GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht zaaknummer : 200.215.824/01 zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/516787 / KG ZA 16-1449 arrest in kort geding van 4 december 2018 in de zaak van Heraeus Medical GmbH, gevestigd te Wehrheim, Hessen, Duitsland, appellante, hierna te noemen: Heraeus, advocaat: mr. R.C.K. van Oerle te Amsterdam, tegen 1Biomet Europe B.V., gevestigd te Dordrecht,
(1)Heraeus door afgifte van afschriften de beschikking geeft over, althans inzage geeft in de betreffende Bescheiden op de alternatieve wijze zoals in hoofdstuk 11.4 van de memorie van grieven uiteen is gezet, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen wijze; 3. zowel primair als subsidiair Biomet c.s. zal bevelen alle medewerking te verlenen aan het hiervoor gevorderde waaronder, voor zover sprake is van versleuteling van bestanden, het verschaffen aan de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. van alle benodigde wachtwoorden, toegangscodes, sleutels etc., en het zo nodig assisteren bij het ontsluiten van de (betreffende) Bescheiden; 4. zowel primair als subsidiair Biomet c.s. hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan Heraeus van een dwangsom van EUR 1.000.000,- (één miljoen Euro) per dag, een gedeelte van de dag daaronder begrepen, dat Biomet c.s. aan de uit te spreken veroordeling in het geheel of gedeeltelijk geen gevolg geeft; 5. Biomet c.s. hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van deze procedure in beide instanties, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen, althans vanaf een door het hof redelijk geachte termijn, na het te dezen te wijzen arrest, indien en voor zover Biomet c.s. deze kosten niet voordien heeft voldaan; 6. Biomet c.s. hoofdelijk zal veroordelen tot terugbetaling aan Heraeus van al hetgeen door Heraeus op grond van het vonnis, waarvan thans beroep, is betaald of door Biomet c.s. zal zijn verhaald, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door Heraeus, althans vanaf de dag van het verhaal door Biomet c.s., tot aan de dag der terugbetaling; 7. Biomet c.s. hoofdelijk zal veroordelen in de nakosten ten bedrage van EUR 131,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien en voor zover Biomet c.s. dit bedrag niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne heeft voldaan en - indien dat het geval is en betekening van het arrest plaatsvindt - voorts te vermeerderen met een bedrag van EUR 68,00 en de kosten van betekening, de twee laatst bedoelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, indien en voor zover Biomet c.s. deze kosten niet binnen (de wettelijk vereiste termijn van) twee dagen, althans binnen een door het gerechtshof redelijk geachte termijn, na betekening van het te dezen te wijzen arrest voldoet. 3.5. Biomet c.s. heeft de grieven gemotiveerd bestreden. 4De beoordeling 4.1. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter de inzagevorderingen van Heraeus terecht afgewezen. De bescheiden waarin Heraeus inzage vordert, zijn onvoldoende bepaald. 4.2. Heraeus heeft – terecht – geen grieven gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de bescheiden waarin Heraeus inzage vordert weliswaar niet zeer exact hoeven te worden omschreven, maar dat de beschrijving van de bescheiden wel zodanig concreet moet zijn dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of Heraeus een rechtmatig belang bij inzage heeft (r.o. 4.8 van het bestreden vonnis). De door Heraeus gegeven omschrijving van de bescheiden voldoet niet aan die eis. 4.3. Heraeus heeft geen (voldoende) concrete omschrijving gegeven van de bescheiden, categorieën van bescheiden of dossiers waarop haar inzagevordering betrekking heeft. Zij vordert inzage in alle bescheiden die zich bevinden in de door de deurwaarder gekopieerde data voor zover daarin: (
- i)één of meer van de Zeven Inbreukmakende Botcementen (zoals gedefinieerd in de memorie van grieven) worden genoemd of bedoeld; (
- ii)PALACOS wordt genoemd of bedoeld; (iii) de Geheime Receptuur (zoals gedefinieerd in de memorie van grieven) van Heraeus wordt genoemd of bedoeld; en (
