GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.242.987/01Rolnummer rechtbank : 5827181 \ CV EXPL 17-10346 Arrest van 23 oktober 2018 in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], eiser in het incident, appellant in de hoofdzaak, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. S. van der Eijk te Den Haag, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], verweerder in het incident, geïntimeerde in de hoofdzaak, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. D. Tap te Den Haag. Het geding 1. Bij exploot van11 juli 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 20 april 2018, door de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, gewezen tussen partijen. Daarbij heeft hij vier grieven ingediend. Tevens heeft hij op de voet van artikel 351 Rv gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst (het incident). Bij memorie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] de vordering ex artikel 351 Rv bestreden. Aansluitend is arrest in dit incident bepaald. Feiten en aanleiding voor dit incident 2.1 [geïntimeerde] is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres]. Hij heeft deze woning in 2016 aan [appellant] verhuurd waarbij is afgesproken dat [appellant] de woning mocht onderverhuren. Vervolgens is de woning onderverhuurd. 2.2 Bij bestreden vonnis van 20 april 2018 heeft de kantonrechter de (hoofd)huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] ontbonden en [appellant] veroordeeld om achterstallige huurpenningen, vergoeding voor nutsvoorzieningen en proceskosten aan [geïntimeerde] te betalen (met rente). In het vonnis is niet geoordeeld dat de woning ontruimd mag worden. Dit had [geïntimeerde] ook niet gevorderd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.3 Tegen die uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft [appellant] zich gekeerd met het onderhavige incident. [appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] dusdanig hoge financiële eisen heeft geformuleerd ten opzichte van de huidige onderverhuurders dat het hen feitelijk onmogelijk wordt om in de woning te blijven. Als de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van kracht blijft, geeft dat [geïntimeerde] volgens [appellant] de mogelijkheid naar believen beschikken over het onroerend goed, bijvoorbeeld door – onomkeerbaar – het pand te verkopen, terwijl [appellant] er financieel belang bij heeft dat hij, indien hij in hoger beroep gelijk krijgt, gebruik kan blijven maken van het gehuurde en het ook kan (onder)verhuren aan de huidige onderhuurders of aan anderen. Beoordeling van dit incident 3.1 Uitgangspunt is dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dit te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of in afwijking van dit uitgangspunt, de tenuitvoerlegging moet worden geschorst, moet het hof onder meer beoordelen of het belang van degene ([appellant]) die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand totdat op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij ([geïntimeerde]) om het vonnis direct ten uitvoer te leggen. De kans van slagen van het hoger beroep blijft in de regel buiten beschouwing. 3.2 Het hof begrijpt dat het belang van [appellant] bij zijn incidentele vordering er vooral in is gelegen dat hij de woning hangende de procedure zelf kan blijven onderverhuren. Dat (financiële) belang van [appellant] is onvoldoende om van het onder 3.1 genoemde uitgangspunt af te wijken. 3.3 Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat indien de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van kracht blijft, [geïntimeerde] de mogelijkheid krijgt om naar believen te beschikken over de woning; [geïntimeerde] kan de woning dan bijvoorbeeld verkopen, wat tot een onomkeerbare situatie leidt. Voor zover de uitvoerbaarverklaring bij voorraad tot die onomkeerbare situatie zou leiden, is dat een uitvloeisel van het hiervoor genoemde beginsel dat [geïntimeerde] in beginsel bevoegd is het vonnis te executeren. Het financiële belang van [appellant] is onvoldoende om daarvan af te wijken. Daar komt bij dat op grond van het vonnis niet vast staat dat [geïntimeerde] naar believen kan beschikking over de woning. Ingevolge artikel 7:269 BW hebben de onderhuurders bij einde van de huurovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde], in beginsel van rechtswege aanspraak op voortzetting van de (onder)huur met [geïntimeerde] op de bij de onderhuur overeengekomen voorwaarden. Het bestreden vonnis en de directe uitvoering daarvan brengen dus niet zonder meer met zich dat [geïntimeerde] het de huidige onderhuurders onmogelijk mag maken om in de woning te blijven of dat [geïntimeerde] naar believen (met voorbijgaan aan de rechten van de onderhuurders) kan beschikken over de woning. 3.4 Het hof wijst de incidentele vordering dus niet toe. 3.5 [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van dit incident. Beslissing Het hof: - wijst de incidentele vordering af; - veroordeelt [appellant] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.074,- aan salaris van de advocaat; - verwijst de hoofdzaak naar de rol van 4 december 2018 voor het nemen van een memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde]. Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, P.H. Blok en H.J.M. Burg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.