GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.206.613/01Rolnummer rechtbank : C/09/476963 / HA ZA 14-1266 Arrest van 3 april 2018 inzake [naam 1] , kantoorhoudende te [plaats] , in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam 2] , wonende te [woonplaats] , appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. H.J.M. van Schie te Haarlem, tegen De STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelende te Den Haag, geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het incidenteel appel, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Het geding Bij dagvaarding van 28 december 2016 is de curator in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 september 2016. Bij memorie van grieven, met producties, heeft zij negen grieven tegen het vonnis ingediend. Bij memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, heeft de Staat de grieven bestreden en zijnerzijds twee grieven tegen het vonnis ingediend. Bij memorie van antwoord incidenteel appel heeft de curator deze grieven bestreden en producties overgelegd. Partijen hebben de zaak op 16 november 2017 doen bepleiten, beide aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. De curator heeft bij die gelegenheid nog een (op voorhand toegezonden) akte overlegging producties ingediend. Aansluitend is arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep Voor het hof vaststaande feiten 1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet (of onvoldoende) door partijen bestreden staan voor het hof de navolgende feiten vast. Het hof neemt die tot uitgangspunt. 1.1 [de failliet] heeft een agrarisch bedrijf uitgeoefend op het perceel [het perceel] . Hij exploiteerde daar een extensieve veehouderij gericht op de vleesproductie en het fokken van schapen en zoogkoeien. Hij had een vergunning voor maximaal 1400 schapen. 1.2 [de failliet] fokte onder meer schapen waarin het zogenoemde Booroola-gen voorkwam. Het Booroola-gen is een vruchtbaarheidsgen en is in Nederland door middel van een veredelingskruising gefokt in het schapenras Texelaar met als doel in één ras (de Booroola Texelaar) een hoge lammerenproductie samen te laten gaan met een hoge slachtkwaliteit. 1.3 Blijkens een krantenbericht in de Nieuwe Oogst van 23 juli 2005 en een krantenbericht in Het Schaap van augustus 2005 heeft in 2005 een veiling van Texelaars met het Booroola-gen plaatsgevonden waar 20 schapen zijn verkocht. Hierbij liepen de prijzen uiteen van € 250,- voor een ramlam tot € 1.500,- voor een ooilam. Volgens de Nieuwe Oogst gingen de anderhalf jaar oude rammen voor € 275,- tot € 850,- weg, de ramlammeren voor € 250,- tot € 550,- en de anderhalf jaar oude ooien voor € 950,- tot € 1.150,-. In Het Schaap is vermeld dat een ram die de fokkers zelf destijds voor € 3.750,- hadden gekocht op deze veiling voor € 850,- wegging, terwijl op drie rammen niet het startbedrag van € 250,- werd geboden. 1.4 Op 10 juli 2006 heeft de Algemene Inspectiedienst (AID) van het toenmalige Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een melding van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming ontvangen dat op het bedrijf van [de failliet] kadavers van schapen zouden liggen en dat dieren zouden worden verwaarloosd. Daarop heeft de AID op 11 juli 2006 ter plaatse een onderzoek ingesteld. 1.5 Op 13 juli 2006 is de AID naar het bedrijf teruggekeerd, daarbij vergezeld door [de keuringsdierenarts] , keuringsdierenarts bij de Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: [de keuringsdierenarts] ). In vervolg op het advies van [de keuringsdierenarts] en op daartoe verzochte en verleende toestemming van de officier van justitie van het functioneel parket te Rotterdam, heeft de AID op 13 en 14 juli 2006 honderden schapen (ooien, rammen en lammeren) en één rund op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in beslag genomen. De dieren zijn na telefonisch overleg met de officier van justitie onder de hoede gesteld van de krachtens de wet aangewezen bewaarder en vervolgens ondergebracht bij een opslaghouder te Bunnik. 1.6 Op 14 juli 2006 hebben de taxateurs [de taxateur 1] en [de taxateur 2] de inbeslaggenomen dieren in opdracht van de AID getaxeerd (hun rapport hiervan wordt hierna aangeduid als het taxatierapport van [de taxateur 1] en [de taxateur 2] ). Zij hebben 1982 inbeslaggenomen schapen op basis van de slachtwaarde getaxeerd op € 112.712,76 zonder waarde toe te schrijven aan gebruiksdieren (fokkerij) en zonder rekening te houden met het aanwezige Booroola-gen. Zij hebben per dier aangegeven of er iets met de gezondheid aan de hand was. Volgens hun rapport was er bij meer dan duizend dieren niets (althans niets opmerkelijks) aan de hand. De overige dieren waren deels verwaarloosd, (licht)kreupel, vermagerd of slecht, deels ‘matig’. Het inbeslaggenomen rund is getaxeerd op € 300, -. [de failliet] is niet in staat gesteld direct een contra-expertise te laten uitvoeren. 1.7 [de keuringsdierenarts] heeft zijn bevindingen over de dieren op 13 - 19 juli 2006 neergelegd in een schriftelijke verklaring (gevoegd als bijlage 9 bij het proces-verbaal nr. 35556 van de AID). In deze verklaring benoemt hij specifieke dieren en voorts een aantal groepen dieren met telkens een of meer gebreken zoals kreupelheid, kromme of bolle rug (inwendig ongerief), blindheid, slechte conditie (waaronder: erg mager, sloom, schurft), klauwbreuk, peesbreuk, verwaarloosde wond, uierontsteking, longproblemen en (vanaf 17 juli:) rotkreupel. Hij vermeldt dat hij op 14 juli 2006 uit de inbeslaggenomen schapen een selectie heeft gemaakt van schapen in de slechtste conditie die of direct geëuthanaseerd of op korte termijn afgevoerd voor de slacht zouden moeten worden om hun lijdensweg te verkorten. Dat betreft het rund en 404 schapen. 1.8 Op 17 en 18 juli 2006 hebben [naam 3] en [naam 4] bij de opslaghouder te Bunnik ongeveer 500 schapen met lange slechte klauwen gezien en de klauwen van 417 schapen bekapt. Zij verklaren beiden dat van 144 schapen de klauwen in dusdanige slechte toestand waren dat zij adviseren deze af te voeren. Zij benoemen onder meer rotkreupel, pijnlijke klauwen, misvormde, kapotte en vergroeide klauwen, klauwen met maden en klauwontstekingen. 1.9 Van de inbeslaggenomen dieren zijn binnen een maand 403 schapen en 1 rund vernietigd of geslacht (hierna aangeduid als de afgevoerde dieren). 1.10 Op 14 juli 2006, aangevuld op 18 juli 2006, heeft [de failliet] een klaagschrift op grond van artikel 552a Wetboek van strafvordering (Sv) bij de rechtbank Den Haag ingediend en om teruggave van de inbeslaggenomen dieren verzocht. De behandeling in raadkamer van dit klaagschrift was bepaald op (aanvankelijk) 8 augustus 2006 en (daarna) 22 augustus 2006. 1.11 Op 26 juli 2006 heeft de officier van justitie een schriftelijke machtiging als bedoeld in artikel 117 Sv tot vervreemding van de schapen afgegeven. [de failliet] heeft zich in kort geding verzet tegen vervreemding voordat door de rechtbank op het klaagschrift zou zijn beslist. De voorzieningenrechter heeft zijn vordering afgewezen bij vonnis van 16 augustus 2006. 1.12 Op 28 juli 2006 hebben de dierenartsen [de dierenarts 1] en [de dierenarts 2] , op verzoek van [de failliet] , onder begeleiding van een ambtenaar van de AID, een contra-expertise verricht en daarvan op 4 augustus 2006 rapport uitgebracht (hierna: de contra-expertise van [de dierenarts 1] en [de dierenarts 2] ). In deze contra-expertise is geen geldelijke waarde voor de inbeslaggenomen dieren genoemd. Het rapport vermeldt onder meer: “Daar sprake is van 1600 dieren heeft slechts een globale beoordeling van de dieren plaatsgevonden (…) Vastgesteld moet worden dat er meerdere soorten schapen en kruisings producten aanwezig waren. Naast de Texelaar zijn er typen melkschaap, de Swifter / Flevolander, als kruisingsras van Texelaar en een typisch melkschaap. Voorts zijn er andere kruisingsproducten van deze typen aanwezig. Qua type zijn deze dieren ranker dan zuivere Texelaars. De dieren zijn over meerdere koppels verdeeld. (…)” [volgt beoordeling per koppel, hof] “Buiten koppel. (…) Deze dieren zouden nog niet behandeld zijn omdat de klauwen te hard waren. (…) De koppel bestond voor de helft uit ooien en volwassen goed uitgegroeide lammeren. De andere helft uit zogende lammeren. (…) volwassen schapen (…) Zeker de helft van de dieren maakte een goede indruk en vertoonde een goede voedingstoestand. Onder de lammeren waren kleine achtergebleven dieren aanwezig doch zeker 60-80 dieren leken voldoende bevleesd om eventueel geslacht te kunnen worden. Voor het leven verhandelen is niet mogelijk wegens de rotkreupel (…). Slotconclusie: Zeker 50% van de aanschouwde dieren vertoonde een redelijk tot goede voedingstoestand. Kreupelheid was in beperkte mate aanwezig die in een aantal gevallen aan rotkreupel geweten zal kunnen worden. Onder de lammeren kwam nogal wat diarree voor. Met een deskundige en arbeidsintensieve behandeling is de prognose voor de geziene dieren goed, waarbij de lammeren met groei-achterstand (ongeveer 10%) extra zorg behoeven maar waarschijnlijk niet meer tot volwaardige dieren zullen uitgroeien. De behandelingen kunnen onder begeleiding ook elders gebeuren (met weidegang).” 1.13 Op of omstreeks 20 augustus 2006 zijn de niet al afgevoerde, inbeslaggenomen schapen verkocht. De verkoopopbrengst beliep € 71.800,-. Daarbij is geen rekening gehouden met de aanwezigheid van het Booroola-gen en fokdieren. 1.14 Bij beschikking van 5 september 2006 heeft de rechtbank Den Haag het klaagschrift ex artikel 552a Sv ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde daartoe onder meer dat de inbeslagneming van de totale kudde niet onrechtmatig was. 1.15 Op 11 april 2007 heeft [de register-makelaar] , register-makelaar onroerende zaken en vee, een taxatierapport opgesteld (hierna: het taxatierapport van [de register-makelaar] ) nadat hij op verzoek van [de failliet] de waarde van de schapen in het vrije verkeer per 14 juli 2006 had getaxeerd. Het taxatierapport vermeldt dat [de register-makelaar] de veestapel niet heeft kunnen zien, dat uitgangspunt was dat de dieren in normale gezondheid en conditie verblijven, dat de taxatie geen indicatie van de conditionele en fysieke staat van de dieren is, dat de aantallen dieren zijn bepaald conform het taxatierapport van [de taxateur 1] en [de taxateur 2] en dat het percentage van voorkomen van het Booroola-gen is gebaseerd op de, in opdracht van [de failliet] daartoe uitgevoerde, steekproef door [het laboratorium] te Wageningen. [de register-makelaar] heeft de waarde van de schapen getaxeerd op € 1.755.000,-, te weten: € 1.025.000 voor 966 ooien, € 325.000 voor 588 rammen en € 425.000 voor 488 [hof: op grond van hetgeen op p.2 onderaan van het rapport is vermeld gaat het hof ervan uit dat is bedoeld: 428] ooilammeren (dus gemiddeld € 1.061,08 per ooi, € 552,72 per ram en € 993,- per ooilam). Deze waarde is bepaald aan de hand van gegevens van een openbare veiling (die blijkens krantenartikelen die als producties C44 en C45 bij memorie van grieven zijn overgelegd) is gehouden in juli 2005, een aankoopnota uit 2002 van één ram die [de failliet] heeft gekocht van [naam 5] , en een koopovereenkomst uit juni 2006 tussen [naam 5] (als koper) en [de failliet] (als verkoper) betreffende de aankoop van 12 rammen met het Booroola-gen (8 x homozygoot Booroola à € 5.000,- en 6 x heterozygoot Booroola à € 3.700,-). 1.16 Bij strafvonnis van 27 december 2007 heeft de economische politierechter in de rechtbank Den Haag [de failliet] veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 5.000,- wegens onder meer overtreding van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de Destructiewet. De economische politierechter heeft (mede) overwogen dat de rechten van [de failliet] waren geschonden doordat hij pas twee weken na de inbeslagneming in de gelegenheid was gesteld een contra-expertise uit te voeren. De economische politierechter heeft de vordering van de officier van justitie tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen dieren afgewezen en de teruggave aan [de failliet] gelast van € 112.712,76, zijnde het equivalent van de inbeslaggenomen schapen. 1.17 [de failliet] is in hoger beroep gekomen van dit strafvonnis. Blijkens het proces-verbaal van de op 21 oktober 2009 in het openbaar gehouden zitting van het gerechtshof Den Haag (hierna ook: het hof) heeft het hof overwogen: "Het hof acht het, gelet op de verklaring van de verdachte ter zitting van heden en de verklaring van de getuige-deskundige dierenarts [de getuige-deskundige dierenarts] ter zitting van de rechtbank op 12 april 2007 (op basis van beeldopnames), wel aannemelijk dat in het algemeen de gezondheidstoestand, conditie en verzorging van de kudde gemiddeld tot bovengemiddeld goed was, en dat slechts op beperkte schaal (11 gevallen) sprake was van achterstallig klauwonderhoud en kreupelheid." 1.18 Bij arrest van 4 november 2009 in de strafzaak heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en [de failliet] strafbaar geacht wegens overtreding (meermalen) van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de Destructiewet. Dit betrof strafbare feiten telkens in de periode kort voor/op 13 juli 2006, te weten -kort gezegd-: 1) dieren niet op de juiste wijze huisvesten, immers had een hek van een hok uitstekende delen, 2) de gezondheid en/of het welzijn van dieren benadelen door na te laten tijdig deskundige verzorging te verschaffen, immers liepen schapen en/of lammeren kreupel, 3) dieren de nodige verzorging onthouden, immers dieren die kreupel liepen niet bekappen en 4) niet tijdig aangifte van dode schapen doen. Het hof heeft [de failliet] geen straf of maatregel opgelegd en heeft de teruggave gelast van de inbeslaggenomen dieren aan [de failliet] . Het hof heeft zijn beslissingen gemotiveerd met onder meer de volgende overwegingen: “Het openbaar ministerie heeft pas na 15 dagen gereageerd op het verzoek namens verdachte tot het doen uitvoeren van een contra-expertise met betrekking tot de gezondheid van de in beslaggenomen dieren. Op het moment dat de contra-expertise uiteindelijk werd toegelaten waren reeds ruim 300 dieren geslacht of vernietigd. Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van het hof een ernstige aantasting van de rechten van de verdachte waarmee een inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde. Omdat contra-expertise uiteindelijk wel heeft kunnen plaatsvinden ten aanzien van de resterende ongeveer 1500 dieren, dient deze inbreuk echter niet te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof is van oordeel dat de schending gecompenseerd dient te worden bij de straftoemeting.”. 1.19 [de failliet] is in cassatie gekomen van het arrest van 4 november 2009. Bij arrest van 11 oktober 2011 heeft de Hoge Raad [de failliet] gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en het cassatieberoep voor het overige verworpen. 1.20 Op 24 november 2010 heeft de Staat, ter uitvoering van de door het hof gegeven last tot teruggave, € 163.471,74 aan [de failliet] betaald als vergoeding voor de in beslaggenomen schapen (vervangingswaarde). Dit bedrag betrof de eerder door [de taxateur 1] en [de taxateur 2] getaxeerde waarde van de schapen van € 112.712,76, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 december 2007 en met een opslag wegens een ingeschatte aanwezigheid van het Booroola-gen. 1.21 In 2011 heeft de Staat bij de taxateurs [de taxateur 3] (hierna: [de taxateur 3] ) en [de taxateur 4] (hierna: [de taxateur 4] ) navraag gedaan naar een waarde-indicatie van schapen met Booroola-gen. Daarop heeft [de taxateur 3] gerapporteerd (op grond van informatie bij het stamboek en enkele fokkers) dat de rammen van het goede soort € 100,- tot € 300,- meer opbrengen dan zonder dat gen, dat enkele jaren geleden wel eens als topper een ram is verkocht voor € 3.500,- (homozygoot extra vruchtbaar) en dat de extra vruchtbare ooien met dat gen mogelijk wel € 10,- meer opbrengen. [de taxateur 4] heeft telefonisch medegedeeld dat de waarde van ooien met het Booroola-gen circa € 10,- tot € 15,- boven de marktwaarde ligt, dat de waarde van dekrammen kan variëren tussen de € 250,- en € 350,- en van niet-dekrammen rond de € 150,-, met enkele zeer uitzonderlijke gevallen waarin rond de € 5.000,- voor een Booroola-gen-ram was betaald, en dat de prijs voor ooilammeren ligt tussen de € 75,- en € 100,-. Een en ander is de waarde scrapie- en zwoegervrij en met een (stamboek) certificaat. Aanvullend heeft [de taxateur 3] in 2014 verklaard dat in zijn algemeenheid circa 10% van de rammen van fokkwaliteit is (dekram), waarvan hooguit 5-10% topfokmateriaal met eventueel een extra hoge prijs van € 1.000,- - € 1.500,-. Wellicht kan een 20-30% van de rammen met het Booroola-gen voor de fokkerij worden geselecteerd. In 2014 hebben rammen met het Booroola-gen een meerwaarde tussen de € 100,- en € 150,-. Aanvullend heeft [de taxateur 4] verklaard dat ooien met het Booroola-gen maar zonder certificaten en officiële documentatie, voor de commerciële schapenhouderij interessant kunnen zijn vanwege de verhoogde kans op meerlingen, maar dat in die wereld geen extra grote bedragen worden betaald voor schapen. 1.22 Na vastgelopen schikkingsonderhandelingen heeft [de failliet] in een (tweede, zie ook 1.11) kort geding een voorschot op schadevergoeding gevorderd. Daarop is de Staat bij vonnis van 1 februari 2013 veroordeeld om aan [de failliet] € 50.000,- (bij) te betalen bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2012 (de dag der dagvaarding) en met € 2.344,17 aan proceskosten. De Staat heeft hoger beroep tegen dit kort geding vonnis ingesteld. Die gerechtelijke procedure hebben partijen stilgelegd in afwachting van de onderhavige bodemprocedure. 