GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.220.158/01 Beschikking van 3 april 2018 inzake 1Ontwikkelingsmaatschappij Vicarus Breda C.V., 2. Vicarus B.V., beide gevestigd te Rotterdam, verzoeksters, hierna gezamenlijk te noemen: Vicarus, advocaat: mr. Th.F. Roest te Haarlem, tegen 1Vereniging van Eigenaars HereN van Breda te Breda, 2. Vereniging van Eigenaars Parkeerplaatsen HereN van Breda te Breda, beide gevestigd te Breda, verweersters, hierna gezamenlijk te noemen: de VvE’s, advocaat: mr. F. Dijkslag te Amersfoort. Het verloop van het geding Bij verzoekschrift van 26 juli 2017 (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 27 juli 2017, heeft Vicarus schorsing van de tenuitvoerlegging van het tussen partijen gewezen arbitraal tussenvonnis en eindvonnis verzocht. Door de VvE’s is vervolgens een verweerschrift (met producties) ingediend dat bij het hof is ingekomen op 10 oktober 2017. Partijen hebben hun standpunten uiteengezet ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 22 februari 2018, Vicarus door mr. Roest, voornoemd, en de VvE’s door mr. Dijkslag, voornoemd. Ten slotte is datum bepaald voor uitspraak van de te geven beschikking. De beoordeling van het verzoek 1. Tussen de VvE’s en Vicarus is een arbitraal geding gevoerd bij de Geschillencommissie Garantiewoningen (hierna: de Geschillencommissie) over diverse lekkages in de parkeergarage die deel uitmaakt van het complex van de VvE’s . Vicarus heeft zich in dat geding (onder meer) op het standpunt gesteld dat de vordering van de VvE’s op grond van art. 7:761 BW is verjaard. 2. Bij arbitraal tussenvonnis van 4 mei 2016 heeft de Geschillencommissie de VvE’s in de gelegenheid gesteld om schriftelijk aan te tonen dat na 12 juni 2013 door de VvE’s of een van haar leden is verzocht tot herstel van de lekkages over te gaan en dat daarmee de termijn van twee jaren ten tijde van het indienen van de klacht bij de commissie is gestuit. 3. De VvE’s hebben vervolgens een brief van 10 januari 2014 en een brief van 9 januari 2015 gericht aan Ontwikkelingsmaatschappij Vicarus Breda overgelegd. Vicarus heeft de ontvangst van deze brieven betwist en heeft er voorts op gewezen dat de brieven (in elk geval) niet aan Vicarus B.V. zijn gericht en verzonden. 4. Bij arbitraal tussenvonnis van 26 juli 2016 heeft de Geschillencommissie op dit punt geoordeeld dat de VvE’s met het overleggen van de brieven van 10 januari 2014 en 9 januari 2015 voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat hun rechtsvordering niet is verjaard. Ten aanzien van Vicarus B.V. is overwogen dat zij op grond van het gestelde in artikel 20 Wetboek van Koophandel aansprakelijk is voor de verplichtingen van Ontwikkelingsmaatschappij Vicarus Breda C.V. De Geschillencommissie heeft vervolgens een deskundigenonderzoek gelast. 5. Bij arbitraal eindvonnis van 19 april 2017 is Vicarus (onder meer) veroordeeld (II) tot het verrichten van onderzoek naar de oorzaak of oorzaken van de lekkages waarvan de conclusies binnen zes maanden na dagtekening van het arbitrale vonnis schriftelijk worden vastgelegd op straffe van een dwangsom van € 500 per dag (met een maximum van € 40.000) en (III) tot het verrichten van zodanige werkzaamheden dat alsnog wordt voldaan aan de garantienormen, alsmede tot het verrichten van alle hieruit voortvloeiende noodzakelijke bijkomende werkzaamheden. De werkzaamheden dienen uiterlijk binnen acht maanden na oplevering van de schriftelijke vastlegging van de conclusies van het uit te voeren onderzoek te zijn uitgevoerd. 6. Bij dagvaarding van 17 juli 2017 heeft Vicarus bij dit hof een vordering tot vernietiging van het arbitraal tussenvonnis van 26 juli 2016 en het arbitraal eindvonnis van 19 april 2017 ingesteld. In die procedure waren (ten tijde van de mondelinge behandeling in de onderhavige zaak) de conclusie van antwoord en repliek reeds genomen. 7. Vicarus heeft in de onderhavige procedure op de voet van art. 1066 lid 2 Rv verzocht om de tenuitvoerlegging van het arbitraal tussen- en eindvonnis te schorsen totdat op de vordering tot vernietiging onherroepelijk is beslist. Het hof merkt daarbij op dat, nu het deskundigenonderzoek dat bij arbitraal tussenvonnis werd gelast, reeds is uitgevoerd en ook het onderzoek waartoe Vicarus onder (II) werd veroordeeld inmiddels heeft plaatsgevonden, Vicarus bij die onderdelen geen belang meer heeft. De VvE’s hebben nog aangevoerd dat Vicarus ook geen belang heeft bij schorsing van de veroordeling onder (III) tot herstel van de gebreken omdat daaraan niet het verbeuren van dwangsommen of een andere sanctie is verbonden. De VvE’s kunnen dus deze veroordeling in het geheel niet ten uitvoer leggen. Het hof volgt dit betoog niet. Op Vicarus rust, ook zonder dat daarop een sanctie is gesteld, de afdwingbare verplichting om binnen de in het arbitraal vonnis gestelde termijn de veroordeling tot herstelwerkzaamheden na te komen. In zoverre heeft Vicarus wel degelijk een belang bij de schorsing van de veroordeling onder (III). Volgens Vicarus dient voorkomen te worden dat zij onnodig kosten maakt. 8. Het hof stelt voorop dat bij het schorsingsverzoek beslissend is de beoordeling van de kans van slagen van de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis. Tevens dienen de belangen van partijen afgewogen te worden (HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2314, NJ 1998, 206). Daarbij moet rekening worden gehouden met de regel dat de rechter bij zijn onderzoek of er grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis bestaat terughoudendheid moet betrachten. De vernietigingsprocedure mag immers niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep. Het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging brengt mee dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen (HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AK8380, NJ 2005, 190). 9. Vicarus heeft de volgende vernietigingsgronden aangevoerd. De Geschillencommissie heeft
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.