← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2019:1069

GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.245.427/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 17-2440 zaaknummer rechtbank : C/09/529908 beschikking van de meervoudige kamer van 10 april 2019 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. H.P. Schouten te 's-Gravenhage, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. E.J. Lievense te Rotterdam. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De man is op 5 september 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De vrouw heeft op 23 november 2018 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: een journaalbericht van de zijde van de man van 31 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 5 november 2018; een journaalbericht van de zijde van de man van 12 maart 2019 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum. 2.4 De advocaat van de man heeft het hof bij journaalbericht van 21 maart 2019, ingekomen bij de griffie van het hof op diezelfde datum om 20.18 uur, laten weten dat de man het hoger beroep wenst in te trekken. 2.5 Gelet op het late tijdstip van intrekking, heeft de mondelinge behandeling van 22 maart 2019 doorgang gevonden teneinde vast te stellen of het intrekkingsverzoek van de man tijdig en juist is gedaan. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man en zijn advocaat zijn niet verschenen. 3De motivering van de beslissing 3.1 De mondelinge behandeling van de zaak stond op 22 maart 2019 en wel om 9.00 uur. Kort voor de aanvang van de mondelinge behandeling vernam het hof van de griffie dat de man zijn appel had ingetrokken. De advocaat van de vrouw en de vrouw zelf waren verschenen aangezien zij er niet zeker van waren dat een rechtsgeldige intrekking had plaatsgevonden. Ondanks dat het hof de handelwijze van de man met betrekking tot de intrekking onzorgvuldig acht, oordeelt het hof dat de intrekking is geschied conform artikel 2 van het Bestuursreglement van het gerechtshof Den Haag en de artikelen 1.1.5 en 1.2.8 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. De handelwijze van de man heeft voor de vrouw wel onnodige kosten met zich gebracht. Het zou de man sieren indien hij deze kosten aan de vrouw zal vergoeden. Nu de procedure is ingetrokken en de vrouw haar verzoek om een kostenveroordeling eerst na deze intrekking aan het hof heeft voorgelegd, kan het hof geen kostenveroordeling meer uitspreken. 3.2 Het hof maakt uit voormelde intrekking op dat de man de gronden van het hoger beroep niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof het verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren. 3.3 Dit alles leidt tot de volgende beslissing. 4De beslissing Het hof, in hoger beroep: verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, A.N. Labohm en J. Zwagemaker, bijgestaan door mr. T. de Witte-Renkema als griffier, en is op 10 april 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.