ECLI:NL:GHDHA:2018:719
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel, team familie Zaaknummer : 200.199.517/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/470593 / HA ZA 15-196 arrest d.d. 16 januari 2018 inzake [de zus] , wonende te [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland te Den Haag, tegen [de broer] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. A.H. Vermeulen te Den Haag.
Het geding Bij exploot van 5 september 2016 is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis van 15 juni 2016, door de rechtbank Rotterdam tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde gewezen.
Bij memorie van grieven heeft appellante drie grieven geformuleerd.
Geïntimeerde heeft een memorie van antwoord genomen.
Door appellante is een akte uitlaten producties genomen, waarop geïntimeerde een antwoordakte heeft ingediend.
Partijen hebben arrest gevraagd, waarbij zij hun procesdossier hebben gefourneerd.
Beoordeling van het hoger beroep 1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen geen grieven zijn gericht.
Partijen zijn broer en zus van elkaar. Zij zijn, met nog twee zussen, de erfgenamen van hun [in] 2006 overleden moeder. Hun vader is al [in] 1980 overleden.
De ouders hebben de eigendom gehad van de nagelaten werken van de kunstschilder [naam schilder] . Deze werken zijn achtereenvolgens opgeslagen geweest op het kantoor van de vader van partijen en in het depot van het Museum het Mauritshuis te Den Haag. In de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft de museumdirectie besloten dat de werken uit het depot moesten worden verwijderd, waarna deze tot 26 januari 2010 in de woning van appellante – welke woning is genaamd [naam woning] – zijn opgeslagen.
Op 26 januari 2010 heeft appellante de werken aan geïntimeerde afgegeven om te worden tentoongesteld.
Van 18 juni tot en met 10 juli 2011 is er een tentoonstelling van deze werken met andere werken van deze kunstschilder geweest.
Per brief van 25 juni 2013 heeft de advocaat van appellante geïntimeerde gesommeerd tot teruggave van de aan hem uitgeleende werken. Geïntimeerde heeft geweigerd de werken aan appellante te retourneren en heeft deze opgeslagen.
Eigendom of bewaarneming?
Artikel 3:111 BW staat eraan in de weg dat de houder uit zichzelf een verandering brengt in de grondslag van zijn houderschap. Een wijziging van plan - in de hiervoor aangehaalde brief valt te lezen: “Derhalve hebben [de zus] (Hof: appellante) en ik enige tijd geleden een plan opgesteld om de werken van [naam schilder] die op [naam woning] zijn, een plaats te geven in ons nieuwe huis en wel dusdanig dat zij (Hof: de vier zonen van appellante en haar echtgenoot) ook iets zullen erven van hun moeders kant”- blijft voor het houderschap zonder gevolg. Datzelfde geldt voor zover sprake zou zijn geweest van een eigen wilsbesluit van appellante om voor zichzelf te gaan houden.
Bruikleenovereenkomst 10. Komt appellante als bewaarneemster de bevoegdheid toe aan haar in bewaring gegeven goederen in bruikleen te geven? Een bewaarnemer mag een zaak in beginsel niet gebruiken of aan een ander in bewaring geven.
Artikel 7:603 BW bepaalt dat de bewaarnemer de zaak slechts mag gebruiken voor zover de bewaargever daarvoor toestemming heeft gegeven, of het gebruik nodig is om de zaak in goede staat te houden of te brengen. Appellante stelt dat zij de schilderijen op verzoek van geïntimeerde aan hem in bruikleen heeft gegeven voor een tentoonstelling. Blijkens de geschetste gang van zaken waren alle erfgenamen op de hoogte van deze tentoonstelling en stonden zij hierachter. Appellante moet derhalve geacht worden met toestemming van de betrokkenen de overeenkomst van bruikleen te zijn aangegaan. Geïntimeerde betwist dat sprake is van een bruikleenovereenkomst: hij stelt dat slechts sprake is van een feitelijke verandering van het houderschap.
Voor zover hij daarmee betwist dat een rechtshandeling ten grondslag ligt aan deze wijziging in het houderschap gaat dit niet op: niet weersproken is dat bij appellante sprake is geweest van een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Zij heeft de schilderijen voor de tentoonstelling beschikbaar willen stellen aan geïntimeerde. Gesteld noch gebleken is dat de wil van appellante er op gericht was haar bewaarnemerschap te beëindigen. Het stond geïntimeerde niet vrij, toen hij de schilderijen krachtens de bruikleenovereenkomst onder zich had, door een enkel wilsbesluit aan zijn kant zelf houder of bewaarnemer van de schilderijen voor de erfgenamen te worden: ook hier staat artikel 3:111 BW aan in de weg.
Dat de schilderijen tot de nalatenschap van de moeder behoren maakt dit niet anders. Voor beëindiging van de bewaarnemingsovereeenkomst is de instemming van de gezamenlijke erfgenamen, waaronder appellante, nodig.
Proceskosten 12. Gelet op de familieverhouding tussen partijen en de aard van het geschil acht het hof het aangewezen de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, tussen partijen te compenseren, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
Beslissing Het hof: vernietigt het bestreden vonnis; en opnieuw rechtdoende: veroordeelt geïntimeerde tot afgifte aan appellante van de schilderijen en grafische werken van [naam schilder] , zoals vermeld op de aan dit arrest gehechte lijst, met uitzondering van het onder 1 genoemde werk, binnen één week na betekening van dit arrest; bepaalt dat geïntimeerde een dwangsom van € 1.000,- per dag verbeurt, voor iedere dag dat geïntimeerde niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-; verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, J.A. van Kempen en I. Obbink-Reijngoud en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2018 in aanwezigheid van de griffier.