GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel Recht Zaaknummer : 200.260.550/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/572030/KG ZA 19/369 Arrest d.d. 1 augustus 2019 in de zaak van: de rechtspersoon naar Duits recht SEA-WATCH e.V, gevestigd te Berlijn (Duitsland), appellante, geïntimeerde in het incidenteel appel, hierna te noemen: Sea-Watch, advocaat: mr. L-M. Komp te Amsterdam, tegen de STAAT DER NEDERLANDEN (het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, appellant in het incidenteel appel, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. E.C. Pietermaat te Den Haag. Het verloop van het geding Bij exploot van (spoed-)appeldagvaarding van 3 juni 2019 (AD) is Sea-Watch in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 7 mei 2019. Bij de AD, met de producties 23 t/m 32, heeft Sea-Watch vijf grieven tegen dat vonnis aangevoerd. Deze grieven zijn door de Staat bestreden bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel (MvA/MvG-inc), met de producties 16 en 17. De twee grieven in het incidenteel appel zijn door Sea-Watch bestreden bij memorie van antwoord in het incidenteel appel, met de producties 33 t/m 48. Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten ter zitting van dit hof van 11 juli 2019, Sea-Watch door haar advocaat en mr. J. Eckholt, advocaat te Amsterdam, en de Staat door haar advocaat en haar kantoorgenoten mrs. M.M. van Asperen en H.J.S.M. Langbroek. Hierbij is gebruik gemaakt van pleitnota’s (hierna: PA = Pleitnota in Appel, de pleitnota’s in de eerste aanleg zullen worden aangeduid met de afkorting PE, de inleidende dagvaarding van Sea-Watch als: ID). Na afloop van het pleidooi is arrest gevraagd. De beoordeling van het hoger beroep De feiten 1. De volgende feiten worden in dit kort geding tot uitgangspunt genomen. a. Sea-Watch heeft onder meer tot doel het redden van schipbreukelingen. Zij vaart sinds 2015 met een schip op de Middellandse zee om daar vluchtelingen op te pikken. Het schip, de Sea-Watch 3 (SW3), is in 1973 gebouwd en is in 2017 onder de Nederlandse vlag gaan varen. De SW3 is in Nederland geregistreerd als pleziervaartuig op grond van het zogenoemde ‘open armen’ beleid dat in 1989 in Nederland is ingevoerd om het mogelijk te maken om voor schepen van organisaties met ideële doelstellingen, net als voor pleziervaartuigen, een zeebrief te krijgen. Het voordeel hiervan voor die organisaties is dat pleziervaartuigen niet hoeven te voldoen aan een aantal eisen op onder meer veiligheids- en bemanningsgebied die voor koopvaardijschepen (zoals vrachtschepen en passagiersschepen) gelden, waardoor kosten kunnen worden bespaard (vgl. punt 8 ID). b. Op 26 september 2018 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: I&W of IenW) Sea-Watch geïnformeerd over een beleidswijziging die zij voor schepen die zich in het Nederlandse register willen inschrijven met onmiddellijke ingang heeft doorgevoerd ten aanzien van de registratie en certificering van zeeschepen van organisaties met ideële doelstellingen. Deze beleidswijziging hield in dat ook (nog in te schrijven) schepen van zulke organisaties die als pleziervaartuig zijn (worden) geregistreerd voortaan aan (nadere) veiligheids- en bemanningseisen moeten voldoen. De Minister heeft hierbij tevens medegedeeld dat zij graag met Sea-Watch en de andere organisaties met ideële doelstellingen, die al schepen hadden die als pleziervaartuig in het Nederlandse register waren ingeschreven, in overleg wilde treden om te komen tot een aanvaardbare overgangstermijn om de beleidswijziging ook op deze reeds ingeschreven schepen te gaan toepassen. c. Op 15 januari 2019 heeft tussen I&W en vertegenwoordigers van een aantal organisaties met ideële doelstellingen, waaronder Sea-Watch, een gesprek plaatsgevonden over de beleidswijziging. In het daarvan opgemaakte verslag is onder meer het volgende te lezen: ‘1. Doel overleg De uitgenodigde organisaties geven aan dat hun speelruimte m.b.t. de beleidswijziging voor hen niet duidelijk is. IenW legt uit dat het de bedoeling is de komende tijd met hen in overleg te gaan zowel over de inhoudelijke eisen als over de overgangstermijn voor hun schepen. 