ECLI:NL:GHDHA:2019:1448
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.236.062/01 Rolnummer rechtbank : C/09/515212/ HA ZA 16-866 arrest van 18 juni 2019 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in het principaal beroep, geïntimeerde in het incidenteel beroep, nader te noemen: [appellant] , advocaat: mr. L.A.L. Westerwoudt te Rotterdam, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Veenendaal, zetelend te Veenendaal, geïntimeerde in het principaal beroep, appellante in het incidenteel beroep, hierna te noemen: de Gemeente, advocaat: mr. C.B. de Jong te Amsterdam.
Het geding Bij dagvaarding van 12 maart 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag, team handel, van 27 december 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:15398), gewezen tussen de Gemeente als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie. [appellant] heeft bij memorie van grieven (met producties), zes grieven tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerd, waarbij hij tevens zijn eis in reconventie (deels voorwaardelijk) heeft gewijzigd. De Gemeente heeft de grieven in haar memorie van antwoord (met producties) bestreden. Tevens heeft zij in incidenteel appel twee grieven aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank, en heeft zij voorwaardelijk (de grondslag van) haar eis gewijzigd. [appellant] heeft zich bij memorie van antwoord in incidenteel appel ten aanzien van de incidentele grief 1 gerefereerd aan het oordeel van het hof en de incidentele grief 2 bestreden. Tevens heeft hij de (voorwaardelijk) gewijzigde grondslag van de vorderingen van de Gemeente bestreden. Partijen hebben ter zitting van 25 maart 2019 hun standpunten aan de hand van pleitnotities mondeling toegelicht. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Tenslotte is een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling van het hoger beroep Inleiding 1. Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om de aansprakelijkheid van [appellant] voor de schade van de Stichting […] (hierna: de Stichting), die het gevolg is van het verlies van een bedrag van circa $ 9,4 miljoen dat door de Stichting was geplaatst op een depositorekening bij de ING bank. Dit bedrag is verloren gegaan doordat door ING op instructie van [appellant] namens de Stichting een (abstracte) bankgarantie was verstrekt ter hoogte van dit bedrag aan Planetary Investments LLP (hierna: Planetary), en Planetary de bankgarantie heeft getrokken. Met gebruikmaking van de bankgarantie was, mede op advies van [appellant] , een zogenaamde Partnership Agreement gesloten met Planetary, met welke transactie beoogd werd een zeer hoog rendement te behalen, welk rendement deels aan [appellant] in privé zou toevallen. De Stichting had een contra-garantie aan de ING afgegeven waarin zij zich verbonden had tot terugbetaling van de bedragen die de ING op grond van de bankgarantie zou moeten uitkeren. Die contra-garantie is door de ING ingeroepen. Volgens een rapport van de Fiod van 23 september 2009 (productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie) heeft de transactie de kenmerken van een High Yield Investment Program, en is er sprake van een vorm van oplichting. Betaling van enig rendement of ander bedrag door Planetary is uitgebleven.
Grondslag vordering 3. Partijen zijn het er over eens dat de Gemeente haar vorderingen op [appellant] heeft gegrond op een door [appellant] gepleegde wanprestatie c.q. onrechtmatige daad jegens de Stichting, en dat de Gemeente in haar hoedanigheid van pandhouder betaling heeft gevorderd van de door de Stichting geleden schade. De principale grief I, die er over klaagt dat de rechtbank in r.o. 4.1 van haar vonnis ten onrechte overweegt dat de Gemeente [appellant] aanspreekt in haar hoedanigheid van borg die in de rechten van de Stichting is getreden, is in zoverre gegrond. De Gemeente heeft de grondslag van haar vordering bij memorie van antwoord voorwaardelijk gewijzigd/aangevuld, in die zin dat zij haar vordering voor zover nodig mede baseert op een cessie van de (aan de Gemeente verpande) vorderingen door de Stichting aan de Gemeente in maart 2010.
