GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.248.034/02 rekestnummer rechtbank : FA RK 18-1400 zaaknummer rechtbank : C/10/545282 beschikking van de meervoudige kamer van 19 december 2018 in het incidentele verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad en zekerheidstelling van [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. M.G.G. de Bruin te Sliedrecht, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. E. Hartog te Rotterdam. 1Het verloop van het geding en de beschikking in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang: - het convenant d.d. 4 oktober 2013 in die zin gewijzigd, dat de daarin tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen: [de minderjarige 1] , geboren [in] 2006 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 1] , en [de minderjarige 2] , geboren [in] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige 2] , hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen, met ingang van 27 januari 2017 voorlopig is bepaald op € 196,- per maand, per kind, onder gelijktijdige wijziging van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 4 november 2013 op dat punt; - aan de vrouw ten laste van de man met ingang van 25 september 2017 een uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) toegekend van voorlopig € 427,- per maand, voor de na 19 juli 2018 te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 oktober 2018, tevens houdende een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, althans tot het stellen van zekerheid tot terugbetaling; - het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, ingekomen op 16 november 2018; - een V-formulier van de zijde van de man van 14 november 2018 met bijlagen, ingekomen op 15 november 2018; - een V-formulier van de zijde van de man van 20 november 2018 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum. 2.2 De mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing heeft op 21 november 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de vrouw, bijgestaan door mr. A.J.H.M. Hopmans, waarnemend voor mr. E. Hartog. 3De omvang van het geschil 3.1 De man verzoekt het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - primair te bevelen dat de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking wordt geschorst, - subsidiair te bepalen dat de vrouw afdoende zekerheid dient te stellen voor de volledige terugbetaling van al hetgeen de man op grond van de bestreden beschikking aan de vrouw moet voldoen en te bepalen dat die beschikking eerst na het stellen van die afdoende zekerheid door de vrouw ten uitvoer kan worden gelegd. 3.2 De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof de incidentele vordering van de man tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad niet ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Kosten rechtens. 4De motivering van de beslissing Ontvangst verweerschrift 4.1 De man stelt dat het verweerschrift van de vrouw te laat door hem is ontvangen, hetgeen in strijd is met de goede procesorde. De advocaat van de man is door de te late ontvangst niet in de gelegenheid geweest het verweerschrift met de man te bespreken. Het verweerschrift dient volgens de man buiten beschouwing te worden gelaten. 4.2 Het hof overweegt als volgt. Het verweerschrift is tijdig door het hof ontvangen, nu dit processtuk voor de door het hof gestelde uiterste ontvangstdatum van 19 november 2018, namelijk op 16 november 2018, bij het hof is ingekomen. Nu het verweerschrift tijdig is ontvangen, zal het hof dit verweerschrift wel in zijn beoordeling betrekken, zoals ter zitting is beslist en medegedeeld. Daarbij overweegt het hof nog dat de advocaat van de man tijdens een schorsing van de zitting in de gelegenheid is gesteld het verweerschrift met de man te bespreken, hetgeen de advocaat van de man ook heeft gedaan. Schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad 4.3 De man stelt – kort samengevat - het volgende. De rechtbank heeft de bestreden beschikking ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad verklaard ten aanzien van de daarin vervatte (voorlopige) beslissingen met betrekking tot de kinder- en partneralimentatie. De man heeft belang bij de schorsing van deze uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw heeft namelijk aangekondigd de man aan de voorlopige beslissingen van de rechtbank te (willen) houden en desnoods executiemaatregelen, via het LBIO of een deurwaarder, te nemen. Anderzijds heeft de vrouw geen overleg willen plegen over opschorting van de voldoening aan de bestreden beschikking tot het moment waarop de rechtbank definitieve beslissingen heeft genomen en heeft de vrouw evenmin zekerheid willen stellen voor de terugbetaling van hetgeen de man op grond van de bestreden beschikking moet voldoen. De man meent verder dat sprake is van een feitelijke misslag in de bestreden beschikking, nu de rechtbank ervan is uitgegaan dat partijen het eens zijn over de toepassing van een zorgkorting van 35%, terwijl uit de stukken en het verhandelde ter zitting voor de rechtbank evident had moeten zijn dat in ieder geval de man het daar niet mee eens is. Voorts is sprake van een juridische misslag, nu de rechtbank ten onrechte bij het bepalen van de behoefte van de vrouw is uitgegaan van de Hof-norm. Gelet op de door de man aangevoerde grieven heeft hij, mede gelet op het over het algemeen aangenomen consumptieve karakter van alimentatie en de aankondiging van de vrouw op grond van de bestreden beschikking executiemaatregelen te (willen) gaan treffen, een zwaarder wegend belang bij de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, dan