ECLI:NL:GHDHA:2018:512
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.213.213/01 Zaaknummer rechtbank : 5054822 / CV EXPL 16-19975 arrest van 20 maart 2018 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. J.C. Debije te Rotterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VDM Vastgoed Groep B.V., gevestigd te Rotterdam, 2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats], 3. [geïntimeerde 3], wonende te [woonplaats], 4. [geïntimeerde 4], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], geïntimeerden, hierna gezamenlijk te noemen: VDM c.s. (en apart aangeduid als: VDM, [geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3] respectievelijk [geïntimeerde 4]), advocaat: mr. R.B. van Heijningen te Den Haag.
Het geding 1. Voor het verloop van het geding tot aan 9 mei 2017 verwijst het hof naar het arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017 en daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] éénentwintig grieven tegen het bestreden vonnis van de rechtbank Rotterdam, team kanton, (hierna: de kantonrechter) van 24 februari 2017 aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft VDM c.s. de grieven bestreden. Nadat [appellant] de stukken heeft overgelegd, hebben partijen op 22 januari 2018 de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. Debije, voornoemd, en VDM c.s. door mr. Van Heijningen, voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte is arrest bepaald.
Beoordeling van het hoger beroep 2. Het hof gaat uit van de volgende feiten: a. De rechtspersoon Groep MH verkreeg in mei 1994 van de heer [naam] de registergoederen, gelegen aan de [pand 1] en [pand 2] te Rotterdam.
In 1997 werd de heer [X], handelend onder de naam [handelsnaam] (hierna: [X]), eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan het adres [pand 2], thans kadastraal bekend als Gemeente Delfshaven, Sectie [… 1], nummer [nummer 1] (vernummerd). De onroerende zaak bestaat uit zes bovenwoningen, met op de begane grond een winkelruimte alsmede een tweetal ruimtes van ongeveer (45 m2 + 31 m2 =) 80 m2 groot, die achter deze winkelruimte zijn gelegen (hierna: de ruimtes 1 en 2). Ten tijde van de aankoop door [X] waren de ruimtes 1 en 2 niet toegankelijk vanuit de winkelruimte, maar wel vanuit [pand 1] en de achter [pand 2] gelegen zaal. [appellant] is in februari 2001 mede-eigenaar en later enig eigenaar geworden van de naastgelegen woning met achtergelegen tuin aan de [pand 1], alsmede van de bedrijfsruimte (een zaal) die is gelegen achter de onroerende zaak aan de [pand 2] en dus achter de ruimtes 1 en 2. In de koopovereenkomst staat het gekochte registergoed als volgt omschreven: “Het appartementsrecht op de begane grond te Rotterdam, kadastraal bekend gemeente Delfshaven, sectie [… 1], nummer [nummer 2], appartementsindex 1, plaatselijk bekend [pand 1], alsmede een perceel grond gelegen achter [pand 2] te Rotterdam, kadastraal bekend gemeente Delfshaven, sectie [… 1], nummer [nummer 3], groot een are en zeventachtig centiare (1.87 a);”
De akte van levering van 19 februari 2001, waarbij Groep MH genoemde onroerende zaken aan [appellant] leverde, omschrijft de verkregen registergoederen als volgt: “I. het appartementsrecht, kadastraal bekend als gemeente Delfshaven, sectie [… 1], complexaanduiding [nummer 2], appartementsindex 1, welk appartementsrecht omvat: a. (...)het een/ tweede onverdeeld aandeel in de gemeenschap, bestaande uit een perceel grond gelegen te Rotterdam, ten tijde van de splitsing in appartementsrechten kadastraal bekend als gemeente Delfshaven, sectie [… 1], nummer [nummer 4], groot een are en tachtig centiare (01.80 are), met de zich op die grond bevindende opstallen, uitmakende het pand en erf, plaatselijk bekend te Rotterdam als [pand 1]; en b. het recht op het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond en bèlétage, met kelder en tuin, plaatselijk bekend te Rotterdam als [pand 1b] , 2. een perceel grond met het zich daarop bevindende pand (zaal), kadastraal bekend gemeente Delfshaven, sectie [… 1]. nummer [nummer 3], groot een are en zevenentachtig centiare (01.87 are), plaatselijk bekend te Rotterdam als Beukelsdijk ongenummerd ,”
Eind 1997 is door [X] geconstateerd dat de ruimtes 1 en 2 als doorgang worden gebruikt naar de achter het pand [pand 2] gelegen zaal door de toenmalige huurder van [pand 1], te weten het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond. [X] heeft de toenmalige eigenaar van [pand 1], Groep MH, daarover aangeschreven.
