ECLI:NL:GHDHA:2018:451
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.216.900/01 Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/52071 /KG ZA 17-137 arrest van 20 februari 2018 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen de man.
Advocaat: mr. E. Tamas te Den Haag tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen de vrouw, advocaat, mr. M.C. Carli-Lodder te Den Haag.
Het geding Bij exploot van 23 mei 2017 – hersteld bij exploot van 8 juni 2017 - is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 26 april 2017 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen.
Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.
Bij memorie van grieven heeft de man zeven grieven geformuleerd.
Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden.
Partijen hebben om arrest gevraagd.
Alleen de vrouw heeft haar procesdossier gefourneerd.
Beoordeling van het hoger beroep Algemeen 1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in door de voorzieningenrechter zijn vastgesteld.
Het bestreden vonnis 26 april 2017 2. De kern van het bestreden vonnis komt erop neer dat:
6.1 de man binnen veertien dagen na datum vonnis het aandeel van de vrouw in de woning te [adres] kan overnemen en indien de man dit niet binnen een termijn van veertien dagen weet te realiseren dan dient hij 6.2 mede te werken aan verkoop van de woning aan een derde en indien hij niet meewerkt treedt het vonnis van de voorzieningenrechter in de plaats voor de benodigde toestemming van de man aan alle verkoopactiviteiten als ook aan de levering van de woning;
6.3. de man de in het dictum omschreven persoonlijke spullen van de vrouw aan haar moet afgeven;
6.4 de man een dwangsom verbeurt indien hij niet meewerkt aan de afgifte van de persoonlijke spullen van de vrouw;
6.5 de man verboden wordt om informatie betreffende de vrouw en/of afkomstig van een bestandsdrager van de vrouw openbaar te maken of met derden te delen;
6.6 de man een dwangsom verbeurt indien hij niet voldoet aan de punten 6.5 en 6.5 van het bestreden vonnis;
6.6 de reconventionele vorderingen van de man zijn afgewezen.
Vordering van de man in hoger beroep 3. Door de man is in hoger beroep gevorderd: ”Alsdan namens mijn appellant op nader aan te voeren gronden te horen eisen doen en concluderen, dat het het hof behage:
I. te vernietigen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, team handel, van 26 april 2017 kenmerk C/10/520715/KG ZA 17-137, gewezen tussen appellant als gedaagde tevens eiser in reconventie en geïntimeerde als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alle vorderingen van geïntimeerde als eiseres in conventie niet ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen, en alle vorderingen van appellant als eiser in reconventie alsnog toe te wijzen, een en ander met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedures in beide instanties;
II. de uitvoerbaar bij voorbaatverklaring van het vonnis van de rechtbank Rotterdam, Team handel, van 26 april 2017, kenmerk C/10/520715/KG ZA 17-137, gewezen tussen appellant als gedaagde in conventie en als eiser in reconventie en geïntimeerde als eiseres in conventie en als gedaagde reconventie, voor zover het betreft de veroordeling van appellant als gedaagde in conventie te schorsen totdat in dit hoger beroep een eindarrest is geveld.
Enige feiten 4. Nadat partijen feitelijk gescheiden zijn gaan wonen in 2013 is de man met de minderjarige kinderen blijven wonen in de voormalige echtelijke woning te [adres] . Het huwelijk van partijen is ontbonden op 24 september 2014. Tot de voormalige huwelijksgemeenschap van partijen behoort voormelde woning. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank volgt dat partijen ter zitting op 23 oktober 2015 met elkaar zijn overeengekomen dat de man voormelde woning zal over nemen tegen de bestaande woz-waarde en de man binnen een week na de zitting de notaris zal inschakelen. Nadere afspraken over deze verdeling zijn voorts opgenomen in het proces-verbaal van die zitting. Uit de gewisselde stukken volgt dat aan deze afspraak geen gevolg is gegeven aangezien de man nadien van mening was dat van een andere waarde van de woning moest worden uitgegaan. De man heeft niet getracht een passende financiering te vinden voor de toedeling aan hem van de woning.
6 Uit de memorie van antwoord volgt dat een derde een bod op de woning heeft gedaan van € 220.000,-.
Grieven met betrekking tot de woning 8. Gezien de onderlinge samenhang van de grieven bespreekt het hof de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk.
Naar het oordeel van het hof is de voorzieningenrechter dan ook op goede gronden tot zijn beslissing gekomen het hof neemt die gronden over. Voorts is het hof van oordeel dat de man expliciet heeft aangegeven dat hij wenst over te gaan tot verkoop van de woning aan een derde, het hof verwijst naar de door de vrouw in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie. Op grond daarvan is het hof eveneens van oordeel dat de man bij zijn vordering met betrekking tot toedeling van de voormalige echtelijke woning aan hem geen belang meer heeft. Het hof gaat ervan uit dat de man op een constructieve wijze uitvoering geeft aan de verkoop en levering van de woning. Hetgeen de man overigens heeft gesteld met betrekking tot de woning acht het hof niet relevant voor het onderhavige oordeel.
Grieven met betrekking tot afgifte persoonlijke goederen vrouw en het verbod tot het delen van informatie afkomstig van een bestanddrager of tot het openbaar maken ervan 15. In de toelichting op grief 6 stelt de man dat de harde schijven in gebruik waren zowel bij de man als bij de vrouw. Op de harde schijven bevinden zich verder foto`s van de kinderen die gemaakt zijn door de man. Er is in de visie van de man sprake van een vermenging van bestanden en foto`s van partijen op de harde schijven, zodat niet meer is vast te stellen door wie de foto`s zijn gemaakt of aan wie de bestanden toebehoren.
Door het inleveren van lege bestandsdragers heeft de man moedwillig verzuimd om datgene te doen waartoe hij bij kort geding is veroordeeld.
Schorsing 19. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, heeft de man geen belang meer bij de behandeling van zijn verzoek tot schorsing.
Proceskosten 20. Gezien het feit dat de man ook in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, acht het hof het passend om hem in de kosten van dit hoger beroep te veroordelen.
Beslissing Het hof: wijst af het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van he bestreden vonnis van 26 april 2017 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam; bekrachtigt het bestreden vonnis van 26 april 2017 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen; veroordeelt de man in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op € 1.207,- en aldus gespecificeerd: € 313,- griffierecht € 894,- advocaatkosten.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en A.E. Sutorius-van Hees, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.