GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.220.010/01 Zaaknummer rechtbank : C/01/278057 / HA ZA 14-335 arrest van 30 oktober 2018 inzake [naam] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: N.P.H. Vissers te Leusden, tegen Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Oost Brabant, gevestigd te Boekel, geïntimeerde, hierna te noemen: GGZ, advocaat: mr. C.W. M. Verberne te Eindhoven. Het geding 1. Bij exploot van 20 april 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van een door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogen-bosch, tussen partijen gewezen vonnis van 4 februari 2015. Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft GGZ de grieven bestreden. 2. Bij arrest van 26 juli 2016 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de zaak (bij dat hof bekend onder nummer 200.174.834/01) op grond van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie verwezen naar het Gerechtshof Den Haag. [appellant] heeft de zaak daarop bij exploot van 19 juli 2017 aangebracht bij dit hof. Vervolgens zijn de stukken overgelegd en is arrest gevraagd. De feiten 3. De door de rechtbank in het vonnis van 4 februari 2015 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende. 4. [appellant] is bekend met een autistische stoornis. Op advies van Stichting MEE Noordoost Brabant heeft [appellant] zich gewend tot GGZ, [locatie X] (ook de woonplaats van [appellant] ), om daar behandeld te worden in verband met deze stoornis. 5. Op 15 oktober 2012 heeft [appellant] een intakegesprek gehad op de [locatie X] . 6. Vervolgens heeft GGZ aan [appellant] (aanvankelijk mondeling) laten weten dat zijn zus, die op [locatie X] werkzaam is in de ouderenzorg, bezwaar heeft tegen zijn behandeling op die locatie en dat GGZ [appellant] om die reden daar niet zal behandelen. GGZ heeft [appellant] te kennen gegeven dat hij zich voor behandeling tot een andere locatie zal dienen te wenden. 7. Een en ander is ook schriftelijk, bij brief van 26 oktober 2012, aan [appellant] meegedeeld door [de eerste geneeskundige] (hierna: [de eerste geneeskundige] ), eerste geneeskundige van [locatie X] . 8. [appellant] heeft een klacht ingediend bij de klachtencommissie voor cliënten van GGZ. 9. GGZ heeft [appellant] bij brief van 31 januari 2013 laten weten dat de klachtencommissie de klacht ongegrond heeft verklaard. De klachtencommissie heeft zich daarbij beroepen op artikel 13 van het Handboek Arbeidsvoorwaarden van GGZ (hierna: het Handboek), waarin het protocol ‘Andere dan Hulpverleningsrelaties’ is opgenomen. De klachtencommissie heeft vastgesteld dat [de eerste geneeskundige] op basis van dit protocol een inschatting heeft gemaakt en heeft besloten dat het beter is dat [appellant] niet op de [locatie X] behandeld wordt. De klachtencommissie heeft vervolgens geoordeeld dat [de eerste geneeskundige] in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen, temeer nu hij [appellant] reële alternatieven heeft aangeboden. 10. Artikel 13 van het Handboek bepaalt het volgende: “Als algemene regel geldt dat opname van familieleden in de 1e graad, zoals echtgenoten, ouders, kinderen en relatiepartners niet dient te geschieden op de locatie waar de betreffende medewerker werkzaam is. Opname op een van de andere locaties is in principe wel mogelijk. Voor overige familieleden of vrienden is het ter beoordeling van het hoofd behandeling van een opnameafdeling, eventueel na overleg met de waarnemend eerste geneesheer van de betreffende locatie, of deze persoon wel of niet opgenomen kan worden. Bij deze beoordeling is in het bijzonder van belang of voldoende emotionele afstand bestaat tussen de op te nemen patiënt en de medewerker. Als deze emotionele afstand niet bestaat, dient uitgeweken te worden naar een opnameafdeling van een andere locatie, of dient verwezen te worden naar een andere instelling.” 11. [appellant] heeft zich vervolgens gewend tot de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: de Geschillencommissie) met het verzoek te bepalen dat GGZ hem alsnog de benodigde behandeling zal bieden op de [locatie X] . 12. Bij bindend advies van 16 januari 2014 heeft de Geschillencommissie de klacht ongegrond verklaard en het verzochte afgewezen. De Geschillencommissie heeft onder meer het volgende overwogen: “Standpunt van de patiënt (…) Patiënt heeft zich aangemeld bij een specifieke vestiging in zijn woonplaats van de zorginstelling waar autisme wordt behandeld. Hij heeft autisme en wacht al tijden op een goede behandeling en dacht deze op de betreffende locatie te hebben gevonden. Aanvankelijk kreeg patiënt ook toestemming voor de behandeling en met hem is vervolgens op 27 november 2012 een gesprek gevoerd. Later is de toestemming voor de behandeling alsnog geweigerd omdat de zus van patiënt werkzaam is op de betreffende locatie van de zorginstelling. Patiënt rekende dus al op de behandeling en mocht daarop ook vertrouwen. De zus van patiënt werkt inderdaad op de locatie van de zorginstelling waar hij zijn behandeling wenst, maar hij is oprecht van oordeel dat dat geenszins aan zijn behandeling in de weg kan en hoeft te staan. Er is geen sprake van opname, het gaat hier om een wekelijkse behandeling. Het is daarom voor patiënt onbegrijpelijk dat de behandeling wordt geweigerd. Patiënt ziet ook niet in dat de belangen van zijn zus hier in het gedrang komen en begrijpt overigens niet waarom haar belangen boven die van hem worden gesteld. Hem wordt immers hierdoor een behandeling die dringend nodig is onthouden. De zus van patiënt is werkzaam in de ouderenzorg, dus op een andere afdeling dan waar patiënt behandeld wenst te worden. Hij heeft reeds jaren geen contact met zijn zus, maar er is geen sprake van onmin. Patiënt heeft recht op hulp en wenst zijn behandeling op de betreffende locatie in zijn woonplaats van de zorginstelling zo spoedig mogelijk te starten. Behandeling elders zal grote consequenties hebben, nu dat meer kosten en reistijd met zich meebrengt. (…) Op grond van het voorgaande verzoekt de patiënt de zorginstelling alsnog hem de benodigde behandeling te bieden op de betreffende locatie van de instelling. (…) Standpunt van de zorginstelling (…) De zorginstelling vindt het erg vervelend dat patiënt na het intakegesprek te horen heeft gekregen dat hij toch niet in behandeling kon komen bij de specifieke locatie van de zorginstelling. Echter de zorginstelling dient naast de levering van verantwoorde zorg zich als een goed werkgever op te stellen. Dit kan betekenen dat er in bepaalde situaties besloten wordt een patiënt niet in behandeling te nemen of een reeds ingezette behandeling stop te zetten indien een familierelatie bestaat tussen de patiënt en een medewerker van de zorginstelling. Voordat een dergelijke beslissing wordt genomen, vindt een individuele afweging plaats. In deze zaak is er door de eerste geneeskundige van de locatie een individuele afweging gemaakt of de patiënt kon blijven op de locatie. Besloten is dat dit niet mogelijk was. Daarop heeft patiënt een klacht bij de klachtencommissie ingediend. Door de klachtencommissie is, bij afwezigheid van de eerstverantwoordelijke geneeskundige, een geneeskundige van een andere locatie om advies gevraagd. Ook deze deskundige oordeelde dat behandeling op de gevraagde locatie niet wenselijk. De zorginstelling heeft zich aan het oordeel van beide deskundigen geconformeerd. Beide geneeskundigen hebben in hun beoordeling een belangenafweging gemaakt op grond van het protocol ‘Andere dan hulpverleningsrelaties’. Hoewel de tekst van dit protocol zich richt op patiënten van een opnameafdeling, dient eenzelfde afweging te worden gemaakt als er een reden bestaat om aan te nemen dat de emotionele afstand tussen een patiënt en een medewerker onvoldoende is, zelfs als een patiënt ambulant in behandeling is. De zorginstelling stelt dat de locatie waar het hier om gaat een kleine locatie betreft, waar een zeer hechte groep hulpverleners werkzaam is. De lijn tussen de verschillende afdelingen is hierdoor kort. Hoewel patiënt op een andere afdeling in zorg zou komen dan waar zijn zus werkzaam is, dient in deze kwestie verder gekeken te worden dan de afdeling zelf. De zus heelt meerdere malen gezegd dat zij het zeer vervelend zou vinden wanneer patiënt op de betreffende locatie zou komen, waarbij ze heeft benadrukt dat er een bepaalde familiegeschiedenis bestaat wat de reden is dat zij al lange tijd geen contact met patiënt heeft. Zij zou het vervelend vinden hem op de locatie tegen te komen en zou het erg vervelend vinden indien deze familiegeschiedenis, ten gevolge van bespreking van patiënt, bekend zou worden binnen het multidisciplinaire team. De zus heeft hierbij betrokken