GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel Recht Zaaknummer : 200.246.801/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/557164/KG ZA 18/766 Arrest d.d. 29 januari 2019 de vennootschap naar vreemd recht BIOGEN IDEC LTD., gevestigd te Maidenhead (UK), appellante, hierna te noemen: Biogen, advocaat: mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. M.L. Batting te Den Haag. Het verloop van het geding Bij exploot van dagvaarding in spoedappel van 24 september 2018 is Biogen in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 12 september 2018 (hierna kortweg: het vonnis). Bij die appeldagvaarding (AD), met productie 1, heeft Biogen 6 grieven tegen dat vonnis aangevoerd die door de Staat zijn bestreden bij memorie van antwoord (hierna: MvA), met de producties 1 t/m 3. Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten ter zitting van dit hof van 20 december 2018, Biogen door mrs. J.R.A. Schoonderbeek en B.A. Jong, advocaten te Amsterdam, en de Staat door zijn advocaat. De raadslieden hebben zich hierbij bediend van pleitnota’s (hierna: PA = Pleitnota in Appel). Na afloop van het pleidooi is arrest in het spoedappel gevraagd. De beoordeling van het hoger beroep De juridische context 1. Het geschil speelt zich af in de volgende juridische context. a. Verzekerden hebben op grond van artikel 10, aanhef en onder sub c van de Zorgverzekeringswet (Zvw) recht op farmaceutische zorg. Artikel 11 lid 3 Zvw bepaalt dat de inhoud en omvang van deze farmaceutische zorg bij algemene maatregel van bestuur nader worden geregeld en dat een deel van de kosten van deze zorg voor rekening kan komen van de verzekerde. De regelgeving over de vergoeding van geneesmiddelen is per 1 januari 2006 opgenomen in het Besluit zorgverzekering (Bzv) en de Regeling zorgverzekering (Rzv). b. Bij farmaceutische zorg geldt het zogenoemde geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS). Onder het GVS wijst de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) de geregistreerde geneesmiddelen die in het pakket zitten aan; in artikel 2.8 lid 1 onder a Bzv is geregeld dat verzekerden aanspraak kunnen maken op vergoeding van geregistreerde geneesmiddelen die door de Minister zijn aangewezen (voor zover deze zijn aangewezen door de zorgverzekeraar; dit laatste is in dit geding niet relevant). c. In lid 5 van artikel 2.8 Bzv is bepaald dat de aangewezen geneesmiddelen bij ministeriële regeling zoveel mogelijk worden ingedeeld in groepen van onderling vervangbare geneesmiddelen (clusters). Voorts is in lid 5 bepaald dat in die ministeriële regeling – dat is: de Rzv – tevens de aanvraagprocedure, de systematiek van de groepsindeling van onderling vervangbare geneesmiddelen en de regels met betrekking tot de vaststelling van de vergoedingslimieten worden vastgelegd. Artikel 2.5 Rzv bepaalt dat de aangewezen geregistreerde middelen de in bijlage 1 van die regeling genoemde geneesmiddelen zijn. d. Onder § 2 van hoofdstuk 2 van de Rzv (‘de regels voor indeling van geneesmiddelen in groepen van onderling vervangbare geneesmiddelen en voor de berekening van de vergoedingslimieten’) vallen de artikelen 2.39 t/m 2.49. Artikel 2.39 RZV luidt aldus: ‘Bij de aanwijzing op grond van artikel 2.8 van het Besluit zorgverzekering en bij de toepassing van deze paragraaf wordt uitsluitend acht geslagen op: a. deel 1B van het registerdossier, b. de publicaties onder auspiciën van de World Health Organization over de Defined Daily Dose en de Anatomical Therapeutical Chemical Classification, c. de in medisch-farmaceutische kringen gebruikelijke farmacologische en farmacotherapeutische handboeken, d. publicaties in tijdschriften die in medisch-farmaceutische kringen als betrouwbare bronnen voor geneesmiddeleninformatie gelden, e. gegevens afkomstig van farmaco-economisch onderzoek, en f. andere gegevens en bescheiden die voldoen aan de regels ingevolge artikel 2, zesde lid, van het Besluit registratie geneesmiddelen. . Artikel 2.40 Rzv luidt als volgt, voor zover hier relevant: 1.Geneesmiddelen worden als onderling vervangbaar aangemerkt, indien zij: a. bij een gelijksoortig indicatiegebied kunnen worden toegepast, b. via een gelijke toedieningsweg worden toegediend, en c. in het algemeen voor dezelfde leeftijdscategorie zijn bestemd. 