In reactie daarop heeft Groep MH via haar makelaar op 1 december 1997 in een brief het volgende aan [X] bericht: “(…) Nogmaals benadrukken wij, dat de doorgang van het ene naar het andere pand door het eigendom van Uw cliënt, gedoogd werd door de vorige eigenaar de [naam]. Bovenstaande maakt geen deel uit van de huurovereenkomst, welke wij hebben met onze huurders. Wij verzoeken U dan ook kontakt te zoeken met de huurder van [pand 1]. (…)”
Vervolgens is [X] - nadat hij begin 1998 zowel de eigenaar van [pand 1] als de huurder daarvan verschillende keren heeft verzocht de ruimtes 1 en 2 te ontruimen - met hen in onderhandeling gegaan over een bedrag waarvoor gebruik gemaakt mocht worden van de ruimtes 1 en 2. Dat heeft geresulteerd in een door [X] opgestelde schriftelijke huurovereenkomst tussen enerzijds [X] als verhuurder en anderzijds het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond als huurder van de ruimtes 1 en 2, welke overeenkomst het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond ondanks verzoek daartoe niet heeft getekend. In dit document is opgenomen dat het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond voor de betreffende ruimtes een bedrag van NLG 300 per maand als huur moet betalen. Daarna is daadwerkelijk door het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond een maandelijkse huur van NLG 300 aan [X] betaald, voor in elk geval de maanden november 1999-maart 2000.
In het najaar van 2004 heeft het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond het pand [pand 1b] alsmede de ruimtes 1 en 2 verlaten.
In 2009 heeft VDM de onroerende zaak aan de [pand 2] van [X] gekocht. Nadat VDM op 12 maart 2009 eigenaar is geworden, constateerde zij dat [appellant] gebruik maakte van de ruimtes 1 en 2. i. Bij brief van 7 augustus 2009 heeft VDM, voor zover relevant, het volgende aan [appellant] bericht: “(…) U mag de bedrijfsruimte gebruiken tot en met 30 september.
Indien u de bedrijfsruimte wilt blijven gebruiken, zal er een huurprijs van 300 euro per maand moeten worden betaald aan de eigenaar, met een maximale huurperiode tot en met 31 december. (…)”
In mei 2011 constateerde VDM bij een controle dat [appellant] de ruimtes 1 en 2 niet heeft ontruimd en nog steeds in gebruik heeft zonder huur te betalen. Bij brief van 27 mei 2011 heeft VDM (onder meer) het volgende aan [appellant] geschreven: “(…) Bij deze delen wij u mede dat er is geconstateerd dat u nog steeds gebruik maakt van onze bedrijfsruimte op [pand 2]. U gebruikt onze bedrijfsruimte voor een slaapkamer en keuken zonder dat u huur betaalt. U gebruikt onze bedrijfsruimte dus illegaal. (…) Op 7 augustus 2009 hebben wij u schriftelijk mede gedeeld dat u onze bedrijfsruimte tot en met september 2009 mocht gebruiken en dat u hierna huur diende te betalen aan ons voor het gebruik. Hiermee bent u mondeling akkoord gegaan en u heeft geen bezwaar gemaakt tegen de brief van 7 augustus 2009. Een huurprijs van € 300,- zou u gaab betalen indien u na september 2009 nog gebruik zou maken van onze bedrijfsruimte aan de [pand 2]. Het is nu eind mei 2011 en u gebruikt onze bedrijfsruimte nog steeds. Daarvoor brengen wij u het volgende huurbedrag in rekening: *20 maanden keer € 300,-, Totaal € 6000,- . Dit bedrag dient u over te maken binnen 14 dagen op rekeningnummer: (…) t.n.v. VDM Vastgoed Groep.