1.23 Op 14 februari 2013 heeft de Staat uit hoofde van voornoemd vonnis het voorschotbedrag van € 50.000,- voor de dieren plus € 2.344,17 voor proceskosten aan [de failliet] betaald. 1.24 In de periode 2005 – 2007 zijn in Nederland schapenbedrijven geruimd in verband met uitbraken van de dierziekte scrapie. Daarbij is de waarde van de dieren in het economisch verkeer bepaald. De daartoe opgestelde taxatierapporten (het merendeel opgesteld door [de register-makelaar] voornoemd) vermelden de volgende gemiddelde waarden per schaap op het desbetreffende geruimde bedrijf: rapport 13 maart 2007: € 325,-, rapport 2 augustus 2006: € 1.561,14; rapport 5 januari 2006: € 1.553,95; rapport 24 januari 2006: € 1.450,-, rapport 14 juni 2006: € 1.241,-; rapport 11 november 2005: € 638,73, rapport 18 november 2005: € 1.475,- rapport 17 februari 2005: € 212,27, rapport 4 januari 2005: € 165,02, rapport 4 januari 2005 € 172,02, rapport 7 maart 2005: € 746,53 en rapport 23 februari 2005: € 714,98. 1.25 In 2010 is over [de fokker 1] , fokker en organisator van de hiervoor onder 1.3 genoemde schapenveiling in 2005 en lid van de Fokgroep Noord, in de Nieuwe Oogst geschreven, dat hij de enige schapenfokker van Nederland is van wie alle schapen het Booroola-gen hebben en dat hij na 2003 twintig ooien had. In dit artikel staat voorts: “Ooien met het gen werpen 0,6 tot 1,5 lam meer. Schapenhouders beuren daarmee jaarlijks circa 50 euro per ooi extra. (…)” en “Homozygote rammen zijn 1000 euro meer waard dan heterozygote rammen die circa 1500 euro opleveren. (…) Als je (…) papieren kunt laten zien, ben je spekkoper”. 1.26 In maart 2011 heeft [naam 6] in een publicatie van de Universiteit Wageningen geschreven dat het extra rendement van een ooi met het Booroola-gen € 51,40 bedraagt (prijsniveau 2003). 1.27 [de fokker 2] , fokker van Booroola stamboek Texelaars, heeft bij e-mail van 13 januari 2017 aan (de advocaat van) de curator geschreven, dat de waarde van een dubbel gen dragende ram ligt tussen € 800,- en € 1000,-, van een enkel gen dragende ram op € 300,-, van een dubbel gen dragende ooi rond de € 500,- en een enkel gen dragende ooi € 200,-. Hoe luxer het dier hoe hoger de waarde, waarbij het gaat om het algemeen voorkomen van een stamboek Texelaar, aldus [de fokker 2] . 1.28 Bij vonnis van 10 februari 2015 is [de failliet] in staat van faillissement verklaard. De curator heeft deze gerechtelijke procedure toen van [de failliet] overgenomen. De eerste aanleg bij de rechtbank 2.1 De curator heeft voor de rechtbank gevorderd – naast een proceskostenveroordeling (samengevat weergegeven): voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig jegens [de failliet] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de dientengevolge geleden en te lijden schade en de Staat te veroordelen om aan de boedel de taxatiewaarde van de schapen te betalen, zijnde € 2.201.766,44, plus rente en minus de reeds betaalde voorschotten, en voorts de geleden en te lijden schade wegens verminderde bedrijfsopbrengsten en extra kosten, hogere financieringslasten en imagoschade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 2.2 De curator heeft aan haar vorderingen onrechtmatig handelen van de Staat ten grondslag gelegd. De curator heeft daartoe het volgende, samengevat en zakelijk weergegeven, gesteld. De Staat heeft met de inbeslagneming van alle dieren gehandeld in strijd met het proportionaliteits- en subsidiariteitsvereiste en daarmee fundamentele zorgvuldigheidseisen geschonden. De Staat heeft voorts gehandeld in strijd met de eisen van de goede procesorde door [de failliet] de mogelijkheid van een contra-expertise te ontnemen. Op grond van de zogenoemde A-grond van het Begaclaim-arrest is de Staat tot schadevergoeding verplicht. Daarnaast heeft de Staat de schapen voor een onredelijk lage prijs verkocht en daarmee de op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting ingevolge artikel 119 Sv geschonden. Ten onrechte is bij de taxatie door [de taxateur 1] en [de taxateur 2] geen rekening gehouden met de omstandigheid dat het merendeel van de schapen van [de failliet] het Booroola-gen in zich had en met de goede conditie van de dieren. Verder heeft de Staat geen of onvoldoende