2. (…) 3. In afwijking van het eerste (…) lid worden geneesmiddelen niet als onderling vervangbaar aangemerkt indien: a. tussen die geneesmiddelen verschillen in eigenschappen bestaan, b. deze verschillen in eigenschappen zich voordoen of kunnen voordoen bij de gehele patiëntenpopulatie, bij welke de geneesmiddelen kunnen worden toegepast, en c. uit de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 2.39, blijkt dat deze verschillen in eigenschappen, tezamen genomen, bepalend zijn voor de keuze van het geneesmiddel door de arts. In de Nota van Toelichting ()NvT) op deze artikelen is het volgende vermeld: ‘Artikel 2.39 In dit artikel zijn in de onderdelen a tot en met d en f de bronnen aangegeven voor de beslissing over de onderlinge vervangbaarheid van geneesmiddelen en de vaststelling van de standaarddosis of kuurdosis. De bron, genoemd in onderdeel f, is relevant voor het oordeel of een geneesmiddel dat volgens gvs-criteria niet onderling vervangbaar is met een in een pakket opgenomen geneesmiddel, in het pakket kan worden opgenomen. Het gaat om bronnen waarvan de objectiviteit en betrouwbaarheid buiten twijfel staan. Artikel 2.40 Deze bepaling bevat de criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld of geneesmiddelen in het kader van het gvs als onderling vervangbaar worden beschouwd. Eerste lid In het eerste lid zijn de criteria aangegeven op grond waarvan geneesmiddelen als onderling vervangbaar worden aangemerkt. Tweede lid (…) Derde lid In het derde lid is geregeld wanneer geneesmiddelen niet als onderling vervangbaar worden aangemerkt. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat duidelijk komt vast te staan of er tussen de geneesmiddelen verschillen in eigenschappen bestaan, en zo ja, welke (onderdeel a). Alleen verschillen die volgens de in artikel 2.39 bedoelde bronnen met voldoende zekerheid vaststaan, worden in de beschouwing betrokken. (…). Het moet gaan om verschillen die voor de gehele betrokken patiëntenpopulatie van belang zijn (onderdeel b). Deze verschillen moeten blijken uit de in artikel 2.39 genoemde bronnen. (…). Bij de vraag of die verschillen bepalend zijn voor de keuze, is het feitelijk voorschrijfgedrag niet zonder meer beslissend. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de objectieve gegevens uit de bronnen genoemd in artikel 2.39.’ e. De clusters van onderling vervangbare geneesmiddelen worden geplaatst op bijlage 1A van de Rzv. Per cluster wordt een vergoedingslimiet berekend door de gemiddelde prijs te nemen van alle geneesmiddelen in het cluster. Voor alle geneesmiddelen in het cluster geldt vervolgens een maximale vergoeding tot de vastgestelde limiet. Als de prijs van een geneesmiddel hoger is, moet de patiënt het verschil zelf bijbetalen. Geneesmiddelen die niet onderling vervangbaar zijn met een ander geneesmiddel worden opgenomen op bijlage 1B van de Rzv. In bijlage 2 van de Rvz kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de vergoeding van de in het GVS opgenomen geneesmiddelen. f. Op grond van artikel 68 van de Geneesmiddelenwet is het buiten geregistreerde indicaties voorschrijven van geneesmiddelen (‘off label’- voorschrijven) alleen geoorloofd wanneer daarover binnen de beroepsgroep protocollen of standaarden zijn ontwikkeld. Als dergelijke protocollen en standaarden nog in ontwikkeling zijn, is overleg tussen de behandelend arts en apotheker noodzakelijk. De feiten 2. Het hof neemt de volgende feiten tot uitgangspunt. a. Biogen brengt in Nederland het geneesmiddel Tecfidera op de markt. Voor Tecfidera – dat als werkzame stof dymethylfumaraat DMF) heeft – is in 2014 een Europese vergunning voor het in de handel brengen (VHB of handelsvergunning) verkregen. Overeenkomstig deze vergunning is Tecfidera alleen tot de handel toegelaten (geregistreerd) voor de behandeling van relapsing-remitting