GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel, team familie Zaaknummer : 200.227.291/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/529898 / KG ZA 17-696 arrest in kort geding van 22 mei 2018 inzake 1. [De Weduwe] , wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: [De Weduwe] , 2. de Stichting naar Surinaams recht Stichting [NAAM] , gevestigd te [plaatsnaam] , Suriname,hierna te noemen: de Stichting, appellanten, advocaat: mr. S. Bharatsingh te Den Haag, tegen 1. [Kind een] , wonende te [woonplaats] ,niet verschenen,2. [Kind twee] , wonende te [woonplaats] ,niet verschenen, 3. [Kind drie] ,wonende te [woonplaats] , niet verschenen,4. [Kind vier] ,wonende te [woonplaats] ,advocaat: mr. M. Veken te Rotterdam,5. [Kind vijf] ,wonende te [woonplaats] ,niet verschenen,6. [Kind zes] ,wonende te [woonplaats] ,niet verschenen, 7. [Kind zeven] , wonende te [woonplaats] ,niet verschenen, geïntimeerden. Het geding Bij exploot van 31 oktober 2017 zijn [De Weduwe] en de Stichting in hoger beroep gekomen van het kortgedingvonnis van 5 oktober 2017 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, gewezen tussen [De Weduwe] en de Stichting als eiseressen en de hiervoor sub 1 t/m 7 genoemde personen als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis). Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen daarover is vermeld onder 1 van het bestreden vonnis. De grieven van [De Weduwe] en de Stichting tegen het bestreden vonnis zijn opgenomen in de appeldagvaarding. Tegen geïntimeerden sub 1 t/m 3 en sub 5 t/m 7 is verstek verleend. Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde sub 4, hierna: [Kind vier] , de grieven weersproken. Partijen hebben hun procesdossiers gefourneerd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. [De Weduwe] is de weduwe van [naam erflater] , die is overleden te Rotterdam [in] 1998 (hierna: erflater). Erflater liet tien kinderen na, waarvan twee met [De Weduwe] als moeder. Geïntimeerden zijn kinderen van erflater, die zijn geboren ofwel uit een eerder huwelijk van erflater ofwel zijn zij buiten echt geboren en door erflater erkend. [De Weduwe] is van geen van de geïntimeerden de moeder. Erflater had bij leven de Nederlandse nationaliteit en hij woonde in Nederland. 2. Erflater heeft bij Nederlands testament van 17 oktober 1997 beschikt over zijn nalatenschap. In het testament heeft erflater zijn echtgenote [De Weduwe] en zijn kinderen benoemd tot zijn enige erfgenamen en heeft hij een ouderlijke boedelverdeling gemaakt (artikel 1167 oud BW). Door zijn overlijden zijn alle tot de nalatenschap behorende goederen aan [De Weduwe] toegedeeld, aan geïntimeerden is een geldvordering op [De Weduwe] toegedeeld die pas opeisbaar wordt onder meer bij hertrouwen of overlijden van [De Weduwe] . 3. Partijen zijn verwikkeld in een erfrechtelijk geschil. Geïntimeerden verwijten [De Weduwe] dat zij een aantal tot de nalatenschap behorende percelen grond in Suriname heeft verkocht aan de Stichting voor een irreëel lage verkoopprijs, met als doel de erfrechtelijke aanspraken van geïntimeerden illusoir te maken. 4. Op 10 februari 2017 is bij de kantonrechter te Paramaribo, Suriname, een verzoekschrift ingediend tot het verkrijgen van verlof tot conservatoire beslaglegging ten laste van [De Weduwe] en de Stichting. Dit verzoekschrift is ingediend door acht personen, te weten de zeven geïntimeerden in de onderhavige procedure tezamen met de in Paramaribo wonende [Kind acht] . Laatstgenoemde is ook een erfgenaam van erflater van wie [De Weduwe] niet de moeder is. Het verzoekschrift heeft betrekking op percelen grond in Suriname uit de nalatenschap van erflater. 5. In het verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof tot conservatoire beslaglegging is onder meer vermeld dat [De Weduwe] een aantal percelen grond in Suriname uit de nalatenschap van erflater heeft verkocht aan de Stichting, dat mevrouw [volgt naam] enig bestuurder is van de Stichting, dat laatstgenoemde gehuwd is met mr. Bharatsingh, advocaat van [De Weduwe] in de onderhavige procedure, en dat verzoekers een beroep doen op HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1271 (conservatoir beslag in verband met niet-opeisbare vordering). Voorts vermeldt het verzoekschrift dat verzoekers voldoende redenen hebben om aan te nemen dat [De Weduwe] doende is geweest onroerende goederen uit de nalatenschap van erflater te vervreemden tegen dusdanig irreële bedragen, dat het zeer waarschijnlijk is dat verzoekers na het overlijden van [De Weduwe] geen reële vordering meer zullen hebben. Deze paulianeuze handelingen zijn volgens het verzoekschrift kennelijk ingegeven ter bevoordeling van [De Weduwe] zelf dan wel ten bate van de twee kinderen die zij heeft met erflater. Ten slotte vermeldt het verzoekschrift dat de Stichting doende is de desbetreffende goederen te vervreemden, waardoor vrees voor verduistering bestaat. 