GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.255.246/02 rekestnummer rechtbank : FA RK 18-2064 zaaknummer rechtbank : C/09/550101 beschikking van de meervoudige kamer van 10 april 2019 in het incidentele verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. I.J. van Meggelen te Spijkenisse. Als belanghebbende is aangemerkt: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. M.J. Boers te ’s-Gravenzande, gemeente Westland. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking. Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang en met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 7 januari 2015, waarvan het echtscheidingsconvenant van 10 december 2014 deel uitmaakt: de door de man met ingang van 1 januari 2018 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) op € 1.040,- bruto per maand bepaald, vanaf 19 december 2018 telkens bij vooruitbetaling te voldoen; bepaald dat de vrouw hetgeen zij als gevolg van de bestreden beschikking vanaf 1 januari 2018 te veel van de man heeft ontvangen aan partneralimentatie aan de man dient terug te betalen. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2Het geding in hoger beroep met betrekking tot het verzoek tot schorsing 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties van de zijde van de vrouw, ingekomen op 27 februari 2019, tevens houdende een verzoek tot schorsing; - het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing met productie van de zijde van de man, ingekomen op 21 maart 2019. De hoofdzaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200. 255.246/01, de schorsingszaak onder zaaknummer 200.255.246/02. 2.2 Partijen hebben het hof desgevraagd meegedeeld - de vrouw bij journaalbericht van 26 maart 2019 en de man bij journaalbericht van 27 maart 2019 - dat het schorsingsverzoek op de stukken kan worden afgedaan. 3De motivering van de beslissing 3.1 Aan de orde is het verzoek van de vrouw schorsing te bevelen van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking. Uit de desbetreffende tekst van het beroepschrift begrijpt het hof dat het onderhavige schorsingsverzoek alleen de beslissing ten aanzien van de terugbetaling van de als gevolg van de bestreden beschikking te veel ontvangen partneralimentatie betreft. Vóór de bestreden uitspraak van de rechtbank bedroeg de (geïndexeerde) partneralimentatie € 1.994,60 per maand, per 1 januari 2018 is dit € 1040,- per maand. 3.2 In haar beroepschrift voert de vrouw twee gronden aan voor haar schorsingsverzoek. Ten eerste stelt zij dat zij in een zeer benarde financiële situatie zal geraken als zij hetgeen zij volgens de rechtbank teveel aan partneralimentatie heeft ontvangen ineens of in termijnen aan de man moet voldoen, omdat zij de ontvangen partneralimentatie heeft geconsumeerd. Zij berekent het betreffende bedrag op € 11.455,20. Ten tweede stelt de vrouw dat haar terugbetalingsverplichting in hoger beroep zal worden teruggedraaid dan wel aangepast. 3.3 De man voert hiertegen gemotiveerd verweer. Volgens de man toont de vrouw niet aan dat zij door executie van de bestreden beschikking in een zeer benarde financiële situatie zal geraken. Bovendien is geen sprake van executie, maar is de man overgegaan tot verrekening. De man houdt ter zake zijn vordering op de vrouw maandelijks € 250,- in op de per 1 januari 2018 door hem verschuldigde, verlaagde partneralimentatie. Nu de vrouw naast de resterende partneralimentatie nog een WAO-uitkering en een ouderdomspensioen ontvangt, is van een financiële noodtoestand aan haar zijde geen sprake. In de opinie van de man heeft de vrouw mede geen belang bij haar schorsingsverzoek, omdat de man ook in geval van schorsing mag blijven verrekenen. 3.4 Het hof overweegt als volgt. Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 3.5 Het hof stelt het volgende voorop. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.