- iv)de met de Geheime Receptuur van Heraeus door Esschem ontwikkelde copolymeren R262 en/of R263 worden genoemd of bedoeld; behalve voor zover die bescheiden onder een wettelijk verschoningsrecht vallen en behalve voor zover die bescheiden niet zien op de periode 1 februari 2004 tot 2017. Het hof begrijpt dat de selectie van de relevante bescheiden volledig, althans voor het merendeel geautomatiseerd zal plaatsvinden door de gekopieerde data met behulp van zoektermen te doorzoeken op de aanwezigheid van bescheiden waarin de onderwerpen worden genoemd of bedoeld. Heraeus vordert immers afschrift of inzage door de deurwaarder toe te staan de gekopieerde data te doorzoeken op de aanwezigheid van de bescheiden en heeft ter zitting toegelicht dat die doorzoeking zal worden uitgevoerd ‘met de stand van de huidige digitale techniek’. Een andere wijze van uitvoering van de vordering is ook niet goed denkbaar in het licht van de enorme hoeveelheid data die de deurwaarder heeft gekopieerd en moet worden doorzocht. Als onweersproken staat vast dat onder de te doorzoeken data onder meer vallen: de complete server met alle via het netwerk van Biomet c.s. beschikbare gegevens van 36 entiteiten van de Biomet Groep, alle live e-mailboxen van werknemers van Biomet c.s., de archieven van 200 voormalige en huidige werknemers van Biomet c.s. en de Sharepoint-omgevingen, zonder dat op die gegevens enige vorm van selectie is uitgevoerd. Bij elkaar gaat om 145 terabyte aan data (232.000 encyclopedieën). 4.4. Heraeus heeft de zoektermen die de deurwaarder moet gebruiken bij de doorzoeking echter niet gespecificeerd. Gelet op de hiervoor beschreven belangrijke rol die de zoektermen in dit geval spelen bij de uitvoering van het gevorderde, brengt dat mee dat de bescheiden waarop de inzagevordering betrekking heeft onvoldoende bepaald zijn. Zonder concrete zoektermen of andere duidelijke criteria kunnen Biomet c.s. en het hof niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen
- i)op welke bescheiden de vorderingen betrekking hebben,
- ii)of aan de voorwaarden voor toewijzing van de vorderingen is voldaan en iii) of gewichtige redenen zich verzetten tegen toewijzing. 4.5. Anders dan Heraeus heeft gesuggereerd, vloeien de relevante zoektermen niet voldoende duidelijk voort uit haar omschrijving van de onderwerpen van de relevante bescheiden. Anders dan in de Dow/Organik-zaak waarnaar Heraeus verwijst (hof Den Haag 17 januari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:57) gaat de invulling van de zoektermen aanzienlijk verder dan het vaststellen van voor de hand liggende variaties, zoals spelfouten of afkortingen, op de termen waarmee Heraeus de relevante onderwerpen omschrijft. Heraeus heeft ter zitting in het hoger beroep bijvoorbeeld opgemerkt dat voor het vinden van bescheiden over de ‘Zeven Inbreukmakende Botcementen’, die Heraeus aanduidt met namen als ‘Refobacin Bone Cement R’ (zie memorie van grieven, paragraaf 91), de zoekterm ‘Galapagos’ relevant is. Om bescheiden waarin de ‘copolymeren R262 en R263’ worden genoemd of bedoeld te identificeren kan volgens Heraeus de zoekterm ‘Acrylbeads 15 en 16’ worden gebruikt. Dat Heraeus met haar vordering ook inzage beoogt te krijgen in documenten waarin termen als ‘Galapagos’ of ‘Acrylbead 15’ worden genoemd, kon niet, althans niet met voldoende mate van zekerheid worden bepaald op basis van de door haar gepresenteerde afbakening van haar vordering en onderstreept dat nadere specificatie nodig en mogelijk is. Dat nadere specificatie nodig is om duidelijk te krijgen op welke bescheiden de vordering wel en niet betrekking heeft, blijkt bovendien uit de suggestie van Heraeus ter zitting in hoger beroep dat zij na toewijzing van het inzagebevel een lijst met zoektermen aan de deurwaarder zal verstrekken ten behoeve van de selectie van de relevante bescheiden. 