de professionaliteit van haar collega’s. Op basis van het voorgaande is besloten dat de emotionele afstand tussen beiden bij een behandeling van patiënt onvoldoende is, en dat op de gewenste locatie van de zorginstelling de door patiënt gewenste zorg daardoor niet kan worden aangeboden. Gezien het voorgaande is er in het kader van de zorgplicht die de zorginstelling heeft, meermaals met patiënt gekeken naar behandelmogelijkheden elders, maar daarmee heeft hij niet in kunnen stemmen. (…) Op grond van het voorgaande heeft de zorginstelling terecht de behandeling op de betreffende locatie stop gezet. Het door de patiënt verlangde, dient derhalve te worden afgewezen. Beoordeling van het geschil Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende. (…) Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de commissie voldoende komen vast te staan dat de belangenafweging van de zijde van de zorginstelling zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat de zorginstelling (…) in alle redelijkheid en billijkheid heeft kunnen besluiten de behandeling met patiënt niet voort te zetten, door hem te verwijzen naar een andere locatie van de zorginstelling. De zorginstelling mocht in redelijkheid komen tot die conclusie nu er een familierelatie bestond tussen patiënt en een medewerkster van die locatie waarbij die laatste te kennen heeft gegeven bezwaar te hebben tegen opname van patiënt, ook al zou de patiënt op een andere afdeling behandeld worden. Ter zitting heeft de zorginstelling voldoende aannemelijk gemaakt dat er op andere aangrenzende locaties van de zorginstelling dezelfde zorg kon worden geboden. Nu hij op een andere locatie een kwalitatief gelijkwaardige behandeling voor autisme zou kunnen krijgen, dus gelijke zorg zou kunnen ontvangen, concludeert de commissie dat de zorginstelling, vanwege het reële alternatief, de behandeling in redelijkheid heeft mogen staken. Het ligt naar het oordeel van de commissie in de rede dat patiënt van dit aanbod gebruik kan maken. Dat hiermee meer kosten en reistijd is gemoeid, doet naar het oordeel van de commissie aan het geboden alternatief niets af.” De vordering en de beslissing in eerste aanleg 13. [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd, na wijziging van eis, dat de rechtbank het bindend advies van de Geschillencommissie vernietigt en de GGZ veroordeelt om binnen twee weken na het vonnis de behandeling van [appellant] te hervatten in de vestiging van de GGZ [locatie X] , althans [locatie Y] , op straffe van een dwangsom, te vermeerderen met kosten en rente, alsmede GGZ veroordeelt in de kosten van de procedure met wettelijke rente en nakosten. 14. De rechtbank heeft de bezwaren van [appellant] tegen de beslissing van de Geschillencommissie verworpen en de vorderingen van [appellant] afgewezen. De beoordeling van het hoger beroep 15. [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en zijn in eerste aanleg geformuleerde vorderingen alsnog toewijst, met veroordeling van GGZ in de kosten van het geding in beide instanties. 16. Bij de beoordeling van de door [appellant] tegen het vonnis aangevoerde grieven stelt het hof het volgende voorop. Blijkens het bepaalde in artikel 7:904 lid 1 BW, in samenhang met artikel 23 lid 1 van het reglement van de Geschillencommissie, kan het bindend advies van de Geschillencommissie worden vernietigd indien gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit criterium vraagt terughoudendheid van de rechter aan wie een bindend advies ter vernietiging wordt voorgelegd. Voor vernietiging van een bindend advies is slechts ruimte indien de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies ernstige gebreken vertoont. 17. De grieven 1 tot en met 6, en de daarbij gegeven toelichtingen, vertonen overlappingen. [appellant] stelt in deze grieven een aantal bezwaren tegen het bindend advies van de Geschillencommissie aan de orde. Hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat deze bezwaren tot vernietiging van het bindend advies hadden moeten leiden omdat de uitspraak in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 18. In de eerste plaats voert [appellant] aan dat de Geschillencommissie niet is ingegaan op zijn verweer dat de afwijzingsgrond van artikel 13 van het Handboek niet van toepassing is omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.