Tevens dient u deze situatie te beëindigen per 1 juni 2011. (…)”
Op 31 maart 2015 heeft VDM de wand tussen de winkelruimte en ruimte 2 doorgebroken. Naar aanleiding daarvan heeft de advocaat van [appellant] bij brief van 1 april 2015 het volgende aan VDM geschreven (voor zover thans relevant): “(…) heb ik u aangegeven dat de betreffende ruimte sinds jaar en dag feitelijk onderdeel uitmaakt van de woning met achtergelegen zaal van cliënte, en niet anders dan via de woning van cliënte toegankelijk is geweest. Cliënte heeft de betreffende ruimte aldus sinds haar aankoop in 2001 in bezit en in gebruik gehad, net als overigens haar rechtsvoorganger in de eigendom van de woning. (…) Voor zover u eigenaar mocht zijn geweest van de betreffende ruimte, is uw aanspraak op teruggave van de ruimte dan ook al ruimschoots verjaard, en is cliënte inmiddels eigenaar daarvan. (…)”
In reactie daarop heeft VDM bij brief van 3 april 2015, onder meer, het volgende geschreven: “(…) Uw cliënte heeft een deel van het perceel (Gemeente Delfshaven, sectie [… 1], [nummer 1]) ten onrechte in gebruik. In 2009 hebben wij de panden [pand 2 ABC] gekocht. Bij aankoop was de ruimte achter de winkel leeg (bijlage 1).
Na aankoop in 2009 zijn wij bij mevrouw [appellant] langs geweest om haar de ruimte achter de winkelruimte aan te bieden om te huren zoals zij dit bij de vorige eigenaar deed. Wij vroegen destijds € 300,- voor de ruimte (± 80 m2). Mevrouw [appellant] ging hier niet mee akkoord maar ze had wel ondertussen de ruimte in gebruik genomen zonder de huur te betalen, (…). (…) Ik zal € 300,- per maand in rekening brengen tot en met 1 april 2015. (…)”
Daarop heeft de advocaat van [appellant] het volgende geantwoord (voor zover thans relevant): “(…) In antwoord op uw brief van 3 april jl. bericht ik u na overleg met cliënt dat, - anders dan u stelt – de betreffende ruimte nooit aan haar verhuurd is geweest, ook niet door de vorige eigenaar van uw pand. Cliënte verhuurde de betreffende ruimte daarentegen zélf en heeft deze als zodanig dus altijd als (ware zij) eigenaar in gebruik gehad. Zij handhaaft derhalve haar beroep op verjaring. Die verjaring is in 2011 niet gestuit door uw toenmalige actie, aangezien u binnen zes maanden nadien geen rechtsvordering heeft ingesteld. (…)”
Vanaf mei 2015 is ruimte 2 niet meer in gebruik bij [appellant]. Ruimte 1 is ter uitvoering van het vonnis van de kantonrechter per 26 april 2017 door [appellant] ontruimd.
Vanaf 17 november 2016 zijn [geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] de eigenaren van het pand [pand 2] te Rotterdam.
In grief 1 komt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter dat partijen het erover eens waren dat het geschil op de voet van het bepaalde in artikel 96 Rv aan haar werd voorgelegd. Grieven 2 tot en met 4 richten zich tegen de weergave van de vaststaande feiten door de kantonrechter. Het hof heeft de feiten in dit arrest, voor zover nodig, opnieuw vastgesteld, zodat [appellant] geen belang heeft bij bespreking van deze grieven.