2. Achtergrond beleidswijziging (…) IenW geeft aan dat de veiligheid voorop staat en dat het gaat om veilige inzet van schepen. Concrete voorvallen waarbij de veiligheid in het geding is geweest, zijn niet bekend, echter soms worden er wel risicovolle acties uitgevoerd. Daarnaast speelt dat buitenlandse autoriteiten vraagtekens zetten bij de wijze certificering van deze schepen, hetgeen heeft geleid tot het vasthouden van de Sea Watch 3. Het is gebleken dat het aan andere kust- en haven uitermate lastig uit te leggen is dat de schepen waar het hier over gaat in het Nederlandse register zijn geregistreerd als pleziervaartuigen die daardoor nauwelijks aan eisen hoeven te voldoen. (…). 6. Overgangstermijn IenW stelt een overgangstermijn voor tot eind dit jaar. Deze zal onder meer afhankelijk zijn van de tijd die gemoeid zal zijn met de certificering van de schepen.’ d. De Inspectie Leefomgeving en Transport van IO&W (hierna: ITL) heeft in februari 2019 een vlaggenstaatinspectie en aanvullend onderzoek uitgevoerd van c.q. naar de SW3. Op 28 februari 2019 is hiervan een rapport opgemaakt (hierna: het ITL-rapport). e. Op 13, 15 en 18 maart 2019 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen Sea-Watch en I&W. f. In een e-mail van 21 maart 2019 heeft I&W het volgende aan Sea-Watch bericht: ‘Zoals al is aangegeven in het gesprek op 15 maart jl., wil de minister geen veiligheidsrisico’s nemen. In het recente verleden konden schepen die in het Middellandse- Zeegebied drenkelingen aan boord namen, deze mensen binnen afzienbare tijd in één van de nabijgelegen havens ontschepen. Hierdoor waren aan boord van het schip geen voorzieningen noodzakelijk voor langdurig verblijf van grote groepen mensen. Deze situatie is echter veranderd. Schepen die drenkelingen aan boord hebben kunnen nu minder makkelijk een haven vinden waar zij de mensen van boord kunnen laten gaan. Hierdoor liggen schepen noodgedwongen langer op zee met – soms grote groepen – mensen aan boord. Deze veranderde situatie kan grote veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Schepen moeten technisch en qua bemanning veilig zijn, ook bij een langdurig verblijf op zee met een grote groep mensen aan boord in allerlei (weers-)omstandigheden. Nederland is ervoor verantwoordelijk dat schepen die zijn geregistreerd in het Nederlandse vlagregister veilig zijn voor de bemanning en andere mensen aan boord. Omdat Nederland – in tegenstelling tot de omringende landen – vrijwel geen veiligheidseisen stelt voor schepen die zijn geregistreerd als pleziervaartuig, is deze veiligheid voor dergelijke schepen niet geborgd door middel van certificering. Gelet op de acute veiligheidssituatie wil de minister de eerder aangekondigde beleidswijziging voor schepen van organisaties met een ideële doelstelling (…) direct laten ingaan voor in het vlagregister geregistreerde schepen die drenkelingen aan boord nemen. Hiermee wordt het veilig gebruik van dit soort schepen op zeer korte termijn beter gewaarborgd. De minister wil dus niet dat de Sea-Watch 3 uitvaart om een missie uit te voeren alvorens de veiligheid is zeker gesteld. Er wordt dus geen overgangstermijn gehanteerd. (…).’ g. Op 1 april 2019 heeft de Minister van I&W Regeling nr. IENW/BSK-2019/53132 vastgesteld. Deze regeling (hierna: de Regeling) heeft specifiek betrekking op schepen die – zoals de SW3 – stelselmatig worden gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen, en die als pleziervaartuig of vrachtschip de vlag van het Koninkrijk voeren (en dus niet op andere schepen van organisaties met ideële doelstellingen). De Regeling houdt, kort gezegd, in dat de in overweging 1.b genoemde beleidswijziging vanaf de dag na publicatie in de Staatscourant (artikel III), en dus zonder overgangstermijn, geldt voor zulke schepen, ook voor reeds ingeschreven schepen. In de toelichting op de Regeling is onder meer het volgende vermeld: ‘(…) 2. Hoofdlijnen 2.1. Aanleiding (…). In 2018 is geconcludeerd dat de veiligheidsrisico’s voor schip, bemanning en omgeving inmiddels zodanig zijn, dat het niet langer verantwoord is, onder meer ten aanzien van de bemanning en andere personen aan boord van het schip, om de huidige situatie te laten voortbestaan. (…) Met de directe toepassing van veiligheids- en bemanningseisen wordt voor in het vlagregister ingeschreven schepen die stelselmatig drenkelingen aan boord nemen, afgeweken van de eerdere toezegging om te overleggen over een geschikte overgangstermijn. Een dergelijke overgangstermijn betekent echter dat langer gewacht wordt met het stellen van eisen ter bescherming van alle opvarenden, hetgeen niet langer verantwoord wordt geacht. (…).’ h. Op 2 april 2019 is de Regeling in de Staatscourant gepubliceerd. Op 3 april 2019 is zij in werking getreden. De vorderingen van Sea-Watch en het vonnis van de voorzieningenrechter 2.l In de eerste aanleg heeft Sea-Watch gevorderd: primair: de Regeling onverbindend te verklaren en de Staat iedere gedraging ter uitvoering daarvan te verbieden; subsidiair: de Staat te verbieden de Regeling op Sea-Watch toe te passen; meer subsidiair: de Staat te verbieden de Regeling op Sea-Watch toe te passen tot en met 31 december 2019 dan wel voor de duur van een in goede justitie te bepalen termijn, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom. 2.2 In het vonnis van 7 mei 2019 heeft de voorzieningenrechter de primaire en subsidiaire vorderingen van Sea-Watch afgewezen. Verder heeft hij (onder 4.10 van het vonnis) overwogen dat geen toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van de duur van een te hanteren overgangstermijn waaraan Sea-Watch het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de Regeling pas na een bepaald moment zou ingaan. De voorzieningenrechter acht de Regeling echter in strijd met het (formele) rechtszekerheidsbeginsel omdat deze niet voldoende duidelijk, kenbaar en voorzienbaar is. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter de meer subsidiaire vordering in dier voege toegewezen dat de Staat wordt verboden de Regeling tot en met 15 augustus 2019 op Sea-Watch toe te passen. Dit geeft, aldus de voorzieningenrechter, partijen de gelegenheid om alsnog constructief overleg te voeren, zodat duidelijk wordt waaraan de SW3 op grond van de Regeling moet voldoen. Voor zover de meer subsidiaire vordering ziet op de periode na 15 augustus 2019 is zij afgewezen. Ook de gevorderde dwangsom is afgewezen. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is de Staat in de proceskosten veroordeeld. Het hoger beroep 3.1 Sea-Watch is in hoger beroep niet opgekomen tegen de afwijzing van haar primaire en subsidiaire vordering. Haar (principaal) appel richt zich uitsluitend tegen de afwijzing van haar meer subsidiaire vordering voor de periode na 15 augustus 2019. In hoger beroep heeft Sea-Watch zich (dus) beperkt tot de stelling, dat de Regeling zonder overgangstermijn (onmiskenbaar) onverbindend is. Als uitvloeisel hiervan heeft zij haar vordering gewijzigd, aldus dat zij thans vordert een verbod aan de Staat om de Regeling op haar toe te passen tot en met 16 augustus 2020 althans 2 april 2020 althans 31 december 2019 althans een in goede justitie te bepalen datum, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom. 3.2 De Staat heeft incidenteel geappelleerd tegen de toewijzing van Sea-Watch’s meer subsidiaire vordering over de periode tot en met 15 augustus 2019 (incidentele grief 1) en tegen de ten laste van hem uitgesproken proceskostenveroordeling (incidentele grief 2). Het spoedeisend belang van Sea-Watch bij haar (gewijzigde) vorderingen