Cessie 4. Het hof ziet aanleiding eerst de stelling van de Gemeente te bespreken dat de Stichting haar vordering op [appellant] in maart 2010 rechtsgeldig heeft overgedragen aan de Gemeente. Indien deze stelling juist is, komt het hof aan een beoordeling van de geldigheid van het pandrecht, welk punt in de principale grief I aan de orde wordt gesteld, immers niet meer toe. Het hof overweegt hierover het volgende.
Geldigheid pandrecht 7. [appellant] betwist in de toelichting bij grief I dat de Gemeente een vordering op hem heeft op grond van een pandrecht dat door de Stichting bij akte van 20 maart 2003 op haar vordering op (onder meer) [appellant] ten behoeve van de Gemeente is gevestigd. Hij voert in dit verband het volgende aan:a) het pandrecht is nietig, aangezien uit artikel 8 van de statuten van de Stichting volgt dat voor bestuursbesluiten voor het vestigen van zekerheden en rechtshandelingen met een belang van f 5.000 en meer voorafgaande toestemming nodig is van het college van diakenen en de centrale kerkeraad van de hervormde gemeente Veenendaal, welke toestemming volgens [appellant] niet is verleend;b) het pandrecht is tenietgegaan, doordat de Stichting op 10 mei 2010 is opgehouden te bestaan, en de vordering waarop het pandrecht is gevestigd dus niet meer tot het (vereffende) vermogen van de Stichting behoort;c) het pandrecht is nietig althans tenietgegaan, aangezien het pandrecht voor het eerst door de Gemeente aan [appellant] is medegedeeld bij brief van 10 maart 2016 en de Stichting toen reeds opgehouden had te bestaan.
Van een rechtsgeldige cessie door de Stichting van haar eventuele vordering op [appellant] aan de Gemeente is geen sprake. Verder heeft noch de Stichting noch de Gemeente zich gehouden aan artikel 3:245 BW, waarin is bepaald dat zowel de pandhouder als de pandgever bevoegd is tot het instellen van een rechtsvordering tegen een derde ter bescherming van het verpande goed, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen.
De al dan niet geldigheid van het interne bestuursbesluit kan daarom in het midden blijven;ad b) Uit het feit dat de vordering van de Stichting op [appellant] niet rechtsgeldig door de Stichting aan de Gemeente is gecedeerd, terwijl evenmin gesteld of gebleken is dat deze vordering teniet is gegaan of op een andere wijze uit het vermogen van de Stichting is geraakt, volgt dat de (verpande) vordering nog altijd deel uitmaakt van het vermogen van de Stichting en dat de vereffening van het vermogen van de Stichting op dit punt nog niet is voltooid. Een rechtspersoon blijft ingevolge artikel 2:19 lid 5 BW na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Dit betekent dat de vordering van de Stichting op [appellant] en het hierop ten behoeve van de Gemeente gevestigde pandrecht nog onverkort bestaan;ad c) Dit verweer faalt reeds aangezien de stelling van [appellant] dat het pandrecht voor het eerst door de Gemeente aan hem is medegedeeld bij brief van 10 maart 2016 geen steun vindt in de stukken.
De Gemeente wijst er terecht op dat zij ter rolle van 5 november 2003 in haar incidentele conclusie om te mogen tussenkomen in de aanvankelijk door de Stichting tegen [appellant] en een aantal medegedaagden aangespannen procedure heeft vermeld: “De Stichting heeft haar in de procedure aan de orde zijnde vorderingen op Gedaagden aan de Gemeente verpand bij akte d.d. 20 maart 2003. Van deze verpanding is bij brief van 9 april 2003 mededeling gedaan aan Gedaagden. Krachtens artikel 3:246 BW is de Gemeente bevoegd de verpande vorderingen te innen.” Ter rolle van 19 november 2003 heeft [appellant] van antwoord geconcludeerd in het door de Gemeente opgeworpen incident om te mogen tussenkomen als pandhouder.
Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [appellant] in elk geval op 5 november 2003 op de hoogte is gesteld van de verpanding van de vordering op hem aan de Gemeente. Dit was ruim voor 10 februari 2004, toen hij in staat van faillissement is verklaard, en ook ruim voor de ontbinding van de Stichting in mei 2010. Het beroep op artikel 3:245 BW wordt verworpen aangezien in dit geding geen sprake is van een rechtsvordering ter bescherming van het verpande goed, zodat dit artikel toepassing mist.
De schade 10. De principale grieven II, III en IV en de incidentele grieven 1 en 2 hebben betrekking op de hoogte van de door de Gemeente gevorderde schade van de Stichting waarvoor [appellant] aansprakelijk is, en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Dat de Gemeente eind 2009 € 6.217.000 aan de ING heeft terugbetaald in het kader van een schikking, moet in het kader van eigen schuld aan de Gemeente zelf worden toegerekend. Maar ook als uitgegaan wordt van het schikkingsbedrag ad € 8.600.000,- is de schade van de Stichting vergoed, rekening houdend met de door de Gemeente in januari 2004 ontvangen executieopbrengst van de Freule-flat ad € 6.093.434,-, de nadien ontvangen uitkering uit het faillissement van [appellant] ad € 74.641,- en het door de Gemeente ontvangen (in punt 91 van de dagvaarding genoemde) bedrag van € 213.367,-;c) de schadespecificatie van de Gemeente in het KPMG-rapport is gebrekkig, tegenstrijdig en onvolledig. Onduidelijk is welke schikkingsbedragen door [A] (voormalig voorzitter van de Stichting) en [B] (voormalig penningmeester van de Stichting) er aan de Gemeente zijn betaald;d) de door de Gemeente namens de Stichting getroffen schikkingen met andere partijen zijn nietig wegens het ontbreken van voorafgaande statutaire toestemming van de kerkelijke instanties van de Stichting.
Zij zijn door de rechter voor de door de Stichting geleden schade hoofdelijk aansprakelijk geacht (ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6929; het daartegen gerichte cassatieberoep is verworpen: ECLI:NL:HR:2012:BV7346). Het handelen van [A] en [B] moet aan de Stichting worden toegerekend. Er is dan ook sprake van eigen schuld aan de zijde van de Stichting. Dit neemt niet weg dat de keuze van de (risicovolle) beleggingsconstructie en de wijze waarop deze vorm heeft gekregen, middels de transactie met Planetary en de in dat kader gestelde bankgarantie, geheel, althans voor het overgrote deel, is geadviseerd en tot stand gekomen door [appellant] . Het verweer van [appellant] dat de Stichting zich beter had moeten laten adviseren, wordt verworpen.
Het was immers [appellant] tot wie de Stichting zich, via [B] en vervolgens [Q] , voor advies had gewend. Als [appellant] van mening is dat hij onvoldoende deskundig is op financieel gebied, had hij zich niet als zodanig moeten profileren en zich van advies moeten onthouden. De verwijten van [appellant] dat de Stichting statutaire en wettelijke regels – waaronder statutaire vertegenwoordigingsregels – heeft genegeerd en zich niet heeft beroepen op de nietigheid van de bankgarantie in verband met strijdigheid met de statuten, worden eveneens verworpen. Het hof wijst er op dat het [appellant] zelf was die, hoewel daartoe niet bevoegd, de ING namens de Stichting opdracht heeft gegeven de bankgarantie te stellen.
Strijdigheid met de statuten brengt echter nog niet mee dat de Stichting zich jegens derden, zoals de ING, kan beroepen op nietigheid van de bankgarantie. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de Stichting en de gedragingen van [appellant] beide voor 50% hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade.
