GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.179.324/01 Rolnummer rechtbank : C/09/475239/HA ZA 14-1167 arrest van 10 april 2018 inzake 1 [appellant 1], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: [appellant 1], 2 [appellant 2], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: [appellant 2], appellanten, hierna ook te noemen: [appellanten], advocaat: onttrokken, tegen DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF, mede kantoorhoudende te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Ontvanger, advocaat: mr. E.E. Schipper te Amsterdam. Het geding Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van dit hof van 8 maart 2016 verwijst het hof naar dat arrest. In dat arrest is de door [appellant 1] gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank afgewezen. In dat arrest is verder overwogen dat de voorwaarde waaronder [appellant 2] het incident tot voeging heeft ingesteld niet is ingetreden, omdat hij al partij in het geding in hoger beroep is. Vervolgens heeft de Ontvanger een memorie van antwoord (met producties) genomen waarin de grief van [appellanten] wordt bestreden. Nadat [appellanten] pleidooi hadden gevraagd heeft hun advocaat zich onttrokken. Er heeft zich voor hen geen andere advocaat gesteld en [appellanten] hebben geen aanhouding van de pleidooien verzocht. Op 19 februari 2018, de dag waarop de pleidooien waren bepaald, zijn [appellanten] zonder bericht niet verschenen. De Ontvanger heeft de zaak doen bepleiten door zijn advocaat voornoemd. Ten slotte is arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1.1 Nu geen grief is gericht tegen de feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis heeft vastgesteld, zal ook het hof van deze feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende. 1.2 [appellant 2] houdt zich bezig met de exploitatie van onroerende zaken. 1.3 De Ontvanger had ten tijde van het rechtbankvonnis een vordering op [appellant 2] van in totaal € 927.104 op grond van twee belastingaanslagen uit 2006 en 2007. . Voor deze belastingschuld zijn op 6 februari 2014 twee dwangbevelen aan [appellant 2] betekend. 1.4 [appellant 1] staat sinds 1994 in het kadaster vermeld als rechthebbende tot de woning aan de [adres] (hierna: het appartement). 1.5 Op 16 juni 2014 heeft de Ontvanger voor de belastingschuld van [appellant 2] executoriaal beslag gelegd op het appartement zowel ten laste van [appellant 1] als van [appellant 2]. 1.6 De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat, aangezien [appellant 2] het economisch belang bij en de werkelijke zeggenschap over het appartement heeft, de Ontvanger het appartement kan uitwinnen voor de belastingschuld van [appellant 2]. Daarom heeft [appellant 1] er geen rechtens te respecteren belang bij zich tegen uitwinning van het appartement te verzetten en zal hij de executie hebben te dulden, aldus de Ontvanger. De Ontvanger vordert dat [appellant 1] wordt veroordeeld om te dulden dat het appartement executoriaal of onderhands zal worden verkocht door de Ontvanger tot verhaal van de belastingschuld van [appellant 2], en te bepalen dat het vonnis overeenkomstig art. 3:301 BW in de plaats treedt van de leveringsakte. [appellant 2] heeft zich gevoegd aan de zijde van [appellant 1]. 1.7 De rechtbank heeft de vordering van de Ontvanger toegewezen. De rechtbank oordeelde dat [appellant 2] de economisch belanghebbende is van en de werkelijke zeggenschap heeft over het appartement. Dat bij de aankoop van het appartement geen sprake was van kwade trouw bij [appellant 2] of [appellant 1], zoals [appellant 2] heeft aangevoerd, laat het voorgaande onverlet, aldus de rechtbank. 1.8 Op 13 april 2016 is het appartement executoriaal verkocht voor € 30.000. De Ontvanger heeft dit bedrag afgeboekt op de belastingschuld van [appellant 2]. 2.1 [appellanten] hebben één grief aangevoerd. De grief houdt in dat de rechtbank zou hebben miskend (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.