← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2018:3758

Rolnummer: 22-001997-18 Parketnummer: 09-001278-18 Datum uitspraak: 21 december 2018 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 mei 2018 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortejaar] 1985, thans gedetineerd in [PI]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting van dit hof op 7 december

  1. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 2 januari 2018 te 's-Gravenhage een fles wijn, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan (winkelbedrijf) [winkelbedrijf] (filiaal [x]), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld en is aan hem een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren opgelegd. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 2 januari 2018 te 's-Gravenhage een fles wijn, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan (winkelbedrijf) [winkelbedrijf] (filiaal [x]), heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: diefstal. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dergelijke feiten zijn ergerlijk en veroorzaken bovendien hinder en meestal schade voor de winkelier. De verdachte heeft er met zijn handelen blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendommen van anderen. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een ISD-maatregel niet moet worden opgelegd, nu dat in de onderhavige zaak disproportioneel zou zijn gelet op het gepleegde feit en tevens niet in lijn zou zijn met het doel van de ISD-maatregel. De raadsvrouw heeft het hof verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. De verdachte is ongewenst verklaard en zal dan ook direct na zijn detentie de vreemdelingenbewaring in gaan om terugkeer naar Polen mogelijk te maken. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Aan de formele vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel is op zichzelf voldaan. Het hof heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 5 maart
  2. Daaruit blijkt dat tot dusverre geen ambulante trajecten gericht op gedragsbeïnvloeding aan de verdachte zijn opgelegd. De reclassering heeft - hoewel dergelijke hulpverlening meestal aan een ISD-maatregel voorafgaat - geadviseerd om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, als de verdachte niet bereid is vrijwillig Nederland te verlaten. Bijzondere voorwaarden binnen een ambulant kader acht de reclassering – voornamelijk vanwege de onzekere huisvesting en inkomenspositie van de verdachte - niet haalbaar. Het hof acht zich met voornoemd advies – mede gelet op zijn huidige vreemdelingenrechtelijke status - onvoldoende geïnformeerd over de vraag of het passend is aan de verdachte een ISD-maatregel op te leggen en hoe die zou moeten worden ingevuld. Het hof acht het niet aangewezen hierover een nieuw of aanvullend reclasseringsadvies te doen opmaken, nu de verdachte in verband met het bewezen verklaarde feit reeds lange tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw een brief van 9 februari 2018 aan het hof getoond, waaruit blijkt de verdachte ongewenst vreemdeling is verklaard en na zijn detentie zal worden gehoord door de vreemdelingenpolitie, zodat kan worden toegewerkt naar zijn terugkeer naar Polen. De verdachte wil inmiddels ook aan zijn terugkeer meewerken. Gelet op het vorenstaande acht het hof het opleggen van een ISD-maatregel niet geïndiceerd. Uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 december 2018 blijkt dat de verdachte in 2017 8 keer onherroepelijk is veroordeeld ter zake van winkeldiefstallen. De verdachte is voor deze feiten tot (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld, maar desondanks is de verdachte doorgegaan met het plegen van winkeldiefstallen. Uit zijn documentatie blijkt voorts dat de verdachte de veelheid aan feiten door heel Nederland heeft gepleegd. Bovendien liep de verdachte ten tijde van het plegen van onderhavig feit in een proeftijd. Gezien de veelvuldige recidive zoals hiervoor beschreven is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein, mr. T.E. van der Spoel en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 december 2018.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.