Met de grieven 5, 6 en 7 komt [appellant] op tegen de weergave door de kantonrechter van haar stellingen en weren. Grief 8 richt zich tegen de overweging van de kantonrechter dat het beroep op eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring moet worden verworpen omdat de verjaringstermijn van twintig jaar nog niet is vervuld nu deze pas op zijn vroegst kan zijn gaan lopen vanaf het moment dat [appellant] de woning in 2001 kocht.
Met grieven 9 tot en met 14 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] geen eigenaar is geworden door verkrijgende verjaring.
Grieven 15 en 16 richten zich tegen de verwerping door de kantonrechter van het beroep van [appellant] op een door (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring verkregen erfdienstbaarheid. Met grieven 17 tot en met 20 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte de door VDM gevorderde schadevergoeding heeft toegewezen omdat het gebruik van de ruimtes door [appellant] niet onrechtmatig was, de vordering tot schadevergoeding is verjaard en VDM geen schade heeft geleden. Grief 21 komt op tegen de toewijzing van de vordering van VDM en de veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
Staat hoger beroep open?
Verkrijgende verjaring 9. De grieven 9 tot en met 14 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] geen eigenaar is geworden door verkrijgende verjaring omdat zij niet te goeder trouw is geweest. [appellant] voert daartegen het volgende aan. Zij verkeerde ten tijde van de aankoop van [pand 1] daadwerkelijk en op goede gronden in de veronderstelling dat zij daarmee de woning, de beide ruimtes 1 en 2 en de zaal kocht: een en ander was als één geheel met elkaar verbonden, stond in generlei verbinding met de aan de straatzijde gelegen winkelruimte met het adres [pand 2], en de uiterlijk zichtbare ‘erfgrens’ van wat zij kocht was de afscheidingsmuur tussen de winkelruimte [pand 2] enerzijds en de ruimtes 1 en 2 anderzijds. Ten tijde van haar aankoop in 2001 werd het geheel bovendien verhuurd aan het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond en ook de huurovereenkomst die [appellant] toen ter hand werd gesteld voorzag in verhuur van de ruimtes 1 en 2. [appellant] heeft destijds het kadaster niet geraadpleegd, maar als zij dat wel gedaan zou hebben, dan zou zij uit de daarin ingeschreven gegevens allerminst, laat staan eenvoudig, hebben kunnen constateren dat de ruimtes 1 en 2 géén onderdeel uitmaakten van hetgeen zij had gekocht. Kortom, [appellant] was in haar bezit van de ruimtes 1 en 2 te goeder trouw.
Op de kaart waarop de percelen door het kadaster zijn opgemeten is aangegeven dat de grens tussen de percelen wordt gevormd door de “achterzijde bebouwing (hoog)”. Deze opmeting is kenbaar uit de openbare registers. De grens tussen de twee percelen is ook “fysiek” waar te nemen, zodat [appellant] niet kon aannemen dat haar perceel mede de ruimtes 1 en 2 omvatte. De zaal is achter het oorspronkelijke pand tegen de achtergevel – die veel hoger is – gebouwd. Het is dan ook uiterlijk waarneembaar dat het om verschillende panden gaat. De ruimtes 1 en 2 maken geen onderdeel uit van de zaal: er zijn wel doorgangen gemaakt, maar het vloerniveau van de zaal en het oorspronkelijke pand waarin de ruimtes 1 en 2 zich bevinden is ongelijk.
Ook aan de oppervlaktematen van de percelen die in de transportakte zijn vermeld kon [appellant] redelijkerwijs afleiden dat de ruimtes 1 en 2 niet tot haar perceel behoren: de oppervlakte van het perceel [pand 1] (woning + tuin) bedraagt 180 m2 en de oppervlakte van de zaal 187 m2. De zaal is bijna even groot als de woning plus tuin aan de [pand 1] en ongeveer dubbel zo breed als de tuin alleen van de gekochte woning. De oppervlakte van de ruimtes 1 en 2 is ook nog eens 76 m2. Het was op basis van deze gegevens in de transportakte dan ook niet aannemelijk dat de ruimtes 1 en 2 ook nog van het door [appellant] gekochte perceel [nummer 3] deel uitmaakten. Als koper heeft [appellant] bovendien een onderzoekplicht.