Het hof weegt ook mee dat [appellant] door middel van de transactie met Planetary, waarmee volgens hem een rendement kon worden behaald van 800%, niet in de laatste plaats beoogde zelf rijk te worden. Het is bovendien [appellant] geweest die een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de totstandkoming en de inhoud van de door de ING verstrekte bankgarantie die de Stichting uiteindelijk fataal is geworden. Dit alles brengt mee dat het hof van oordeel is dat de verwijten die aan [appellant] kunnen worden gemaakt zodanig ernstig zijn in verhouding tot de verwijten die aan de Stichting, in de persoon van [A] en [B] , kunnen worden gemaakt, dat de billijkheid eist dat [appellant] 80% van de door de Stichting geleden schade dient te vergoeden.
Hetgeen [appellant] verder in dit verband nog heeft aangevoerd is, indien al juist, onvoldoende zwaarwegend voor een ander oordeel.
De ING was door de rechtbank Utrecht bij vonnis van 31 januari 2007 veroordeeld tot betaling aan de Gemeente van een bedrag van USD 9.426.267,52. De rechtbank Utrecht heeft in dit vonnis geoordeeld dat de uitbetaling door de ING aan Planetary uit hoofde van de bankgarantie, en het verhaal op de Stichting op grond van de contragarantie, zijn gedaan uit hoofde van een nietige rechtshandeling (de opdracht tot het doen stellen van de bankgarantie is onbevoegd door [appellant] gegeven), respectievelijk nietige besluiten (het stellen van de bankgarantie en de contragarantie is gedaan zonder voorafgaande toestemming van het college van diakenen en de centrale kerkeraad). Deze uitbetaling aan Planetary en het verhaal op de Stichting zijn, aldus de rechtbank Utrecht in haar vonnis, zonder rechtsgrond verricht en dienen om die reden ongedaan te worden gemaakt.
Het hof is met de Gemeente van oordeel dat het hoger beroep dat de ING tegen dit vonnis had ingesteld geenszins kansloos was. Het hof verwijst in dit verband naar r.o. 8 van dit arrest. De Gemeente heeft dan ook in redelijkheid tot de door haar getroffen schikking met de ING kunnen komen;b) het door de Gemeente medio oktober 2015 ontvangen bedrag aan schadevergoeding van € 213.367,-;c) een bedrag van € 74.641,23 dat reeds aan de Gemeente is betaald door de curator uit het faillissement van [appellant] . De klacht in de incidentele grief 2 dat dit bedrag reeds is begrepen in het bedrag van € 213.367,- waarmee de Gemeente haar schade medio oktober 2015 heeft verminderd, wordt verworpen. [appellant] voert terecht aan dat de Gemeente geen enkele specificatie of toelichting heeft gegeven over de wijze waarop het bedrag van € 213.367,- is samengesteld.
De stelling van de Gemeente dat in dit bedrag ook het uit het faillissement van [appellant] betaalde bedrag van € 74.641,23 is begrepen, is – ondanks verzoeken van [appellant] op dit punt – door de Gemeente niet onderbouwd. Het hof gaat daaraan om die reden voorbij.
De reconventionele vorderingen van [appellant] 25. Grief V richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de reconventionele vordering van [appellant] tot terugbetaling van het door de curator uitgekeerde bedrag van € 74.641,23, met een aantal nevenvorderingen zoals door [appellant] geformuleerd in zijn (gewijzigde) eis in hoger beroep. Gelet op hetgeen door het hof eerder in dit arrest is overwogen en beslist, faalt ook deze grief en zullen de vorderingen van [appellant] in hoger beroep worden afgewezen.
Proceskosten eerste aanleg 27. Grief VI richt zich tegen de proceskostenveroordeling door de rechtbank. Nu de eerdere grieven grotendeels worden verworpen, faalt ook deze grief.
Slot 28. Het hof ziet geen grond om het appel aan te houden totdat uitspraak is gedaan in een nog door [appellant] aanhangig te maken procedure ex artikel 2:16 BW. Het verzoek van [appellant] onder punt 56 van de memorie van grieven wordt afgewezen.
Beslissing Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, D. Wachter en A. van Staden ten Brink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019 in aanwezigheid van de griffier.