rekening gehouden met de bedragen die in het verleden door de Dienst Regelingen voor schapen met het Booroola-gen zijn uitgekeerd. Voorts dient de Staat te vergoeden de schade wegens verminderde bedrijfsresultaten als gevolg van de inbeslagneming (met misgelopen meeropbrengsten per schaap), imagoschade wegens negatieve publiciteit en hogere financieringslasten vanwege de opzegging van de financiering van het bedrijf van [de failliet] vanwege de inbeslagneming, waardoor [de failliet] duurdere leningen heeft moeten aangaan. De Staat is verplicht de volledige schade die de boedel lijdt en heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat te vergoeden. 2.3 De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd en zijnerzijds in voorwaardelijke reconventie terugbetaling gevorderd van het door hem betaalde bedrag van € 52.344,17, vermeerderd met rente, en veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure. De Staat heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat het vonnis in kort geding van 1 februari 2013 geen stand kan houden, waarmee het uit hoofde van dit vonnis voldane bedrag onverschuldigd is betaald. De curator heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. 2.4 De rechtbank heeft geoordeeld dat de Staat uitsluitend verplicht is tot uitkering van de prijs die de schapen bij verkoop redelijkerwijs zouden hebben opgebracht. Op die grond is de Staat veroordeeld tot (bij)betaling aan de curator van € 64.532,26, te verminderen met de in het reeds uitgekeerde bedrag begrepen rente en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2009. Genoemd bedrag is de uitkomst van een berekening van wat de inbeslaggenomen dieren, rekening houdend met aanwezigheid van het Booroola-gen, bij verkoop redelijkerwijs zouden hebben opgebracht, met als uitgangspunten: 158 vernietigde (geslachte) ooien en ooilammeren ad € 41,58 per stuk, 246 vernietigde (geslachte) rammen ad € 87,21 per stuk, 300 vervreemde ooilammeren ad € 87,50 per stuk, 410 vervreemde rammen ad € 300,- per stuk, 663 vervreemde ooien ad € 76,52 per stuk, zijnde in totaal € 228.004,-, verminderd met het reeds door de Staat op 24 november 2010 uitgekeerde bedrag. De rechtbank heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de vorderingen voor het overige afgewezen en de Staat als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Eis en grieven in hoger beroep 3.1 In hoger beroep heeft de curator haar vorderingen uit de eerste aanleg gehandhaafd en haar eis vermeerderd door vergoeding te vorderen, naast de reeds in eerste aanleg gevorderde vergoeding voor 1982 dieren, voor nog 683 lammeren en 80 ooien meer. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat bij de inbeslagname onjuist is geteld, want er zijn volgens haar geen 1982, maar 2869 dieren inbeslaggenomen. Voorts heeft de curator de feitelijk gemaakte proceskosten gevorderd. Doordat de Staat relevante taxaties van ruimingen heeft achtergehouden, zijn nodeloos kosten gemaakt, aldus de curator. De curator heeft haar eerste grief gericht tegen het door de rechtbank vastgestelde aantal van 1982 dieren. Met haar tweede grief heeft zij bestreden dat geen sprake is van aansprakelijkheid van de Staat op de ‘Begaclaim gronden’. Zij heeft hiertoe naar voren gebracht dat de inbeslagname in strijd was met de Dierenwet en het ongeschreven recht. De derde tot en met zevende grief richten zich tegen de (wijze van) waardering van de dieren. De achtste grief betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente. Met de negende grief beoogt de curator het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. 3.2 De Staat heeft de grieven van de curator gemotiveerd bestreden en tot vernietiging van het vonnis en toewijzing van zijn vordering in reconventie geconcludeerd. Zijnerzijds heeft hij een grief gericht tegen de verwerping van zijn verweer dat de aanwezigheid van het Booroola-gen in de inbeslaggenomen schapen niet leidt tot een meerwaarde van de schapen die niet voor de fok bestemd waren. Voorts heeft de Staat een tweede grief gericht tegen het oordeel dat de niet afgevoerde schapen in een normale gezondheidstoestand verkeerden en alle een meerwaarde hadden vanwege het Booroola-gen. De curator heeft de grieven van de Staat gemotiveerd bestreden. Aantallen in beslag genomen dieren 4.1 De curator heeft in hoger beroep ter discussie gesteld hoeveel schapen op 13 en 14 juli 2006 bij [de failliet] in beslag zijn genomen. De eerste grief van de curator en de eisvermeerdering zien hierop. De curator heeft thans aangevoerd dat er 683 lammeren en 80 ooien méér aanwezig waren dan op de beslaglijst zijn vermeld. Op grond van de bedrijfsadministratie van [de failliet] zou moeten worden aangenomen dat er in totaal 2869 dieren waren. Jonge lammeren waren nog niet I&R geregistreerd en geoormerkt, dat kon tot zes maanden na de geboorte. Daarnaast blijkt uit de steekproef in verband met het bloedonderzoek naar de aanwezigheid van het Booroola-gen (door de Gezondheidsdienst voor Dieren met [het laboratorium] , hiervoor genoemd in 1.15) dat 14 van de 147 dieren (dus 10%) waarvan [naam 5] had aangegeven dat die uit de voormalige veestapel van [de failliet] afkomstig waren, niet voorkomen op het proces-verbaal van inbeslagname. Aldus nog steeds de curator. 4.2 Het hof verwerpt de grief en wijst de vermeerdering van eis af vanwege het volgende. 4.3 In het door twee verbalisanten op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de inbeslagname is expliciet vermeld dat er 1982 schapen in beslag zijn genomen. Blijkens dit proces-verbaal zijn destijds twee beëdigde taxateurs en tien controleurs geregeld ter inventarisatie van de schapen bij de opslaghouder. De aantallen dieren zijn direct na het meenemen van de dieren, per stal geteld, telkens met drie man. Uit niets volgt dat daarbij een stal kan zijn overgeslagen. Evenmin zijn de aantallen getelde dieren per stal dusdanig groot dat daarbij honderden dieren over het hoofd kunnen zijn gezien. 4.4 Hiertegenover kan het hof voor het bepalen van de aantallen in beslaggenomen dieren niet afgaan op door de curator tien jaar later overgelegde, handgeschreven geboortelijsten en de thans naar voren gebrachte bedrijfsadministratie van [de failliet] . Uit niets volgt dat de geboortelijsten vóór de inbeslagname zijn opgemaakt en dat zij accuraat zijn. Bovendien blijkt uit de stellingen van partijen dat [de failliet] een vergunning had om 1400 schapen op het bedrijf te houden. De curator heeft niet aangevoerd hoe het –correct– houden van meer dan het dubbele aantal schapen op het bedrijf destijds mogelijk en toegelaten was, noch waarom dan het dubbele van het op het bedrijf toegestane aantal schapen na de inbeslagname had moeten worden teruggeplaatst bij [de failliet] (althans de waarde daarvan aan [de failliet] vergoed). Voorts had het op de weg van de curator gelegen om aan te geven (hetgeen niet is gebeurd) waarom de administratie en stallijsten van [de failliet] niet zijn ingebracht in de strafzaak, waar het aantal van 1982 dieren meermalen is genoemd (reeds in de tenlastelegging) en waar verbeurdverklaring en teruggave van (slechts) 1982 dieren was gevorderd. Dit laatste geldt te meer nu de curator in dit hoger beroep aanvoert dat [de failliet] direct na inbeslagname al uitging van een veel groter aantal inbeslaggenomen dieren dan 1982 zoals het proces-verbaal vermeld. 4.5 Aan de stelling dat [de failliet] in een telefoongesprek 2782 schapen heeft genoemd, gaat het hof voorbij. Dit betreft een opmerking over 10 schapen ten opzichte van “als het ware 2782 schapen”; hiermee wordt geen vastgesteld aantal op 13 juli 2006 genoemd. Bovendien rept de curator thans niet over 2782, maar over 2869 schapen. Dat [de failliet] op een eerdere zitting (in een andere strafzaak) op 30 maart 2006 tegenover de economische politierechter heeft verklaard, dat hij toen ongeveer 750 drachtige ooien had die al aan het lammeren zijn, doet ook onvoldoende af aan de telling bij de inbeslagname. De inbeslagname vond pas een kwart jaar na die zitting plaats, nadat al veel lammeren verkocht konden zijn of gestorven, nog daargelaten dat de juistheid van het in de verklaring genoemde aantal niet is gebleken. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat er bij de inbeslagname wel meer dan 700 lammeren zijn geteld en dat het bedrijf van [de failliet] mede te boek stond als een vleesproductiebedrijf, zodat het aantal dieren een kwart jaar eerder heel anders kon zijn dan een kwart jaar later. 