4.6. Met de specificatie van de zoektermen kan, anders dan Heraeus suggereert, niet worden gewacht tot na toewijzing van het bevel. De bepaaldheid van de bescheiden is immers een voorwaarde voor toewijzing van de vordering. Daar komt bij dat executiegeschillen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Het doorschuiven van (het debat over) de specificatie van de zoektermen naar de executiefase is daarmee niet verenigbaar. Gelet op de problemen bij het leggen van het bewijsbeslag – waarbij op basis van een vergelijkbare omschrijving van de bescheiden na drie maanden nog niet of nauwelijks een selectie was uitgevoerd – en het belang van de specificatie voor de omvang van de inzage, ligt voor de hand dat de door Heraeus voorgestelde werkwijze tot executiegeschillen zal leiden. 4.7. Het betoog van Heraeus dat het voor haar redelijkerwijs niet mogelijk is om de relevante bescheiden nauwkeuriger te omschrijven dan zij heeft gedaan, moet in het licht van voorgaande worden verworpen. Zoals hiervoor is opgemerkt, heeft Heraeus zelf voorgesteld een lijst met concrete trefwoorden te zullen opstellen in het kader van de executie van het bevel. Die lijst had zij ook in deze procedure naar voren kunnen brengen. 4.8. Andere redenen waarom redelijkerwijs niet van Heraeus kon worden verwacht de zoektermen in deze procedure te specificeren zijn gesteld noch gebleken. De vertrouwelijkheid van de gestelde bedrijfsgeheimen van Heraeus verzet zich in dit geval niet tegen specificatie van de zoektermen, omdat tussen partijen vast staat dat Biomet c.s. al kennis heeft van de gestelde bedrijfsgeheimen en de zaak achter gesloten deuren is behandeld. 4.9. Op grond van het voorgaande moeten zowel de primaire als de subsidiaire inzagevorderingen worden afgewezen. In het kader van de subsidiaire inzagevorderingen heeft Heraeus weliswaar de onderwerpen waarop de relevante bescheiden betrekking hebben nader omschreven, maar die omschrijving bouwt voort op de omschrijving in het kader van de primaire vordering. Daaraan kleven dus dezelfde problemen. Daar komt bij dat de vertaling van de in het kader van de subsidiaire vorderingen gegeven omschrijving van de onderwerpen naar concrete zoektermen additionele onduidelijkheden meebrengt. Zo heeft Biomet c.s. erop gewezen dat onduidelijk is hoe invulling moet worden gegeven aan het vereiste dat een document is opgesteld ‘ten behoeve van Biomet Europe’. 4.10. In het midden kan blijven of, zoals Heraeus betoogt, de mate waarin onrechtmatig handelen vast staat mede bepalend is voor de eisen die kunnen worden gesteld aan de bepaaldheid van de bescheiden in de zin van artikel 843a Rv. Voor zover dat zo zou zijn en ervan wordt uitgegaan dat onrechtmatig handelen in dit geval in hoge mate vast staat gelet op onder meer het arrest van het OLG Frankfurt, weegt dat niet op tegen de hiervoor genoemde argumenten voor het oordeel dat de bescheiden onvoldoende bepaald zijn. 4.11. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de voorzieningenrechter de vorderingen van Heraeus terecht heeft afgewezen. De grieven die Heraeus naar voren heeft gebracht, kunnen niet leiden tot vernietiging van die beslissing en behoeven verder geen bespreking. Aan de beoordeling of gewichtige redenen zich verzetten tegen inzage en de voor dat geval door Heraeus gevorderde alternatieve wijze van inzage, komt het hof bij deze uitkomst van de zaak niet toe. Ook heeft Biomet c.s. bij deze stand van zaken geen belang bij een beslissing van het hof op haar bezwaar tegen Heraeus’ wijziging van eis en op de klacht van Biomet c.s. dat Heraeus de twee-conclusie-regel en goede procesorde heeft geschonden. 4.12. Heraeus zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten aan de zijde van Biomet c.s. worden begroot op € 3.222,- aan salaris advocaat (3 punten × € 1.074 [tarief II]) en € 716,- aan griffierecht. 5Beslissing Het hof 5.1. bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2017; 5.2. veroordeelt Heraeus in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Heraeus begroot op € 3.938,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na heden; 5.3. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mr. P.H. Blok, mr. A.D. Kiers-Becking en mr. S.J. Schaafsma en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2018 in aanwezigheid van de griffier.