← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2019:1296

Rolnummer: 22-002651-15 Parketnummer: 09-766011-13 Datum uitspraak: 23 april 2019 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2015 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, adres: [woonadres] te [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 29 januari 2019, 4, 5, 6, 12, 18, 19, 20 en 27 februari 2019, 6, 7, 19 en 25 maart 2019 en 9 april 2019. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het impliciet cumulatief onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het impliciet cumulatief onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 3 jaren. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit arrest gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest. De verdenking komt er – samengevat – op neer dat de verdachte zich al dan niet tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan het beïnvloeden van twee getuigen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van strafbare beïnvloeding van de verklaringsvrijheid van zowel [getuige 1] als [getuige 2] zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Zo komt het hof tot een meeromvattende bewezenverklaring dan de rechtbank, hetgeen ook zijn weerslag vindt in de hoogte van de op te leggen straf. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich aangesloten bij de verweren “zoals gevoerd in de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met betrekking tot de getapte geheimhoudersgesprekken”. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat deze verweren ook de zaak van de verdachte raken, omdat het één groot opsporingsonderzoek betreft (Waterstof) en aan de verdachte het medeplegen van strafbare feiten met [medeverdachte 1] ten laste is gelegd. Het hof begrijpt het standpunt van de verdediging aldus dat het enkele optreden van vormverzuimen in de zaken van één of meer medeverdachten meebrengt dat daarmee het gehele onderzoek Waterstof ‘besmet’ is geraakt en voor alle verdachten in dat onderzoek derhalve dezelfde gevolgen daarvan zouden moeten gelden. Een nadere toelichting, concretisering of onderbouwing van dit standpunt is door de raadsman niet verstrekt. Voor zover het genoemde verweer daar al niet op afstuit voegt het hof hier het volgende aan toe. Niet in geschil is dat in het opsporingsonderzoek onder de naam Waterstof telefoongesprekken tussen een ander dan de verdachte enerzijds en geheimhouders anderzijds zijn afgeluisterd en opgenomen, terwijl de opnamen van die gesprekken niet terstond zijn vernietigd. Ook is niet in geschil dat daarmee het bepaalde in het tweede lid van artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is geschonden en dat dat in dit geval een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert. De opvatting dat dit verzuim op zichzelf dermate ernstig is dat dit reeds daarom de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het gehele onderzoek Waterstof tot gevolg dient te hebben, wordt door het hof verworpen. De vraag is of, en zo ja, welke rechtsgevolgen dan aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beoordeling hiervan dient het hof rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de ambtenaren die met de opsporing of vervolging zijn belast doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van enige medeverdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn (of haar) zaak hebben tekortgedaan. In het bijzonder omdat niet aannemelijk is geworden dat er nader onderzoek is verricht naar aanleiding van de inhoud van de hier bedoelde telefoongesprekken, is niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de zaak van enige medeverdachte niet aan de orde, ook niet partieel. Overigens is gesteld noch gebleken dat in de zaak van de verdachte zelf enig vormverzuim heeft plaatsgevonden of dat hij door die in andere zaken gepleegde schending concreet enig nadeel heeft ondervonden. Geen van de geheimhoudersgesprekken is bij hem immers gebruikt of zal bij hem worden gebruikt voor het bewijs en het is niet aannemelijk geworden dat de gesprekken op enigerlei wijze sturing hebben gegeven aan het opsporingsonderzoek naar de feiten waarvoor de verdachte thans wordt vervolgd, te weten de beïnvloeding van de verklaringsvrijheid van twee getuigen. Gelet op de beperkte ernst van het verzuim, voor zover zich dat (in de zaken van medeverdachten) heeft voorgedaan, en het ontbreken van enig nadeel daarvan voor de verdachte zal aan het (in de zaken van medeverdachten gepleegde) verzuim in de zaak van verdachte geen gevolg worden verbonden, ook niet bij de strafmaat. Het hof zal daarom volstaan met de constatering van het verzuim. De verdediging heeft zich bij dupliek nog aangesloten bij de overige door de medeverdachten (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweren, maar daar gaat het hof aan voorbij, nu de relevantie van deze verweren voor de onderhavige zaak op geen enkele manier is toegelicht of onderbouwd, ook niet bij appelmemorie waarnaar zij verwijst. Dat geldt ook voor zover de verdediging zich bij dupliek heeft aangesloten bij het namens deze medeverdachten gedane verzoek aan het hof om de inhoud en de juistheid van de verwijzingsbeslissing van 18 februari 2015 te toetsen. Onderzoekwensen De in de appelschriftuur opgenomen, niet onderbouwde en, met uitzondering van de getuige [getuige 1] niet toegelichte verwijzing naar de getuigenverzoeken van de medeverdachte [medeverdachte 1] kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een opgave van getuigen als bedoeld in artikel 410, derde lid, Sv. Het hof heeft bij beslissing van 11 mei 2017 het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] toegewezen en alle overige verzoeken – voor zover gedaan – afgewezen. Het hof constateert dat de getuige [getuige 1] door de raadsheer-commissaris is gehoord en dat de raadsman nadien ter terechtzitting (voorwaardelijk) heeft verzocht de getuige [getuige 2] en opnieuw de getuige [getuige 1] te horen. Hierop zal in het arrest worden teruggekomen. Het hof constateert dat overigens geen verzoek is herhaald of gedaan. Aanhouding van de verdachte op 7 maart 2019 De verdediging heeft voorts per e-mail d.d. 1 april 2019 (en daarop aanvullend op de zitting van 9 april 2019 mondeling toegelicht) verzocht om het Openbaar Ministerie de opdracht te geven om duidelijkheid te verschaffen omtrent de aanhouding van de verdachte op 7 maart 2019. Het hof ziet hiertoe geen aanleiding, omdat niet valt in te zien op welke wijze de aanhouding van de verdachte op 7 maart 2019 relevant zou zijn in de onderhavige zaak voor enige in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen. Het hof wijst het verzoek daarom af. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Ten aanzien van [getuige 1] hij, in of omstreeks de periode van 11 januari 2012 tot en met 27 januari 2012 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich opzettelijk mondeling en/of door gebaren jegens [getuige 1] en/of [getuige 2] heeft/hebben geuit, kennelijk (telkens) om diens/hun vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar een verklaring(

  1. en)af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij en/of zijn mededader(
  2. s)wist(
  3. en)of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring(
  4. en)zou(den) worden afgelegd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - [getuige 1] (meermalen) bezocht en/of gebeld met instructies voor de verklaring(
  5. en)die hij, [getuige 1] , bij de politie moest afleggen (p. 479/482/490/490) en Ten aanzien van [getuige 2] hij, in of omstreeks de periode van 11 januari 2012 tot en met 22 maart 2012 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich opzettelijk mondeling en/of door gebaren jegens [getuige 1] en/of heeft/hebben geuit, kennelijk (telkens) om diens/hun vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar een verklaring(
  6. en)af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij en/of zijn mededader(
  7. s)wist(
  8. en)of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring(
  9. en)zou(den) worden afgelegd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - [getuige 2] (meermalen) bezocht en/of gebeld en/of [getuige 2] medegedeeld dat die [getuige 2] gezocht werd door de politie en/of dat hij, [getuige 2] , zich niet moest melden bij de politie en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  10. s)voornoemde [getuige 2] , naar een ander adres gebracht en/of hem, [getuige 2] , medegedeeld dat hij niet voor de politie mocht/moest opendoen (p.1443/1453). Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverwegingen Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman het verweer gevoerd dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is – kort gezegd – door de raadsman aangevoerd: de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn onbetrouwbaar en tegenstrijdig en daardoor niet bruikbaar voor het bewijs; er is geen steunbewijs naast de verklaringen van respectievelijk [getuige 1] en [getuige 2] ; de opmerkingen die de verdachte jegens [getuige 1] en [getuige 2] volgens hun verklaringen zou hebben gemaakt kunnen niet worden gekwalificeerd als beïnvloeden van de vrijheid om naar waarheid en geweten te verklaren als bedoeld in artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het hof overweegt hierover als volgt. Ad 1. Het hof is op grond van het hierna overwogene van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De verklaringen van [getuige 1] Het hof overweegt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] als volgt. Tijdens zijn tweede politieverhoor op maandag 23 januari 2012 heeft [getuige 1] verklaard (p. 13 en 14) dat hij ‘donderdag’ van [verdachte] te horen heeft gekregen dat hij moest zeggen dat hij het geld had verdiend met zijn pand in de [straat] en dat hij dit geld zou steken in de panden van [medeverdachte 1] en dat ze de winst zouden delen bij de verkoop. Het hof begrijpt dit zo, dat die instructie hem op de donderdag voorafgaande aan het eerste politieverhoor op dinsdag 17 januari 2012, te weten op donderdag 12 januari 2012, is gegeven. Dat vindt ook steun in de hierna te bespreken verklaring van [getuige 1] ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Dat [getuige 1] verder tijdens het tweede politieverhoor niet heeft verklaard over de aanwezigheid van [medeverdachte 3] en de echtgenoot van [medeverdachte 3] daarbij, maar dit tijdens latere verhoren wel heeft gedaan, doet niets af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring wat betreft de door [verdachte] gegeven instructies, nu uit het tweede politieverhoor niet blijkt dat hier expliciet naar is gevraagd. Tijdens het tweede politieverhoor heeft [getuige 1] verder verklaard (p. 5) dat de verdachte hem op 18 januari 2012, dus een dag na het eerste politieverhoor op 17 januari 2012, heeft gebeld en heeft verzocht om even naar buiten te komen, waarna de verdachte vroeg wat hij had gezegd bij het verhoor. Daarop heeft [getuige 1] gezegd “Wat ik moest zeggen van jou”. Dat [getuige 1] het hierbij over een donderdag heeft, acht het hof in dat verband een kennelijke vergissing, nu hij op de vraag die daarna wordt gesteld antwoordt met de exacte datum en het exacte tijdstip van het door de verdachte met hem opgenomen telefonische contact. Uit zowel het tweede als het derde politieverhoor van [getuige 1] op 27 januari 2012 blijkt dat de verdachte daarnaast óók op dinsdag 10 januari 2012, de dag waarop de medeverdachte [medeverdachte 1] was opgepakt, bij [getuige 1] langs is geweest. Tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris bevestigt [getuige 1] dit nogmaals (punt 28) en hij verklaart daarbij dat de verdachte op dat moment niet heeft gesproken over wat hij bij de politie moest verklaren. Bij het derde politieverhoor (p. 2) en bij de raadsheer-commissaris (punt 6) verklaart [getuige 1] eveneens over de aan hem gegeven instructies, en ook, wat die laatste verklaring betreft, dat de verdachte op de dag waarop de medeverdachte [medeverdachte 1] was opgepakt bij hem langs is geweest om dat te melden, en dat hij “de volgende dag of de dag erna” van de verdachte in aanwezigheid van diens zuster en haar vriend instructies heeft gekregen om niet met de politie te praten en over wat hij zou moeten verklaren, mocht de politie hem toch willen spreken. Dat [getuige 1] tijdens zijn eerste verhoor bij de politie niet naar waarheid heeft verklaard, doet niets af aan de betrouwbaarheid van zijn latere verklaringen over het ten laste gelegde. Tijdens die als eerste afgelegde verklaring verklaart [getuige 1] immers nu juist overeenkomstig de instructies die de verdachte hem had gegeven. Gelet op het bovenstaande acht het hof de voor het bewijs te bezigen verklaringen van [getuige 1] op de essentiële punten consistent en betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs. De omstandigheid dat [getuige 1] een medeverdachte was, doet daar niets aan af, te meer omdat hij tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris geen verdachte meer was. Het hof verwerpt het verweer. De raadsman heeft verzocht om [getuige 1] ter terechtzitting te horen als getuige indien het hof de verklaringen van [getuige 1] tot het bewijs zal bezigen. Met betrekking tot dit verzoek geldt het zogeheten noodzaakscriterium. Het hof wijst dit verzoek af, nu [getuige 1] al uitgebreid is gehoord bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris en het hof zich door de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht acht, zodat de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. De verklaringen van [getuige 2] Het hof overweegt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] als volgt. Met de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat [getuige 2] op verschillende momenten over twee verschillende incidenten heeft gesproken. Dat kan nader als volgt worden toegelicht. Op 10 juni 2013 heeft [getuige 2] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bij Raymond thuis was en dat zijn telefoon afging. De verdachte was hierbij aanwezig en vroeg toen wie er belde. Daarop antwoordde [getuige 2] dat het de politie was. Hij werd opnieuw gebeld en drukte weer weg. Vervolgens nam hij de telefoon toch op. De verdachte zei dat hij niet met de politie mocht praten de eerste keer toen hij werd gebeld. De verdachte zei “je moet daar niet naartoe gaan” en “geef de telefoon maar aan mij, dan neem ik het wel naar huis”. Op 21 maart 2012 heeft [getuige 2] bij de politie verklaard dat hij een paar maanden geleden door de politie is gebeld en dat zij hem vroegen om te verschijnen aan het politiebureau. Hij had een afspraak gemaakt met een verbalisant en toen deze verbalisant belde stond de dochter van meneer [medeverdachte 1] naast hem. Hij was op dat moment in de Fahrenheitstraat. Hij gelooft dat deze dochter [medeverdachte 3] heet. [medeverdachte 3] vroeg naar het telefoongesprek en [getuige 2] vertelde dat hij met de politie had gebeld en dat hij op het politiebureau moest komen. [medeverdachte 3] zei toen tegen [getuige 2] “ga er maar niet naar toe”. [getuige 2] verklaart dat er geen andere kinderen van meneer [medeverdachte 1] bij waren. Tijdens het verhoor op 22 maart 2012 bij de politie verklaart [getuige 2] dat twee kinderen van [medeverdachte 1] , de dochter en de zoon tegen hem hebben gezegd dat hij niet naar de politie moest gaan. Hij is niet naar de politie gegaan omdat de kinderen van [medeverdachte 1] dat tegen hem hadden gezegd. Gelet op het bovenstaande ziet het hof geen tegenstrijdigheden in de verklaringen van [getuige 2] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het proces-verbaal van verhoor d.d. 21 maart 2012 niet is gebleken dat er expliciet is gevraagd naar andere momenten dan dat waarover [getuige 2] toen verklaarde en waarbij toen kennelijk alleen ‘ [medeverdachte 3] ’ was betrokken. Het hof acht het aannemelijk dat [getuige 2] op 22 maart 2012 voor het eerst heeft verklaard over (ook) de verdachte die tegen hem heeft gezegd dat hij niet naar de politie moest gaan. Bij de rechter-commissaris heeft hij daarover vervolgens aanvullend en meer gedetailleerd verklaard. Het hof acht daarom de verklaring van [getuige 2] op deze essentiële punten consistent en betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs. De omstandigheid dat [getuige 2] medeverdachte was doet daar niets aan af, te meer niet nu niet valt in te zien welk belang [getuige 2] – als verdachte – zou hebben bij een verklaring dat hij is beïnvloed door de verdachte. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [getuige 2] ten aanzien van het aan de verdachte ten laste gelegde. Het hof verwerpt het verweer. De raadsman heeft verzocht om [getuige 2] te horen als getuige indien het hof de verklaringen van [getuige 2] zo interpreteert dat er sprake is geweest van twee verschillende gebeurtenissen. Met betrekking tot dit verzoek geldt het noodzaakscriterium. Het hof wijst dit verzoek af, nu het hof zich door de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht acht en de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor derhalve niet is gebleken. Ad 2. Naar het oordeel van het hof vinden de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] steun in het beluisterde en uitgewerkte tapgesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , waaraan de verdachte op de achtergrond ook deelneemt. [medeverdachte 1] geeft tijdens dat telefoongesprek de opdracht aan [medeverdachte 3] en de verdachte om met [getuige 1] en [getuige 2] te praten en daarbij geeft [medeverdachte 1] op wat zij tegen hen moeten zeggen. Uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat de verdachte aan hen exact die instructies heeft gegeven die hij van zijn vader heeft gekregen. Dit telefoongesprek vindt plaats op 11 januari 2012 en dus een dag voordat de verdachte instructies heeft gegeven aan [getuige 1] . Gelet op deze omstandigheden alsmede de omstandigheid dat er geen enkele aanwijzing is dat [getuige 1] en [getuige 2] toen zij hun verklaringen bij de politie aflegden op de hoogte waren van dit telefoongesprek, is het hof van oordeel dat dit tapgesprek als steunbewijs kan dienen. Het hof verwerpt het verweer. Voorgaande feiten en omstandigheden brengen het hof tot het oordeel dat de beïnvloeding van de getuige [getuige 2] heeft plaatsgevonden in de periode tussen 11 januari 2012 (het telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en zijn kinderen) en 22 maart 2012 (het moment waarop [getuige 2] voor het eerst verklaart dat (ook) de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij niet naar de politie moest gaan). Het hof verwerpt het verweer. Ad 3. De strafbaarstelling van artikel 285a, eerste lid, Sr strekt tot bescherming van de vrijheid van personen om onbelemmerd ten overstaan van een rechter of een ambtenaar een verklaring te kunnen afleggen. Van ‘beïnvloeden’ in de zin van voormeld artikel is sprake indien de in deze bepaling omschreven uiting ertoe strekt deze verklaringsvrijheid aan te tasten. Voldoende is dat komt vast te staan dat de uiting kennelijk bedoeld was om de verklaringsvrijheid te beïnvloeden zonder dat wordt vereist dat die kennelijke bedoeling ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding heeft geleid. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is geweest van 'beïnvloeden' in de zin van artikel 285a, eerste lid, Sr, is onder meer van belang de strekking van de in de delictsomschrijving bedoelde uiting. Indien deze uiting slechts erop is gericht dat een persoon een verklaring zal afleggen, zonder dat daarbij — met name door bemoeienis met de inhoud van (wezenlijke onderdelen van) die verklaring — de verklaringsvrijheid van die persoon wordt aangetast, is geen sprake van 'beïnvloeden'. Dat ligt anders indien de uiting ertoe strekt dat de af te leggen verklaring een bepaalde inhoud zal hebben, bijvoorbeeld doordat een persoon wordt ontmoedigd een belastende verklaring af te leggen of wordt aangemoedigd een ontlastende verklaring af te leggen. Van 'beïnvloeden' kan ook sprake zijn indien de uiting ertoe strekt dat een persoon geen verklaring tegenover een rechter of een ambtenaar zal afleggen. In deze gevallen is immers telkens de vrijheid van de (potentiële) getuige in het geding om naar waarheid of geweten een verklaring af te leggen. Het hof is - in tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft gesteld - van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de uitlatingen jegens [getuige 1] kennelijk (slechts) waren bedoeld om [getuige 1] te informeren over de (werkwijze van
  11. de)politie of om hem tegen zichzelf in bescherming te nemen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt integendeel dat de mondelinge uitlatingen van de verdachte sturende bemoeienis betroffen met de inhoud van de af te leggen verklaring, indien hij ondanks de instructie die hem werd gegeven toch zou gaan verklaren. Het hof is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de mondelinge uitlatingen van de verdachte jegens [getuige 2] ertoe strekten dat [getuige 2] geen verklaring tegenover een ambtenaar zal afleggen, waardoor ook diens vrijheid om naar waarheid of geweten een verklaring af te leggen in het geding is. Voor zover het verweer steunt op de opvatting dat voor een bewezenverklaring van een op artikel 285a Sr gestoelde tenlastelegging is vereist dat komt vast te staan dat de uitlating als bevel of bedreiging wordt opgevat, wordt uitgegaan van een eis die het recht niet stelt. Het hof verwerpt het verweer. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan beïnvloeding van twee getuigen. De verdachte was ervan op de hoogte dat deze getuigen een verklaring moesten (zouden) gaan afleggen over een lopende strafzaak tegen in het bijzonder zijn ouders wegens witwassen door middel van handel in onroerend goed. Hij heeft vervolgens – na hierover contact te hebben gehad met zijn vader – getracht om [getuige 1] en [getuige 2] te bewegen conform zijn instructies in strijd met de waarheid te verklaren dan wel om geen verklaring af te leggen. Daarbij werd misbruik gemaakt van de sociaal kwetsbare positie waarin de getuigen ten opzichte van de familie van de verdachte verkeerden. Dit zijn ernstige feiten waarbij de verdachte de verklaringsvrijheid van twee personen heeft geschonden. Dergelijk gedrag belemmert de waarheidsvinding en is bedoeld om de rechtspleging te frustreren. Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 10 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen ziet het hof geen aanleiding om strafvermindering toe te passen in verband met getapte geheimhoudersgesprekken. Redelijke termijn Het hof stelt voorop dat het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is zou moeten leven onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging. De Hoge Raad heeft uitgangspunten en regels geformuleerd over dit voorschrift en over de vraag wanneer van een inbreuk daarop sprake is, alsmede over het rechtsgevolg dat daaraan in geval van een inbreuk dient te worden verbonden. De Hoge Raad heeft daarbij beslist dat overschrijding van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn nimmer kan leiden tot de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging. Met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak voegt het hof daaraan het volgende toe. Tussen het eerste politieverhoor van de verdachte in 2012 en het eindarrest (23 april 2019) zijn ruim 7 jaar verstreken. Daarmee is de duur van de strafprocedure in haar totaliteit onwenselijk lang geworden. Niettemin kan naar het oordeel van het hof niet worden gesproken van een overschrijding van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn van berechting. Het hof neemt daarbij met name de omvang en complexiteit van het verrichte strafrechtelijk onderzoek in aanmerking, alsmede de tijd die de behandeling ter terechtzitting heeft gevergd als gevolg van de gelijktijdige berechting van de zaken van acht in dit hoger beroep terechtstaande verdachten. Tevens neemt het hof hierbij in aanmerking dat het feit dat de onderhavige zaak (in elk geval in hoger beroep) gelijktijdig met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft plaatsgevonden is gebeurd op uitdrukkelijk en herhaald verzoek van de verdediging. Het hof is van oordeel dat daarom niet kan worden gesproken van een inbreuk op het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en volstaat met de vaststelling van de onwenselijk lange duur van de procedure, zonder daaraan enig rechtsgevolg te verbinden. Wel zal het hof met het oog op de tijd die inmiddels sedert het plegen van de bewezenverklaarde feiten is verstreken de op te leggen taakstraf met 20 uur bekorten. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een taakstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden. Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. A.J.P. van Essen, in bijzijn van de griffiers mr. M.M. Dijk en mr. H. van den Hove. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 april 2019. BIJLAGE I: Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij, in of omstreeks de periode van 10 januari 2012 tot en met 22 maart 2012 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich opzettelijk mondeling en/of door gebaren jegens [getuige 1] en/of [getuige 2] heeft/hebben geuit, kennelijk (telkens) om diens/hun vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar een verklaring(
  12. en)af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij en/of zijn mededader(
  13. s)wist(
  14. en)of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring(
  15. en)zou(den) worden afgelegd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - [getuige 1] (meermalen) bezocht en/of gebeld met instructies voor de verklaring(
  16. en)die hij, [getuige 1] , bij de politie moest afleggen (p.479/482/490/490) en/of - [getuige 2] (meermalen) bezocht en/of gebeld en/of [getuige 2] medegedeeld dat die [getuige 2] gezocht werd door de politie en/of dat hij, [getuige 2] , zich niet moest melden bij de politie en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  17. s)voornoemde [getuige 2] , naar een ander adres gebracht en/of hem, [getuige 2] , medegedeeld dat hij niet voor de politie mocht/moest opendoen (p.1443/1453).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.