GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.245.783/01 Rekestnummer rechtbank : C/09/18/298 F arrest van 9 oktober 2018 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. A.T. Leigh te Haarlem, tegen Offerte B.V., gevestigd te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: Offerte. Het geding Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 september 2018 is [appellant] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. W.J. Don tot rechter commissaris en met aanstelling van mr. G.J. de Bock, advocaat te Leiden, als curator. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 september 2018, is [appellant] van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen. Bij brief van 27 september 2018 heeft [appellant] nog stukken overgelegd. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober
- Verschenen zijn: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, en mr. A.E. Veerman, advocaat te Leiden, en C.A. Merkestein, faillissementsmedewerkster, namens de curator. Beoordeling van het hoger beroep
- In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van Offerte en van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat [appellant] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
- De grieven van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat. De rechtbank heeft ten onrechte het faillissement van [appellant] uitgesproken. [appellant] heeft op de zitting van de rechtbank van 4 september 2018 een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling gedaan. Dit verzoek is door de rechtbank niet behandeld en ook is de faillissementsaanvraag op grond van artikel 3 lid Fw niet geschorst. Bij brief van 27 september 2018 heeft mr. Leigh het hof laten weten dat door [appellant] ter zitting in eerste aanleg slechts een briefje is overgelegd waarmee hij toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft verzocht en dat dat briefje in het ongerede is geraakt. Ter zitting heeft [appellant] nog verklaard dat hij de in artikel 3 Fw voorgeschreven brief van de griffier van de rechtbank nimmer heeft ontvangen en dat hij nog geen (nieuw) verzoek om de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren heeft ingediend. [appellant] heeft het hof gelet op het voorgaande verzocht de behandeling van de faillissementsaanvraag aan te houden teneinde hem alsnog in de gelegenheid te stellen een verzoek tot verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen.
- Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt. Blijkens de zittingsaantekeningen van de behandeling van 4 september 2018 bij de rechtbank heeft [appellant] de rechtbank gemeld dat hij een wsnp-verzoek wil indienen en dat hij stukken bij zich heeft. Hierop heeft de rechtbank [appellant] te kennen gegeven dat een dergelijk verzoek niet voor de zitting is ontvangen en dat het niet mogelijk is dat verzoek alsnog ter zitting te doen. Het door [appellant] ter zitting aan de rechtbank overgelegde verzoek betrof naar eigen zeggen van [appellant] slechts een briefje en dus geen inhoudelijk volledig verzoek. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat [appellant] op de in artikel 3.1.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (hierna: het Procesreglement) voorgeschreven wijze – door toezending per post aan of door afgifte aan de Centrale Balie van de rechtbank, ter attentie van de insolventiegriffie – een verzoek tot de van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend. Ook indien het ter zitting van 4 september 2018 door [appellant] overgelegde stuk niet als een (onvolledig) verzoek moet worden aangemerkt, was de rechtbank niet ertoe gehouden van het bepaalde in artikel 3.1.1.2 van het Procesreglement af te wijken (zie artikel 3.1.1.4 van het Procesreglement; evenzo is de rechtbank niet ertoe gehouden een verzoeker een termijn te gunnen om in het geval van een onvolledig of onvoldoende onderbouwd verzoek de ontbrekende gegevens te verstrekken, zie artikel 3.1.2.7 van het Procesreglement en artikel 287 lid 2 Fw). Uit het proces-verbaal van deze zitting blijkt niet dat [appellant] zich heeft beroepen op bijzondere omstandigheden die meebrachten dat het overleggen van het stuk wel als een geldige wijze van indiening moest gelden. Ter zitting in hoger beroep is evenmin van dergelijke omstandigheden gebleken.
- Het hof ziet gelet op hetgeen hiervoor overwogen ook geen aanleiding om de behandeling van de onderhavige zaak aan te houden teneinde [appellant] alsnog in de gelegenheid te stellen alsnog een verzoek tot toelating van de schuldsaneringsregeling in te dienen.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Beslissing Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 september
- Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, D. Wachter en M.M. Kruithof en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier.