GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel Recht Zaaknummer : 200.208.738/01 Rolnummer Rechtbank : C/09/497151/HA ZA 15-1103 Arrest van 27 maart 2018 inzake [appellante] , gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. B.D.W. Martens. 1Het geding Bij exploot van 7 december 2016 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 7 september 2016 (hierna: het vonnis). [appellante] heeft een memorie van grieven (met producties) genomen waarbij tegen het vonnis vier grieven zijn aangevoerd. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord (met producties) die grieven gemotiveerd weersproken. Voorts heeft [appellante] twee nadere producties ingebracht waarna ter zitting van 29 januari 2018 partijen en hun advocaten hun standpunten nader hebben toegelicht en vragen van het hof werden beantwoord. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het hof wijst arrest op het reeds overgelegde kopie-procesdossier en het proces-verbaal, met inachtneming van de opmerkingen van [appellante] hierop van 23 februari 2018. 2De beoordeling 1. In het vonnis van 7 september 2016 heeft de rechtbank in twee gevoegde zaken uitspraak gedaan. Het onderhavige hoger beroep ziet op de zaak in eerste aanleg met rolnummer C/09/497151/HA ZA 15-1103. De gevoegde zaak van [naam onderneming] tegen [appellante] , waartegen geen hoger beroep is ingesteld, had in eerste aanleg het rolnummer C/09/508084 HA ZA 16-345. 2. De rechtbank heeft in het vonnis onder rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.24 feiten vastgesteld. Het hof gaat – voor zover die feiten in deze zaak van belang zijn – van de juistheid van deze feiten uit nu daartegen geen grieven of anderszins bezwaren zijn gericht. 3. Het hof gaat uit van de volgende feiten: [appellante] exploiteert een advocatenkantoor. [geïntimeerde] is enig bestuurder en tevens aandeelhouder van [beheermaatschappij 1] ( [beheermaatschappij 1] ). [geïntimeerde] is voorts (indirect via [beheermaatschappij 1] ) bestuurder van [dochter 1 beheermij. 1] (Adviesbureau) en [dochter 2 beheermij. 1] ( [dochter 2 beheermij. 1] ), beide dochtervennootschappen van [beheermaatschappij 1] . [geïntimeerde] is tevens aandeelhouder en enig bestuurder van [beheermaatschappij 2] en was indirect (via [beheermaatschappij 2] ) bestuurder van dochtermaatschappij [dochter beheermij. 2] ( [dochter beheermij. 2] ). Omstreeks 13 mei 2013 heeft [dochter beheermij. 2] opdracht gegeven aan [appellante] om haar belangen te behartigen in een geschil tussen [dochter beheermij. 2] en [Z] . In totaal heeft [appellante] voor haar werkzaamheden met betrekking tot dit geschil een bedrag van € 7.051,61 in rekening gebracht bij [dochter beheermij. 2] . Daarvan heeft [dochter beheermij. 2] een bedrag van € 3.886,25 voldaan, zodat een bedrag van € 3.165,36 resteert. Omstreeks 15 mei 2013 heeft [beheermaatschappij 1] opdracht gegeven aan [appellante] om haar belangen te behartigen in een geschil tussen Adviesburo en Nationale Nederlanden (hierna: NN). Dit geschil had betrekking op de uitkering van verzekeringspenningen wegens arbeidsongeschiktheid door NN aan (een medewerker van) Adviesburo. Voor haar werkzaamheden heeft [appellante] aan bedrag van € 423,50 bij Adviesbureau gedeclareerd. In september 2013 heeft [beheermaatschappij 1] aan [appellante] opdracht gegeven om haar te adviseren in twee gevoegde procedures bij het gerechtshof Den Haag tussen [geïntimeerde] en [dochter 2 beheermij. 1] als eisers enerzijds en [X] en aan hem gelieerde vennootschappen als gedaagden anderzijds (hierna: [X] ). Voor haar werkzaamheden heeft [appellante] een totaalbedrag van € 4.590,42 gedeclareerd bij [beheermaatschappij 1] . Inzet van dat geschil in die procedure waren al dan niet gesloten samenwerkingsovereenkomsten en de verdeling van de uit die overeenkomsten gerealiseerde winsten. Behandelend advocaat van de zijde van [geïntimeerde] en [dochter 2 beheermij. 1] was tot dat moment mr. [naam advocaat] . De nakomingsvorderingen van [geïntimeerde] en [dochter 2 beheermij. 1] waren door de rechtbank Rotterdam afgewezen, tegen welk oordeel [geïntimeerde] en [dochter 2 beheermij. 1] in hoger beroep waren gekomen. [beheermaatschappij 1] verzocht [appellante] haar te adviseren over een mogelijke aansprakelijkstelling van mr. [naam advocaat] en over de in hoger beroep te nemen stappen. Op het moment dat [beheermaatschappij 1] [appellante] deze opdracht gaf waren de memorie van grieven en de memorie van antwoord in de hoger beroepsprocedure reeds genomen. In de opdrachtbevestiging heeft [appellante] de door [beheermaatschappij 1] gegeven opdracht als volgt omschreven: “U heeft mij verzocht de rechtbankvonnissen en de in hoger beroep gewisselde processtukken te beoordelen teneinde u op basis daarvan mijn eerste indruk te geven over de haalbaarheid van een eventuele aansprakelijkstelling alsook over de eventueel nader in hoger beroep te ondernemen handelingen.” Het hof Den Haag heeft bij arrest van 22 juli 2014 de vonnissen van de rechtbank Rotterdam bekrachtigd, en onder meer het volgende overwogen en beslist: “(…) 4.4 [geïntimeerde] heeft geen feiten gesteld en onderbouwd waaruit volgt dat hij bij enige ABC-akte of -constructie inzake de projecten Barendrecht, Wateringse Veld en Dordrecht in privé als contractspartij is opgetreden. 4.5 Een en ander voert het hof tot de conclusie dat de tussen [geïntimeerde] en [X] gemaakte afspraak om met elkaar samen te werken in het tot stand brengen van op een ABC-akte berustende winstdelingsconstructies slechts te beschouwen is als een “gentlemen’s agreement”, waaruit geen verbintenissen met een civielrechtelijk karakter voortvloeien, (…). [geïntimeerde] kan aan deze afspraak mitsdien niet in privé een vorderingsrecht ontlenen zoals hij in deze gedingen geldend wil maken.(…).” In september 2013 heeft [beheermaatschappij 1] opdracht gegeven aan [appellante] om haar belangen te behartigen in een lopende procedure tussen Alternatieve Bouw en Ontwikkelingscombinatie Wateringse Veld B.V., een aan [geïntimeerde] gelieerde vennootschap (hierna: De Alternatieve), en [geïntimeerde] in privé enerzijds en de broers [Y] (hierna: [Y] ) anderzijds. Op het moment dat [appellante] de opdracht aanvaardde, stond de procedure voor pleidooi in eerste aanleg. Inzet van deze procedure was een door [Y] gevorderde vergoeding voor de door hem gemaakte werkelijke proceskosten in een eerder tussen De Alternatieve en [Y] gevoerde procedure. De rechtbank heeft die vordering bij vonnis van 25 juni 2014 deels toegewezen en De Alternatieve en [geïntimeerde] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 418.422,28 met rente. [geïntimeerde] is daarnaast veroordeeld tot betaling van € 20.775,11 met rente. Tegen dit vonnis hebben De Alternatieve en [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij arrest van 15 december 2015 de hoofdelijke veroordeling van De Alternatieve en [geïntimeerde] teruggebracht tot een bedrag van € 382.398,36 en het vonnis van de rechtbank voor het overige bekrachtigd. Voor haar werkzaamheden met betrekking tot dit geschil heeft [appellante] een totaalbedrag van € 38.438,82 bij [beheermaatschappij 1] in rekening gebracht. De declaraties van [appellante] zijn, behoudens het door [dochter beheermij. 2] betaalde bedrag genoemd onder iv, onbetaald gebleven. Daarop heeft [appellante] haar declaraties bij brief van 30 december 2013 ter begroting voorgelegd aan de Raad van Toezicht van de Amsterdamse Orde van Advocaten. Bij beslissing van 5 september 2011 heeft de Raad van Toezicht de declaraties inzake de zaak NN en de zaak [Z] in stand gelaten, de declaraties in de zaak [Y] gematigd tot € 30.141,10 inclusief btw en kantoorkosten en de declaraties in de zaak [X] gematigd tot € 3.719,54 inclusief btw en kantoorkosten. Bij beschikking van 20 november 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam een bevelschrift als bedoeld in artikel 37 Wtbz afgegeven voor de declaraties inzake de zaak [X] ad € 3.719,54 inclusief btw en kantoorkosten. Bij beschikking van 20 november 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam een bevelschrift als bedoeld in artikel 37 Wtbz afgegeven voor de declaraties inzake de zaak NN ad € 423,50 inclusief btw en kantoorkosten. Bij beschikking van 23 maart 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag het verzoek van [appellante] tot vaststelling van de declaraties inzake de zaak [Z] op het gedeclareerde restantbedrag van € 3.165,36 en het verzoek tot het afgeven van een bevelschrift afgewezen, omdat het geschil daarover tussen [beheermaatschappij 1] en [appellante] niet louter de hoogte van de declaraties betrof maar ook de kwaliteit van de verrichte werkzaamheden. Bij beschikking van 23 maart 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag het verzoek van [appellante] tot vaststelling van de declaraties inzake de zaak [Y] op het gedeclareerde bedrag van € 38.438,83 en het verzoek tot het afgeven van een bevelschrift afgewezen, omdat het geschil daarover tussen [beheermaatschappij 1] en [appellante] niet louter de hoogte van de declaraties betrof, maar ook de kwaliteit van de verrichte werkzaamheden. Daarbij heeft de voorzieningenrechter - kort gezegd - overwogen dat de Raad van Toezicht deze declaraties in redelijkheid niet had behoren te matigen, gelet op de specifieke bijzonderheden van de zaak [Y] . Bij verstekvonnis van 20 mei 2015 is [dochter beheermij. 2] veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 3.606,90, vermeerderd met verdere rente en kosten. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. [dochter beheermij. 2] is op 18 augustus 2015 failliet verklaard. Bij vonnis in verzet van 7 september 2016 (de in eerste aanleg gevoegde zaak met rolnummer C/09/508084 / HA ZA 16-345) is [beheermaatschappij 1] veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 38.438,88 vermeerderd met rente en kosten. Ook die uitspraak is in kracht van gewijsde gegaan. [appellante] heeft in eerste aanleg veroordeling gevorderd van [geïntimeerde] tot betaling van de openstaande facturen van € 3.719,54 inzake [beheermaatschappij 1] / [X] , € 423,50 inzake Adviesburo/NN, € 38.438,88 inzake [beheermaatschappij 1] / [Y] en € 3.606,90 inzake [dochter beheermij. 2] / [Z] , vermeerderd met rente en kosten waaronder nakosten. [appellante] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] als bestuurder van de betreffende contractspartijen aansprakelijk is jegens [appellante] op grond van onrechtmatige daad, nu hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de facturen van [appellante] . Subsidiair beroept [appellante] zich op ongerechtvaardigde verrijking. Bij vonnis van 7 september 2016 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] jegens [geïntimeerde] afgewezen en daartegen richt [appellante] zich met dit hoger beroep. De rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat [geïntimeerde] niet heeft weersproken dat uit de gedeponeerde jaarrekeningen van [beheermaatschappij 1] en [dochter beheermij. 2] volgt dat zij niet zelfstandig in staat waren aan hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten met [appellante] te voldoen, en dat de beide vennootschappen geen verhaal boden. De rechtbank heeft echter het verweer van [geïntimeerde] gehonoreerd dat hij gegronde redenen had om aan te nemen dat de vorderingen uiteindelijk zouden kunnen worden voldaan uit een miljoenenvordering die de dochtervennootschap van [beheermaatschappij 1] , [dochter 2 beheermij. 1] , had ingesteld tegen [X] op het moment van contracteren met [appellante] . Om die reden is aldus nog steeds de rechtbank, geen sprake van een persoonlijk ernstig verwijt van [geïntimeerde] . 3. [appellante] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis en alsnog toewijzing van de in eerste aanleg ingestelde vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Inclusief kosten gaat het om een totaalbedrag van € 55.795,46, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de verschillende opeisbaarheidsdata. [appellante] komt met de grieven 1 tot en met 3 – samengevat – op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] geen persoonlijk ernstig verwijt treft van het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de facturen van [appellante] en dat daarom geen sprake is van een onrechtmatige daad van [geïntimeerde] jegens [appellante] . Met grief 4 komt [appellante] op tegen de afwijzing van het beroep op ongerechtvaardigde verrijking. 4. [geïntimeerde] heeft de grieven gemotiveerd weersproken bij memorie van antwoord en tijdens de zitting. 5. Het gaat in deze zaak enkel nog om de vraag of [geïntimeerde] als direct dan wel indirect bestuurder van [beheermaatschappij 1] , Adviesburo en [dochter beheermij. 2] naast die vennootschappen aansprakelijk is jegens [appellante] (als schuldeiser) voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de facturen van [appellante] , die voortvloeien uit het inschakelen van [appellante] als advocaat. Verhaal op [beheermaatschappij 1] , Adviesburo en [dochter beheermij. 2] is tot dusver niet mogelijk gebleken en [appellante] richt daarom haar pijlen thans op [geïntimeerde] als (indirect) bestuurder, in privé. 6. [appellante] heeft met Grieven I en II betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] als bestuurder van [beheermaatschappij 1] , Adviesburo en [dochter beheermij. 2] geen persoonlijk ernstig verwijt treft van het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de declaraties. 6.1. Daartoe heeft [appellante] enerzijds gesteld dat [geïntimeerde] als enig aandeelhouder en (indirect) bestuurder van alle betrokken vennootschappen de opdrachten aan [appellante] heeft gegeven, terwijl hij wist althans behoorde te weten wat de financiële positie van de afzonderlijke vennootschappen was (schending van de Beklamel-norm). Voor zover [geïntimeerde] daarbij rekening heeft gehouden met een gunstige afloop van de procedure van [dochter 2 beheermij. 1] , geldt dat [dochter 2 beheermij. 1] nog geen onmiddellijk verhaal biedt voor schulden van [beheermaatschappij 1] of [dochter beheermij. 2] (tussen [dochter beheermij. 2] en [beheermaatschappij 1] bestaat zelfs geen concernrelatie), maar dat [geïntimeerde] – die aan de knoppen draait – daartoe bereid had moeten zijn. [geïntimeerde] had de financiële situatie aan [appellante] moeten meedelen, zodat [appellante] vervolgens haar eigen afweging had kunnen maken (b.v. alleen op voorschotbasis werkzaamheden uitvoeren), maar heeft dat nagelaten. 6.2. Aan de andere kant is volgens [appellante] de echte reden dat de declaraties onbetaald blijven ondanks de begrotingsbeslissing van de Raad van Toezicht, de beschikkingen van de rechtbank Amsterdam en de vonnissen van de rechtbank Den Haag dat [geïntimeerde] gewoonweg niet wil betalen. Het hof begrijpt deze grief van [appellante] aldus dat sprake is van – kortweg – verhaalsfrustratie of betalingsonwil, zoals [appellante] ter zitting van het hof ook heeft toegelicht. [appellante] heeft (ook in eerste aanleg) gesteld dat [geïntimeerde] simpelweg steeds volstaat met het betwisten van de betreffende facturen, en ook nu nog na vele (door [appellante] gewonnen) procedures weigert de declaraties te voldoen. Dit terwijl hij als bestuurder van [beheermaatschappij 1] de enige is die daartoe een betalingsopdracht kan doen. Alle geschetste omstandigheden bevestigen het beeld dat [geïntimeerde] zonder enige goede grond aan betaling van de declaraties probeert te ontkomen. Hierbij regelt [geïntimeerde] het steeds zo dat [appellante] als schuldeiser geen voor verhaal vatbaar vermogen in de vennootschappen aantreft. Ook thans in hoger beroep blijkt volgens [appellante] uit niets dat [beheermaatschappij 1] niet kan betalen (hetgeen [geïntimeerde] bij memorie van antwoord ook met zoveel woorden heeft betwist) zodat wel sprake moet zijn van betalingsonwil, en niet van betalingsonmacht, aldus nog steeds [appellante] . Het hof bespreekt eerst de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] met betrekking tot de vorderingen van [appellante] op [beheermaatschappij 1] en daarna de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] met betrekking tot de vorderingen van [appellante] op [dochter beheermij. 2] . Vorderingen met betrekking tot [beheermaatschappij 1] 7. [appellante] beroept zich allereerst op de norm dat een bestuurder een ernstig persoonlijk te maken valt wanneer de bestuurder de vennootschap verplichtingen laat aangaan terwijl die bestuurder wist of behoorde te weten dat de vennootschap die verplichtingen niet kon nakomen en geen verhaal zou bieden. Daarover overweegt het hof het volgende. 8. In de situatie zoals geschetst door de rechtbank heeft het er alle schijn van dat [geïntimeerde] al bij het aangaan van de overeenkomsten met [appellante] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Immers: indien [beheermaatschappij 1] alléén wanneer [dochter 2 beheermij. 1] de procedure tegen [X] zou winnen de facturen zou kunnen voldoen, impliceert dit dat bij verlies van die procedure de facturen niet zouden kunnen worden voldaan. Dit had [geïntimeerde] zondermeer aan [appellante] moeten meedelen (ook omdat [beheermaatschappij 1] in die situatie de facturen niet tijdig zou kunnen voldoen), zodat [appellante] haar eigen afweging had kunnen maken of zij onder die onzekerheid bereid was de overeenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.