is door de Staat daarbij overigens – terecht – niet betwist. Het principaal appel 4.1 Het hof zal eerst het principaal appel van Sea-Watch beoordelen. Daarbij wordt voorop gesteld dat van de zijde Sea-Watch bij pleidooi in hoger beroep desgevraagd is verklaard dat de – door de voorzieningenrechter met zijn uitspraak beoogde – duidelijkheid over (de inhoud/het normenkader van) de Regeling er ‘wel voor 15 augustus zal zijn’, en dat het daar in hoger beroep dus niet meer over gaat. Met andere woorden: de vorderingen van Sea-Watch in hoger beroep die strekken tot toepassing van een overgangstermijn voor de periode na 15 augustus 2019 zijn niet (langer) mede gebaseerd op onduidelijkheid en onvoldoende kenbaarheid of voorzienbaarheid van de Regeling. De hierop geënte grief V van Sea-Watch is niet meer aan de orde, zo begrijpt het hof. 4.2 Aan haar huidige, in overweging 3.1 omschreven ‘overgangstermijn’-vorderingen heeft Sea-Watch onder meer, in haar grieven II en III, ten grondslag gelegd dat een overgangstermijn is toegezegd althans dat zij er op mocht vertrouwen dat haar een overgangstermijn zou worden gegund, en dat de (materiële) rechtszekerheid daartoe noopt. Daarnaast heeft Sea-Watch ter onderbouwing van die vorderingen aangevoerd – in het kader van haar grieven II t/m IV – dat de Regeling zonder overgangstermijn in strijd is met de beginselen van zorgvuldigheid (zie o.m. de punten 55, 66 – 68 en 78 AD) en proportionaliteit (punten 82 en 83 AD) en dat de introductie van de Regeling zonder toekenning van een overgangstermijn een onevenredige last op Sea-Watch legt (punten 80 en 83 AD). Sea-Watch heeft zich aldus tevens beroepen op het in artikel 3:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde evenredigheidsbeginsel/materiële zorgvuldigheidsbeginsel. Dit beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat de voor de belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. 4.3 Het besluit in kwestie, de Regeling, is een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel als bedoeld in achtereenvolgens artikel 3:1 lid 1 of artikel 1:3 lid 4 Awb. Het door Sea-Watch thans uitsluitend nog aangevochten onderdeel van dat besluit is artikel III daarvan, inhoudende dat geen overgangstermijn geldt. 4.4 Partijen gaan er van uit dat het normenkader van de Regeling op 15 augustus 2019 voldoende duidelijk zal zijn (zie ook overweging 4.1 in fine). De Staat heeft opgemerkt dat dan het traject van certificering begint, waarbij de scheepseigenaar (Sea-Watch) een klassenbureau inschakelt om te bepalen waar het schip voldoet aan het normenkader en waar aanpassingen nodig zijn (punt 10 PA). 4.5 Hierop aansluitend heeft Sea-Watch de voor haar nadelige gevolgen van het door haar aangevochten onderdeel van de Regeling als volgt toegelicht (in de punten 80-83 AD en 39-41 PA maar met name bij pleidooi in hoger beroep buiten de PA om): Het certificeringsproces voor de SW3 gaat (vele) maanden duren. Een groot deel van dat proces vindt op papier plaats. In de desbetreffende perioden zou het schip, wanneer een overgangstermijn zou gelden, gebruikt kunnen worden voor de statutaire doelstellingen van Sea-Watch en dus kunnen worden ingezet voor monitorwerk en het redden van drenkelingen. Door het ontbreken van een overgangstermijn is dit niet mogelijk en wordt Sea-Watch ‘in haar kern getroffen’. 4.6 Uit de onder 1.g weergegeven toelichting op de Regeling blijkt dat van een overgangstermijn is afgezien vanwege de veiligheid van alle opvarenden (bemanning en andere opvarenden, zoals de drenkelingen). De Staat heeft in verband hiermee opgemerkt dat zich nog geen concrete veiligheidsincidenten hadden voorgedaan, maar dat het zaak was om die vóór te zijn (punt 9.4 PE). Dit is het met het door Sea-Watch aangevochten deel van de Regeling te dienen doel. 4.7. Tijdens de bespreking van 15 januari 2019 (zie overweging 1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.