← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2018:3152

GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.247.448/01 Insolventienummer rechtbank : C/09/13/586 R en C/09/13/587 R arrest van 20 november 2018 inzake

  1. [naam 1] ,
  2. [naam 2] , beiden wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] , [appellante] , en tezamen: [appellanten] , advocaat: mr. W.G.H. Janssen te Leiden. Het geding Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 oktober 2013 is ten aanzien van [appellanten] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van deze rechtbank van 3 oktober 2018 is aan [appellanten] de schone lei onthouden. Tegen laatstbedoeld vonnis hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld bij het op 9 oktober 2018 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met producties). Bij brief van 23 oktober 2018 heeft de bewindvoerder, de heer F.H. Entjes, de openbare verslagen en zijn reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november
  3. Aldaar is mr. Janssen namens [appellanten] verschenen. [appellanten] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van het hof verschenen. Namens de bewindvoerder is mevrouw [naam 3] verschenen. De beoordeling van het hoger beroep
  4. De rechtbank heeft aan [appellanten] de schone lei onthouden op de grond dat zij toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende afdrachtverplichting, waardoor een boedelachterstand van € 5.889,92 is ontstaan (artikel 354 lid 1 en 2 jo. 358 lid 2 Fw). De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen. De schuldsaneringsregelingen van [appellanten] zijn eerder met 20 maanden verlengd om onder andere de boedelachterstand volledig in te lossen. Daarbij werden zij de laatste acht maanden zelfs vrijgesteld van de reguliere afdrachtverplichting. [appellanten] hebben niet aan de rechtbank kenbaar gemaakt hoe zij gedurende een maximale verlengingsperiode van nog eens vier maanden de boedelachterstand volledig verwachtten in te lopen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien de schuldsaneringsregelingen van [appellanten] nogmaals te verlengen.
  5. [appellanten] hebben in hoger beroep aanvankelijk betwist dat zij tekort zijn geschoten in de nakoming van de afdrachtverplichting. Zij hebben het vermoeden geuit dat een foutieve administratieve boeking aan de door de bewindvoerder gestelde boedelachterstand ten grondslag ligt. Ter zitting van het hof heeft mr. Janssen echter namens [appellanten] verklaard dat het bestaan en de omvang van de boedelachterstand niet langer wordt betwist. [appellanten] verzoeken het hof hun een laatste kans te geven en de schuldsaneringsregelingen met nog eens vier maanden te verlengen tot de maximale duur, waarbij de afdrachtverplichting op nihil zal worden gesteld.
  6. De bewindvoerder heeft naar voren gebracht dat de boedelachterstand op dit moment € 5.238,66 bedraagt en dat dit bedrag zijns inziens niet binnen de resterende maximale verlenging kan worden ingelopen. [appellanten] zijn in ieder geval sinds 15 december 2015 op de hoogte van de boedelachterstand en de verplichting dat deze achterstand voor het einde van de schuldsaneringsregelingen diende te worden ingelost. De bewindvoerder adviseert het hof daarom het bestreden vonnis te bekrachtigen.
  7. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [appellanten] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de afdrachtverplichting. [appellanten] hebben een boedelachterstand laten ontstaan van € 5.238,
  8. Omdat het gaat om een kernverplichting van de schuldsaneringsregeling, weegt het laten ontstaan van deze forse achterstand zwaar. De stelling van [appellanten] dat de boedelachterstand kan worden ingelopen als de looptijd van de schuldsaneringsregelingen tot de maximale duur wordt verlengd en zij gedurende die verlenging worden vrijgesteld van de afdrachtverplichting, is onvoldoende om het verzoek tot verlenging toe te wijzen. [appellanten] hebben geen concreet voorstel gedaan om de boedelachterstand in te lopen. Zij waren niet ter zitting aanwezig en hebben daardoor geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun stellingen ten overstaan van het hof nader te onderbouwen. Bovendien ziet het hof geen grond voor vrijstelling van de afdrachtverplichting. Bij een verlenging van de schuldsaneringsregeling blijven immers alle verplichtingen, waaronder de afdrachtverplichting, onverkort van toepassing. Gelet op de hoogte van de boedelachterstand is niet aannemelijk gemaakt dat [appellanten] in staat zullen zijn om de boedelachterstand in te lopen als de aflossingen ten laste zullen komen van het vrij te laten bedrag. In dit geval is geen sprake van een tekortkoming die vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis ervan buiten beschouwing kan worden gelaten en ook niet van een tekortkoming die redelijkerwijs niet of slechts ten dele toerekenbaar is.
  9. Het verzoek van [appellanten] om de looptijd van de schuldsaneringsregelingen met nog eens vier maanden te verlengen tot de maximale duur, wordt daarom afgewezen. Verlening van de zogenoemde ‘schone lei’ is in dit geval niet op haar plaats. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De beslissing Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 oktober
  10. Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Sturm, D.A. Schreuder en D. Aarts en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.