] (hierna: [de omwonende 3] ), die al meer dan 60 jaar woont op de [het adres 6] , naast het huis waarin vroeger [de omwonende 2] woonde, heeft verklaard dat de schutting er zeker 25 jaar staat. De laatste verklaring is van [naam 10] (hierna: [de omwonende 4] ), die sinds 1943 woont op [het adres 7] . Hij heeft onder meer verklaard: “(…) In de loop der jaren dat ik contact had met zowel de familie [naam 8] (voormalig bewoners [het adres 2] ) en de familie [naam 6] (voormalig bewoners [het adres 3] ) heeft het hek zoals heden ten dage nog zichtbaar op [het adres 3] altijd op deze plaats gestaan.” 15. Volgens [appellanten] zijn de verklaringen van deze getuigen onbetrouwbaar, omdat het onwaarschijnlijk is dat zij zich na zo’n lange tijd nog kunnen herinneren waar de schutting precies heeft gestaan. Naar het oordeel van het hof hebben [de omwonende 1] , [de omwonende 2] en [de omwonende 3] de situatie destijds echter goed kunnen waarnemen; [de omwonende 1] omdat zij regelmatig bij haar schoonouders was en [de omwonende 2] en [de omwonende 3] omdat zij naast de percelen van [geïntimeerde] en [appellanten] wo(o)n(d)en. De verklaring van [de omwonende 3] dat de schutting er zeker 25 jaar staat impliceert dat deze niet is verplaatst. Van belang is dat niet in geschil is dat oorspronkelijk sprake was van één doorlopende schutting tussen enerzijds [perceel 1] (thans van [appellanten] ) en anderzijds de percelen [2] (thans van [geïntimeerde] ) en [3] en dat dit niet is gewijzigd, dat wil zeggen dat de achtermuur van de schuur in het verlengde loopt van de schutting tussen [perceel 1] en [perceel 3] . Zoals hierboven al overwogen houdt het verwijt van [appellanten] aan [geïntimeerde] dan ook in dat [geïntimeerde] niet alleen de omvang van het perceel van [appellanten] heeft gewijzigd, maar ook het buurperceel [3] , en wel doordat [geïntimeerde] de achtermuur van de schuur én de schutting tussen [perceel 1] en [perceel 3] bijna 80 cm naar achteren zou hebben verplaatst. Aangenomen mag worden dat een dergelijke handelwijze – die dan overigens doelbewust en met kwaad opzet moet zijn uitgevoerd, in het volle zicht van mogelijk toekijkende buren – toch bepaald de aandacht zou hebben getrokken van de bewoners van (een van) die betrokken percelen, en/of van direct aangrenzende percelen, in het bijzonder nu de percelen in kwestie vrij klein zijn; een verschuiving van een erfscheiding met bijna 80 cm blijft dan niet snel onopgemerkt. Als de (achtermuur van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.