GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.241.048/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 17/8762 zaaknummer rechtbank : C/09/543084 beschikking van de meervoudige kamer van 22 mei 2019 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. E.J. Kim-Meijer te Den Haag, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.A.J. Hendriks te 's-Gravenzande. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag Rechtbank Civiel van 16 maart 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De man is op 15 juni 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De vrouw heeft op 14 augustus 2018 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: - op 3 juli 2018 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen; - op 10 december 2018 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen; - op 4 maart 2019 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen; van de zijde van de vrouw: - op 4 december 2018 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen; - op 27 februari 2019 een brief van 25 februari 2019 met bijlagen. 2.4 De mondelinge behandeling heeft op 13 maart 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - namens de man zijn advocaat; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. 2.5 De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen. 2.6 De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting twee draagkrachtberekeningen in het geding gebracht, één met betrekking tot de draagkracht van de man en één met betrekking tot de draagkracht van de vrouw. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. 3.2 Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 25 februari 2016, de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud, hierna: partneralimentatie, in de periode van 15 november 2017 tot 1 januari 2018 bepaald op € 849,- per maand en vanaf 1 januari 2018 op € 498,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen. 4.2 De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de partneralimentatie primair per 1 april 2017, subsidiair per 14 augustus 2017, dan wel meer subsidiair per datum indiening inleidend verzoekschrift op nihil te stellen. Subsidiair verzoekt de man, indien het hof van oordeel is dat hij aan de vrouw partneralimentatie moet voldoen, deze te limiteren vanaf 1 april 2017, meer subsidiair vanaf 14 augustus 2017 of meer subsidiair per datum indiening inleidend verzoekschrift tot een termijn van drie maanden, in die zin dat de man de eerste afbouwende maand een partneralimentatie betaalt van € 498,- bruto per maand, de tweede afbouwende maand € 250,- bruto per maand, de derde afbouwende maand € 125,- bruto per maand en vanaf de vierde maand nihil, dan wel met een gefaseerde afbouw tot nihil als het hof redelijk acht. Voorts verzoekt de man de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden bepaald op € 2.500,- exclusief 21% BTW en exclusief de griffierechten van € 319,- . 4.3 De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing Grievend gedrag 5.1 In het beroepschrift heeft de man het door hem gestelde gedrag van de vrouw (wetende dat de man ernstig ziek is en geen inkomen heeft, geen opdracht willen geven aan het LBIO en de deurwaarders om de incassering van de achterstallige alimentatie te stoppen, totdat de rechtbank en het hof uitspraak hebben gedaan), door hem als uiterst grievend ervaren, gekoppeld aan zijn grief 2 tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de gewijzigde partneralimentatie. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de vrouw medegedeeld die grief ook zo te hebben opgevat. Nu de advocaat van de man voor het eerst ter zitting in hoger beroep heeft gesteld dat de verplichting van de man tot het betalen van partneralimentatie als gevolg van het grievende gedrag van de vrouw is komen te vervallen als bedoeld in artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW), beschouwt het hof die stelling als een nieuwe grief in hoger beroep. Mede gezien het bezwaar daartegen van de zijde van de vrouw acht het hof deze grief van de man tardief en in strijd met de eisen van een goede procesorde, zodat het hof die grief reeds daarom passeert. Bovendien heeft de man het door hem gestelde gedrag van de vrouw over zichzelf afgeroepen door in het geheel geen alimentatie meer aan de vrouw te betalen terwijl hij wel enige draagkracht had, er een voor ten uitvoer vatbare beslissing van de rechtbank lag en de vrouw het recht had op nakoming van die beslissing. De vrouw had dan ook geen andere mogelijkheid dan om tot executie van die beslissing over te gaan. In zoverre is geen sprake van grievend gedrag in de zin van artikel 1:157 BW. De vrouw heeft de stelling van de man, dat zij verantwoordelijk is voor het verbreken van de relatie tussen hem en (op één zoon na) de kinderen, gemotiveerd betwist en de man heeft die stelling in het licht daarvan onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, zodat ook in zoverre geen sprake is van grievend gedrag. Ingangsdatum wijziging partneralimentatie 5.2 Het hof ziet geen reden om een andere ingangsdatum van de wijziging van de partneralimentatie in aanmerking te nemen dan de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum, te weten 15 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.