Als [appellant] de openbare registers had geraadpleegd had zij daaruit eenvoudig kunnen afleiden dat zij geen eigenaar werd van de ruimtes 1 en 2. Dat [appellant] dat heeft nagelaten staat aan haar beroep op goede trouw in de weg, aldus VDM c.s.
Met ‘registers’ in dit artikel worden in beginsel slechts de openbare registers bedoeld en niet het kadaster. Het gaat er mitsdien niet om of men de registers feitelijk heeft geraadpleegd, maar wat men had kunnen weten indien men aan zijn onderzoekplicht zou hebben voldaan. De aard en omvang van de onderzoekplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Bij goede reden tot twijfel zal een diepgaander onderzoek gevergd kunnen worden, wil men een beroep op goede trouw kunnen doen (art. 3:11 BW). Of de kadastrale gegevens en kaarten van belang zijn voor de vraag of de bezitter te goeder trouw is, moet derhalve worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de artikelen 3:118 BW jo 3:11 BW.
Het had dan ook op de weg van [appellant] gelegen om nader onderzoek te doen naar de erfgrens tussen het door haar gekochte perceel [nummer 3] en het belendende perceel [nummer 1]. Nu de opmeting kenbaar was uit de kadastrale gegevens had [appellant] door raadpleging daarvan daaruit kunnen herleiden dat zij geen eigenaar werd van de ruimtes, gezien de kadastrale nummering en de vermelding op de tekening dat de grens samenvalt met de achterzijde van de bebouwing. Dat [appellant] heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de kadastrale perceelgrens die zij door raadpleging van de openbare registers en verder onderzoek in het Kadaster had kunnen kennen, staat aan haar goede trouw in de weg. Het beroep op verkrijgende verjaring stuit reeds hierop af.
De grieven 9 tot en met 14 falen derhalve.
Bevrijdende verjaring 13. Met grief 8 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bezit van de rechtsvoorganger van [appellant] voor het beroep op bevrijdende verjaring niet relevant is, en dat het moet gaan om bezitsdaden van [appellant] zelf. De kantonrechter komt volgens [appellant] dan ook ten onrechte tot de conclusie dat de verjaringstermijn van twintig jaar nog niet is vervuld, nu deze pas op zijn vroegst kan zijn gaan lopen vanaf het moment dat [appellant] haar woning in 2001 kocht. In de toelichting op haar grief verwijst [appellant] niet alleen naar de wettekst van art. 3:105 BW, maar ook naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 augustus 2010 (ECLI:NL:HR:2012:BW5324), waarin nadrukkelijk is bevestigd dat voor de bevrijdende verjaring niet van belang is of gedurende de verjaringstermijn opvolging in het bezit heeft plaatsgevonden. De periode waarin de rechtsvoorganger van [appellant] in het bezit van de ruimtes 1 en 2 was, derhalve in ieder geval vanaf 1 mei 1994, ‘telt’ dus gewoon mee voor de verjaringstermijn van twintig jaar. [appellant] is dientengevolge in ieder geval niet later dan per 1 mei 2014 door bevrijdende verjaring eigenaar van de ruimtes 1 en 2 geworden. Zij was het immers die op dat moment in het bezit van de ruimtes 1 en 2 was, aldus – steeds – [appellant].
