ECLI:NL:GHDHA:2019:1265
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.249.212/01 Zaaknummer rechtbank : 7121151 RP VERZ 18-50448 Beschikking van 12 maart 2019 inzake [appellante], gevestigd te [plaats] , appellante, hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. J.A. Huijgen te Den Haag, tegen Unibail - Rodamco Nederland Winkels B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: Unibail, advocaat: mr. J.A. le Clercq te Amsterdam.
De procedure Bij op 8 november 2018 door het hof ontvangen beroepschrift tevens houdende verzoek tot schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad ex artikel 360 lid 2 Rv is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gegeven beschikking van 5 november 2018. [appellante] heeft hierbij drie grieven aangevoerd. Bij op 11 januari 2019 bij het hof ingekomen verweerschrift (met productie) heeft Unibail de grieven bestreden.
Vervolgens heeft op 4 februari 2019 de mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij beide partijen aan de hand van schriftelijke aantekeningen de standpunten nader hebben doen toelichten. Vervolgens is uitspraak bepaald.
Beoordeling van het hoger beroep 1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1 [appellante] runt een eenmanszaak voor de verkoop van GSM accessoires en reparaties. Zij huurt daartoe sinds 1 december 2011 winkelruimte aan de [adres 1] in het winkelcentrum [naam] te [plaats] . Deze winkelruimte huurt zij in onderhuur van Dames en Herenkapsalon [naam VOF] (hierna: [naam VOF] ), die de winkelruimte op haar beurt weer huurt van Unibail.
1.2 Ter uitbreiding van haar winkel heeft [appellante] in december 2014 met Unibail een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de naast [adres 1] gelegen winkelruimte aan de [adres 2] (hierna: het gehuurde) tegen een huurprijs van € 5.800,- (ex BTW) per jaar.
1.3 De huurovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen: “Artikel 3 – Duur, opzegging 3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor korte duur. In artikel B van deze overeenkomst is de duur van de huurperiode, alsmede de ingangsdatum en einddatum opgenomen. De huurovereenkomst eindigt op de in dit artikel bedoelde einddatum van rechtswege zonder dat opzegging is vereist.
3.2 De verhuurder heeft het recht deze overeenkomst tussentijds te doen beëindigen door opzegging, met inachtneming van een opzegtermijn van drie kalendermaanden, zonder dat daarvoor bijzondere opzeggingsgronden vereist zijn. Opzegging geschiedt schriftelijk en per aangetekende post.
3.3 Huurder is zich er van bewust dat deze huurovereenkomst is aangegaan voor korte duur als bedoeld in artikel 7:301 BW en dat verhuurder uitdrukkelijk niet de bedoeling heeft een huurovereenkomst aan te gaan waarop de artikelen 7:291-300 BW van toepassing zijn, tenzij zulks expliciet alsnog schriftelijk wordt overeengekomen. Huurder is zich er voorts bewust van het feit dat hij geen aanspraak zal kunnen maken op enige vorm van huur-, termijn- of ontruimingsbescherming. Huurder verklaart het gehuurde op de einddatum van deze huurovereenkomst als bedoeld in artikel 3.1 en/of 3.2 tijdig, leeg en ontruimd aan verhuurder op te leveren. Indien huurder het gebruik van het gehuurde na afloop van deze huurovereenkomst zonder schriftelijke toestemming van verhuurder voortzet, zonder dat verhuurder daartegen expliciet protesteert, kan huurder daar geen rechten aan ontlenen.” en “B Artikel 3.1 Ingangsdatum huurovereenkomst Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de in artikel 3.1 genoemde periode, ingaande op 1 januari 2015 en lopende tot en met 30 december 2016. (….)”
1.4 Bij aangetekende brief van 30 september 2016 heeft Unibail [appellante] als volgt bericht: “(…) U huurt van Unibail-Rodamco de winkelruimte aan de [adres 2] te [plaats] , deel uitmakend van het Winkelcentrum [naam] (“het gehuurde”). Middels deze brief wil u er nogmaals op attenderen dat de huurovereenkomst eindigt op 30 december 2016.
Het gehuurde dient tijdig en conform de afspraken in de huurovereenkomst opgenomen opgeleverd te worden. (…)”
1.5 Bij aangetekende brief van 9 maart 2017 heeft Unibail [appellante] onder meer het volgende bericht: “Tussen partijen is beëindiging van de huurovereenkomst overeengekomen met als einddatum 31 december 2016. Uiterlijk op diezelfde datum diende u het gehuurde op te leveren aan Unibail-Rodamco. Daar heeft u niet aan voldaan en bent u nog steeds mee in verzuim.
De ontruiming heeft Unibail-Rodamco niet andermaal aangezegd aangezien de beëindiging van de (hoofd/onder)huurovereenkomst van het andere gedeelte va uw winkelruimte thans onder de rechter is. Naar alle waarschijnlijkheid zal de rechter in maart of april 2017 eindvonnis wijzen, en de beëindigingsdatum van de (hoofd/onder)huurovereenkomst op 1 september 2017 gefixeerd wordt. Tot die tijd kan het gehuurde worden geëxploiteerd onder betaling van een gebruiks-/schadevergoeding gelijk aan de thans geldende huursom, voorschot servicekosten en promotiebijdrage per maand te vermeerderen met btw en indexering.
Unibail-Rodamco wil nog wel benadrukken dat dit geenszins kan worden gezien als het afstand doen (of hebben gedaan) van ons recht tot wederopleving van het gehuurde. Indien mocht blijken dat een regeling niet haalbaar is, of het nog te wijzen vonnis niet in kracht van gewijsde gaat en/of een andere beëindigingsdatum in zal houden dan bovengenoemd, dan zal Unibail-Rodamco alsnog van u verlangen per omgaande te ontruimen. Van enige stilzwijgende voortzetting van de huurrelatie kan nimmer sprake zijn.”
1.6 [appellante] heeft het maandelijks voor het gehuurde verschuldigde bedrag onafgebroken voldaan.
1.7 Unibail heeft bij brief van 10 juli 2018 aan [appellante] bericht de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan [adres 2] (voor zoveel nodig) op te zeggen tegen 10 oktober 2018.
1.8.
Bij dagvaarding van 23 juli 2018 heeft Unibail in een procedure op de voet van artikel 254 Rv ontruiming van het gehuurde gevorderd. Bij vonnis van 29 augustus 2018 is de gevraagde voorziening geweigerd.
1.7 Bij (op dit punt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard) arrest van dit hof van 20 november 2018 in de procedure tussen Unibail en [naam VOF] is de datum waarop de huurovereenkomst tussen Unibail en [naam VOF] zal eindigen op 1 februari 2019 bepaald en is [naam VOF] veroordeeld om uiterlijk op genoemde datum de ruimte aan de [adres 3] te [plaats] te ontruimen, (onder)huurders (zoals [appellante] ) daarbij inbegrepen. Tegen dit arrest is cassatie ingesteld.
Beslissing Het hof:
Deze beschikking is gewezen door mrs. M.P.J. Ruijpers, M.A.F. Tan-de Sonnaville en J.N. Blécourt en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2019 in aanwezigheid van de griffier.