de vrouw heeft bij de instandhouding daarvan. Indien één of meerdere grieven van de man slagen, ontstaat er immers een situatie waarin de vrouw geen recht heeft op de (volledige) bijdragen zoals die nu door de rechtbank zijn vastgesteld met als gevolg dat er een terugbetalingsverplichting ontstaat voor de vrouw. De man betwijfelt echter of de vrouw de door haar te ontvangen gelden apart zal houden of die gelden op andere wijze weer uit eigen geld aan de man kan terugbetalen. De man wijst er verder op dat de vrouw al jaren leeft zonder enige bijdrage van de man in haar levensonderhoud en dus ook niet kan stellen dat zij door het schorsen van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in financiële problemen komt. De man betwist de stelling van de vrouw dat zij de alimentatiebedragen nodig heeft omdat zij anders de rekeningen van de sport van de kinderen niet kan voldoen. De rekeningen van de sport werden, tot aan de bestreden beschikking, altijd voldaan door de man en zouden nog steeds door de man voldaan (kunnen) worden als de man niet de voorlopig bepaalde kinder- en partneralimentatie aan de vrouw zou hoeven te voldoen. Ter zitting is verder namens de man verklaard dat hij in een financiële noodsituatie komt te verkeren als hij de vastgestelde bijdragen moet voldoen. Thans heeft hij een achterstand in de betaling van de alimentatie van € 9.000,-, welk bedrag hij niet tot zijn beschikking heeft en daarom ook niet kan voldoen. De man wijst erop dat ook sprake is van voorhuwelijkse schulden, waarop hij dient af te lossen. Indien de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking niet wordt opgeschort, dan zullen de schulden van de man alleen maar hoger worden. 4.4 De vrouw voert het volgende aan. Met de door de rechtbank afgegeven beschikking heeft de rechtbank volgens de vrouw beoogd rekening te houden met een mogelijke wijziging in de toekomst en aanpassing van de alimentatie. De vrouw gaat ervan uit dat het woord ‘voorlopig’ in de bestreden beschikking bedoeld is om een wijziging in de toekomst mogelijk te houden en niet om de onderhoudsbijdragen over de komende periode, tot aan de beslissing omtrent het hoofdverblijf, nog te wijzigen. De vrouw kan het argument van de man, dat een toekomstige wijziging van het hoofdverblijf en/of de zorgregeling zou moeten leiden tot een wijziging van de alimentatie met terugwerkende kracht, dan ook niet volgen. Er zou hooguit sprake kunnen zijn van een wijziging in de alimentatie vanaf het moment van wijziging van de hoofdverblijfplaats en/of zorgregeling. De vrouw merkt verder op dat [de minderjarige 1] vanaf 24 augustus 2018 bij de vader verblijft, hetgeen een wijziging is in de omstandigheden ten opzichte van de situatie die de rechtbank als uitgangspunt heeft genomen. De vrouw is bereid de incasso van de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] voor de periode vanaf 24 augustus 2018 op te schorten in afwachting van de verdere ontwikkelingen. De vrouw voert aan dat geen sprake is van misbruik van recht of van een uitspraak die klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. De vrouw heeft daarnaast belang bij de uitvoerbaarheid bij voorraad. De vrouw verwijst ten aanzien hiervan naar een eerdere uitspraak van het hof (ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ8443) waaruit volgt dat het belang van de vrouw reeds ligt besloten in het feit dat zij kosten ten behoeve van haar levensonderhoud maakt. Dit argument geldt eveneens ten aanzien van de kinderalimentatie. De vrouw heeft nooit gesteld dat zij de bijdragen van de man enkel nodig heeft om de rekeningen van de sport van de minderjarigen te kunnen betalen. Een eerdere opmerkingen van de vrouw over het betalen van de rekeningen voor het voetbal van [de minderjarige 2] heeft de man volledig uit zijn verband getrokken en verdraaid. Dat de man jarenlang te weinig kinderalimentatie en geen partneralimentatie heeft betaald en dat de vrouw desondanks haar hoofd boven water heeft weten te houden, mag verder uiteraard niet afdoen aan het belang van de vrouw om niet langer te moeten wachten op wat haar toekomt. Op geen enkele wijze heeft de man voorts aangetoond dat zijn belang zich verzet tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad. De stelling van de man, dat hij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking in een financiële noodtoestand komt te verkeren, is door hem onvoldoende onderbouwd. Enkel het consumptieve karakter van de alimentatie of de onzekerheid van de man dat de vrouw in staat zal zijn de betaalde alimentatie eventueel terug te betalen is niet voldoende om de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen. Een ander argument, dat de belangen van de man worden geschaad door de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking, is door de man niet aangevoerd. Het al dan niet naast elkaar lopen van diverse procedures kan volgens de vrouw verder niet worden opgelost door het incidentele verzoek van de man toe te wijzen. 4.5 Het hof overweegt verder als volgt. Het hof leest de bestreden beschikking aldus dat daarin een definitieve beslissing is gegeven over de kinderalimentatie en partneralimentatie voor de periode gedurende het raadsonderzoek en tot aan de definitieve beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling. Het hof gaat er dus van uit dat de in de bestreden beschikking vastgestelde bijdragen door de rechtbank niet met terugwerkende kracht zullen worden gewijzigd. 4.6 Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 4.7 Het hof stelt het volgende voorop. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.