Doordat de huurder voor het gebruik van de ruimtes 1 en 2 rechtstreeks aan [X], de eigenaar van de betreffende ruimtes, huur is gaan betalen, kwam in ieder geval een einde aan het beweerde bezit van de rechtsvoorganger van [appellant] en verkreeg [X] het bezit van de ruimtes 1 en 2. Vastgesteld kan dan ook worden dat in de periode vanaf 1997 voorafgaande aan het moment dat [appellant] eigenaar werd, zowel de rechtsvoorganger van [appellant] als de feitelijke gebruiker, de huurder, het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond, zich niet als bezitter van de ruimtes 1 en 2 hebben gedragen althans dit bezit hebben prijsgegeven. Het beroep van [appellant] op bevrijdende verjaring kan derhalve niet slagen, nu geen sprake is van ononderbroken ondubbelzinnig bezit van de ruimtes 1 en 2 gedurende een periode van twintig jaren door haar en/of haar rechtsvoorgangers, aldus VDM c.s.
Uit de brief van 1 december 1997 van makelaar Van der Laan namens Groep MH valt naar het oordeel van het hof echter af te leiden dat Groep MH zich vanaf eind 1997 jegens de toenmalige eigenaar van de ruimtes 1 en 2, [X], niet als bezitter van de betreffende ruimtes heeft gedragen althans dat zij daarmee in ieder geval haar bezit heeft prijsgegeven. Ook kan er geen sprake zijn van bezit van de ruimtes 1 en 2 door de huurder, het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond. Laatstgenoemde was immers, als huurder, niets anders dan houder, ook al was dat vanaf zeker moment voor een partij die zelf het bezit ten gunste van [X] had prijsgegeven. Daarbij komt dat het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond door de huurbetalingen aan [X] ten opzichte van de eigenaar van de ruimtes 1 en 2 evenzeer in een rechtsverhouding van houderschap is komen te verkeren, in elk geval voor de periode waarvoor de huur daadwerkelijk is betaald. [appellant] heeft voorts onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat haar rechtsvoorganger, Groep MH, dan wel de huurder van Groep MH als gebruiker van de betreffende ruimtes, het onafgebroken bezit van de ruimtes 1 en 2 heeft gehad.
Nu niet is komen vast te staan dat haar rechtsvoorganger vanaf eind 1997 de ruimtes 1 en 2 (nog) in bezit had, kan de termijn in ieder geval niet eerder zijn gaan lopen dan vanaf het moment dat [appellant] haar woning in 2001 heeft gekocht. Daarvan uitgaande eindigt de verjaringstermijn pas in 2021. Het betoog van [appellant] dat zij op de grondslag van de bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de ruimtes 1 en 2 dient dan ook te worden verworpen gelet op het feit dat de daaraan gekoppelde verjaringstermijn van twintig jaar nog niet is vervuld.
Erfdienstbaarheid 17. Met de grieven 15 en 16 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte haar beroep op een door (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring verkregen erfdienstbaarheid heeft verworpen. Ter toelichting verwijst [appellant] naar alle feiten en omstandigheden die zij heeft aangevoerd ten aanzien van de door haar gestelde eigendomsverkrijging door verjaring. Voor zover [appellant] heeft bedoeld aan te voeren dat zij bezitter is geweest van het recht van erfdienstbaarheid, gaat het hof aan deze stelling voorbij. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat het door haar gestelde feitelijk gebruik en de toestand ter plaatse, noodzakelijk wijzen op bezit van een erfdienstbaarheid en dat niet gewoon sprake is geweest van gedoogd gebruik. De grieven 15 en 16 falen daarom.
Vordering tot schadevergoeding 18. Met de grieven 17 tot en met 20 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door VDM gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen. [appellant] voert daartoe, kort samengevat, aan dat het gebruik van de ruimtes 1 en 2 door [appellant] niet onrechtmatig was, de rechtsvordering tot schadevergoeding reeds is verjaard en VDM geen schade heeft geleden.
Het hof zal VDM c.s. in de gelegenheid stellen zich op die comparitie bij (een vier weken tevoren toe te zenden) akte, zo mogelijk onderbouwd met stukken, uit te laten over haar schade, en dan in het bijzonder over de volgende vragen:
Beslissing Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, J.W. Frieling en G.C. de Heer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.