6. De kantonrechter te Paramaribo heeft het verzochte beslagverlof verleend op 15 februari 2017, waarna het conservatoir beslag is gelegd op 8 maart 2017. 7. De Stichting heeft bij brieven van 13 juni 2017 geïntimeerden gesommeerd tot opheffing van het conservatoir beslag. De Surinaamse advocaat van [Kind vier] , mr. J.M. Nibte, heeft namens zijn cliënt geantwoord dat geen gevolg zal worden gegeven aan deze sommatie. 8. In de onderhavige kortgedingprocedure vorderen [De Weduwe] en de Stichting, kort gezegd, dat geïntimeerden worden veroordeeld om schriftelijk opdracht te geven aan de deurwaarder in Suriname om over te gaan tot opheffing van het in Suriname ten laste van de Stichting gelegde beslag op vier percelen grond, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag voor iedere dag dat geïntimeerden daarmee in gebreke blijven. 9. In het bestreden vonnis is deze vordering afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om van de vordering kennis te nemen aangezien alle geïntimeerden in Nederland wonen (rov. 4.4). Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is niet althans onvoldoende gebleken van summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering van geïntimeerden zoals bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv, waarbij vooral van belang wordt geacht dat [De Weduwe] en de Stichting geen deugdelijke onderbouwing hebben gegeven van hun stelling dat de percelen grond zijn verkocht voor een marktconforme prijs (rov. 4.16). Verder heeft de voorzieningenrechter overwogen dat een conservatoir beslag ook is toegestaan wanneer dit beslag is gelegd voor een vordering die nog niet opeisbaar is (rov. 4.17). [De Weduwe] en de Stichting zijn veroordeeld in de proceskosten van de in eerste aanleg verschenen partijen, [Kind een] , [Kind twee] en [Kind vier] . 10. [De Weduwe] en de Stichting zijn tijdig in appel gekomen van het bestreden vonnis, onder aanvoering van zes grieven. Zij vorderen in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van appellanten alsnog toewijst met veroordeling van geïntimeerden hoofdelijk, des de een betalende, de ander bevrijd zal zijn, in de kosten van beide instanties met inbegrip van de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente voor iedere dag ingaande de vijftiende dag na de betekening van het in deze te wijzen arrest dat geïntimeerden met de betaling in gebreke blijven tot aan de dag der algehele voldoening. 11. [Kind vier] heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [De Weduwe] en de Stichting in hun vordering niet-ontvankelijk verklaart, subsidiair hun vordering afwijst, en voorts [De Weduwe] en de Stichting tegen behoorlijke bewijs van kwijting veroordeelt tot betaling van de kosten van de onderhavige appelprocedure. Rechtsmacht van de Nederlandse rechter 12. De onderhavige kortgedingprocedure draagt een internationaal karakter, omdat de vordering van appellanten betrekking heeft op de opheffing van het conservatoir beslag dat in Suriname, na verlof van de lokale rechter, is gelegd op aldaar gelegen onroerende goederen. Om die reden zal het hof allereerst vaststellen of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekomt om kennis te nemen van de vordering van appellanten. 13. De vordering van appellanten betreft een burgerlijke en handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012, PbEU 2012, L 351/1 (EEX-Verordening II). In het midden kan blijven of de vordering wordt bestreken door artikel 24 sub 5 EEX-Verordening II, waarin voor geschillen omtrent de tenuitvoerlegging van beslissingen de gerechten van de EU-lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging exclusief bevoegd zijn verklaard, omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.