4.6 Dat kort voor de inbeslagname op het bedrijf van [de failliet] 20 ooien hadden afgelammerd, dat er circa 80 lammeren aan de lammerenbar stonden (of 277, zoals de curator bij pleidooi heeft aangevoerd) en dat er ongemerkte lammeren waren, leidt het hof niet tot een andere telling dan die door de taxateurs en controleurs bij de inbeslagname. Er zijn bij de inbeslagname immers honderden lammeren geteld en niets wijst erop dat van die telling de 80 lammeren die bij [de failliet] aan de lammerenbar hebben gestaan waren uitgezonderd. Er zijn tevens tientallen lammeren meegeteld die niet I&R (of anderszins) gemerkt waren; ook de ongemerkte lammeren werden dus niet buiten de telling gehouden. 4.7 De curator heeft ter onderbouwing van het aantal van 2869 dieren voorts gewezen op de steekproef die in het najaar van 2006 voor bloedonderzoek is gedaan bij dieren van [naam 5] , waarbij 14 van 147 dieren niet op de beslaglijst zouden voorkomen. Dit is echter geen omstandigheid op grond waarvan het hof het aantal inbeslaggenomen dieren hoger moet vaststellen dan in voornoemd proces-verbaal is gedaan. De steekproef vond pas maanden na de inbeslagname plaats (de e-mail waarin staat welke dieren tot de steekproef zouden kunnen gaan behoren dateert van 11 oktober 2006, productie D49). De inbeslaggenomen schapen waren toen vermengd met schapen van [naam 5] die daar uit (tussen)handel en andere bronnen dan het beslag terecht konden zijn gekomen. Het hof kan niet vaststellen dat de 14 genoemde diernummers zien op dieren die op 13 of 14 juli 2006 bij [de failliet] in beslag zijn genomen zonder toen te zijn meegeteld. 4.8 Het aanbod van de curator om te bewijzen dat op het bedrijf van [de failliet] ongenummerde lammeren aanwezig waren en wat het bedrijfsbeleid ter zake van de geboorteaanmeldingen was, passeert het hof, omdat de Staat niet heeft betwist dat er op het bedrijf ongenummerde lammeren aanwezig waren die eerst de tijd kregen om te groeien voordat zij een groot oormerk kregen en werden aangemeld. Zoals hiervoor onder 4.6 is opgemerkt is dit niet in tegenspraak met het aantal 1982 genoemd in het proces-verbaal van de inbeslagname. Rechtmatigheid van inbeslagname, vervoer en opvang en van afvoeren van 403 schapen 5.1 De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de inbeslagname. De curator heeft aangevoerd dat van aanvang af een rechtvaardiging voor de inbeslagname heeft ontbroken doordat het optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet en het ongeschreven recht. Daartoe heeft zij verwezen naar het verbod om – zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen daartoe toelaatbaar is – bij een dier pijn of letsel te veroorzaken (artikel 2.1 Dierenwet). De inbeslagname en opvang hebben veel stress, pijn en letsel veroorzaakt, doordat de dieren ’s-nachts in het donker, op grootschalig transport zijn gezet en uit hun vaste omgeving zijn gehaald (ondanks hoogdrachtigheid van ooien en zogende lammeren) en zijn ondergebracht in voor de schapen ongeschikte koeienstallen met roosters waar de schapenpoten kapot van gaan. Bovendien is transport van niet I&R geregistreerde schapen in strijd met de wet. Aldus de curator. 5.2 Het hof stelt dienaangaande voorop dat [de failliet] schuldig is bevonden aan strafbare feiten ten aanzien van de inbeslaggenomen dieren (zie onder 1.18) en dat vast staat (zie onder 1.14) dat de strafrechter bij onherroepelijke beschikking van 5 september 2006 het beklag van [de failliet] tegen de inbeslagname ongegrond heeft geoordeeld. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen moet het hof er daarom in deze civiele zaak van uitgaan dat het rechtmatig was om de hele veestapel (dus alle 1982 schapen en het rund) van het bedrijf van [de failliet] in beslag te nemen. Het hof gaat daarom voorbij aan de stellingen die ervan uitgaan dat de dieren op de bedrijfslocatie van [de failliet] hadden moeten blijven (zoals de stelling dat ze aldaar bekapt hadden kunnen worden). 5.3 Indien het afvoeren midden in de nacht, waarbij lammeren van de moederdieren werden gescheiden, onnodig dierenleed heeft toegebracht en daardoor in strijd was met de normen, zoals de curator stelt, geldt dat dit weliswaar onnodig belastend was voor de dieren, maar dat daarmee niet jegens de curator (of [de failliet] ) een rechtsnorm is geschonden op grond waarvan zij (of [de failliet] ) schadevergoeding kan vragen. Immers, uit niets blijkt dat de wijze van inbeslagneming schade aan de economische waarde van de veestapel heeft toegebracht. Daartoe overweegt het hof nog het volgende. 5.4 Aangenomen moet worden dat schapen (ook indien het er veel zijn en het nacht
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.