GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.214.995/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/493730/ HAZA 15-882 arrest van 27 maart 2018 inzake [appellant], h.o.d.n. [handelsnaam], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. J.W. Stok te Delft, tegen [bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], Republiek Turkije, geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], niet verschenen. Het geding Bij exploot van 21 april 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van twee door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnissen van 23 maart 2016 en 25 januari 2017. Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend. Bij memorie van grieven heeft [appellant] achttien grieven aangevoerd. Vervolgens heeft [appellant] de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door de rechtbank in het vonnis van 23 maart 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende: a. [geïntimeerde] exploiteert oogziekenhuizen in Turkije en West-Europa. b. [appellant] hield zich bezig met de werving in Nederland van patiënten voor ooglaserbehandelingen, die vervolgens plaatsvonden in het oogziekenhuis van [geïntimeerde] in Turkije. De patiënten betaalden voor de behandeling aan [appellant], die de behandelingen met korting inkocht bij [geïntimeerde]. Bij de door [appellant] voor [geïntimeerde] geworven patiënten vonden het vooronderzoek en de nacontroles plaats in Nederland. c. Partijen hebben sinds 2003 met elkaar samengewerkt. Zij hebben op 1 juli 2010 een samenwerkingsovereenkomst met elkaar gesloten (hierna: de samenwerkingsovereenkomst). d. Partijen hebben op 27 maart 2015 afspraken met elkaar gemaakt over de betaling van een openstaand bedrag door [appellant] aan [geïntimeerde], die zijn neergelegd in een “Memorandum of Understanding” (hierna: MoU), opgesteld in de Turkse en in de Engelse taal. De Engelse tekst luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “1. COMPANY – [appellant] have agreed to pay to [geïntimeerde] a total amount of EUR 49,400 (forty nine thousand and four hundred Euros) in connection with the commercial relationship established under the Cooperation Agreement made by and between the Parties on 01.07.2010 subject to terms and conditions specified hereinafter. This amount shall be paid by COMPANY – [appellant] as follows: - EUR 8,000 on 27.03.2015 to be paid bymeans of a remittance - EUR 1,400 on 27.03.2015 to be paid in person - EUR 15,000 on 27.04.2015 - EUR 15,000 on 27.05.2015, and - EUR 10,000 on 27.06.2015 to [geïntimeerde]’s bank account. (…) 4. If COMPANY – [appellant] have failed to discharge obligations set forth in this Memorandum of Understanding, they shall promptly pay to [geïntimeerde] EUR 50,000 as a penalty upon request. COMPANY– [appellant] hereby agree that the amount in question is not exxorbitant. (…)” e. [appellant] heeft het op grond van artikel 1 van de MoU per 27 april 2015 door hem verschuldigde bedrag van € 15.000,-- niet aan [geïntimeerde] voldaan. Van het per 27 juni 2015 door [appellant] te betalen bedrag van € 10.000,-- heeft [appellant] € 5.000,-- onbetaald gelaten. In totaal heeft [appellant] € 20.000,-- van de op grond van artikel 1 van de MoU verschuldigde bedragen onbetaald gelaten. f. De samenwerkingsovereenkomst is op 27 maart 2015 buitengerechtelijk ontbonden door [geïntimeerde], met ingang van 1 juli 2015. g. Op 7 juli 2015 is namens [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ING Bank en de ABN AMRO Bank ten laste van [appellant]. 2. In dit geschil vordert [geïntimeerde] in conventie – samengevat – betaling door [appellant] van € 70.000, vermeerderd met rente en kosten, bestaande uit € 20.000 aan openstaande posten op grond van de MoU en € 50.000 aan boete op grond van de MoU. In reconventie vordert [appellant] – samengevat – een verklaring voor recht dat artikel 4 van de MoU is vernietigd, dan wel dat deze wordt vernietigd, betaling van een bedrag van (na eisvermindering) € 180.030, (bestaande uit commissie en schadevergoeding), vermeerderd met rente en kosten, alsmede – ex art. 843a Rv – [geïntimeerde] op te dragen om [appellant] in het bezit te stellen van een lijst van alle via [appellant] doorverwezen patiënten in de periode 2004 tot 2009 in verband met de door [geïntimeerde] aan [appellant] verschuldigde vergoeding van nabehandelingen en commissie, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 3. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] jegens [appellant] in conventie toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De vordering van [appellant] ingevolge artikel 843a Rv wees de rechtbank af en ook hier werd [appellant] veroordeeld in de proceskosten. In reconventie heeft de rechtbank een deel van de vordering van [appellant], groot € 5.956 (met rente) toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten. 4. [appellant] richt zich met achttien grieven tegen de beslissingen van de rechtbank. De grieven lenen zich voor gezamenlijke beoordeling. [appellant] heeft in het hoger beroep de grieven niet nader toegelicht. [appellant] heeft slechts een korte samenvatting gegeven van de feiten en het procesverloop en een enkele stelling herhaald. De rechtbank heeft die herhaalde stellingen, met name die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.