multiple sclerosis (RRMS of kortweg MS). b. Tecfidera was sinds 1 september 2014 in een cluster opgenomen met een ander voor de behandeling van MS geregistreerd geneesmiddel, genaamd Aubagio, dat als werkzame stof (niet DMF maar) teriflumonide heeft. c. Op 23 juni 2017 is een VHB voor het geneesmiddel Skilarence van de Spaanse onderneming Almirall verleend. De geregistreerde indicatie van Skilarence is psoriasis. De werkzame stof van Skilarence is dezelfde als die van Tecfidera, namelijk DMF. Deze stof is dus werkzaam bij MS en bij psoriasis. d. Op 8 januari 2018 heeft Almirall bij de Minister een aanvraag ingediend voor opname van Skilarence op bijlage 1A van de Rzv in een cluster met Tecfidera. e. Het Zorginstituut Nederland (ZIN) heeft de Minister op 9 mei 2018 geadviseerd over de opname van Skilarence in het GVS. In het bij dit advies behorende ‘GVS-rapport’ van 16 april 2018, staat onder meer het volgende vermeld: ‘2.1 Conclusie onderlinge vervangbaarheid Dimethylfumaraat (Skilarence®) is onderling vervangbaar met een ander geneesmiddel in het GVS met dezelfde werkzame stof, namelijk Tecfidera®. Tecfidera is momenteel geclusterd met geneesmiddelen voor relapsing remitting multiple sclerose. Gezien de hogere prevalentie van volwassenen met matige tot ernstige plaque psoriasis die een systemische behandeling met geneesmiddelen moeten krijgen, vergeleken met volwassen patiënten met relapsing remitting multiple sclerise (RRMS), is plaque psoriasis het belangrijkste toepassingsgebied van dimethylfumaraat. (…) 2.3 Conclusie plaatsing op lijst 1A Dimethylfumaraat (Skilarence®) kan op bijlage 1A worden geplaatst in een cluster met een ander geneesmiddel met dimethylfumaraat namelijk Tecfidera®. ‘ f. Bij brief van 19 juni 2018 zijn Biogen en Almirall namens de Minister, onder verwijzing naar het rapport van het ZIN van 16 april 2018, geïnformeerd over het voornemen om Tecfidera en Skilarence samen in een nieuw te vormen cluster (cluster 0N07XXDO) op bijlage 1A van de Rvz op te nemen, waarbij tevens is vermeld hoe de vergoedingslimiet in dit cluster zal worden vastgesteld. Die vergoedingslimiet ligt boven de verkoopprijs van Tecfidera. g. Bij ‘Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 27 juni 2018, kenmerk 1368641-178306-Z, houdende wijziging van de bijlagen 1 en 2 van de Regeling zorgverzekering in verband met de maandelijkse wijziging van de aanspraak op geregistreerde geneesmiddelen’ (hierna: de 27 juni 2018-Regeling) is Skilarence met ingang van 1 juli 2018 opgenomen in het GVS en in een cluster met Tecfidera op bijlage 1A van de Rzv geplaatst. Aubagio is uit het cluster verwijderd en op bijlage 1B geplaatst. Deze aanpassing van de Rzv is gepubliceerd in de Staatscourant van 5 juli 2018. De vorderingen van Biogen en de beslissing van de voorzieningenrechter 3.1 Stellende (onder meer) dat bij de vraag naar de onderlinge vervangbaarheid als bedoeld in artikel 2.40 lid 1 Rzv moet worden gekeken naar de geregistreerde indicaties (die bij Skilarence en Tecfidera verschillen) en niet, zoals de Minister bij de 27 juni 2018-Regeling heeft gedaan, louter naar de werkzame stof (die bij Sklilarence en Tecfidera dezelfde is), heeft Biogen in de eerste aanleg gevorderd: primair: de Staat te gebieden de 27 juni 2018-Regeling te herroepen of te wijzigen in (onder meer) die zin dat Skilarence niet als onderling vervangbaar met Tecfidera wordt opgenomen in hetzelfde cluster; subsidiair: jegens de Staat een voorlopige voorziening te treffen die passend wordt geacht. 3.2 In het vonnis heeft de voorzieningenrechter de primaire vorderingen afgewezen op de grond dat hij bij toewijzing daarvan zou treden in de exclusieve bevoegdheid van de Staat om regelgeving tot stand te brengen. De subsidiaire vordering – die door de voorzieningenrechter is opgevat als strekkend tot buiten toepassing stelling van de volgens Biogen onrechtmatige onderdelen van de 27 juni 2018-Regeling – is eveneens afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen (onder 4.5 van het vonnis) dat Skilarence en Tecfidera, omdat zij dezelfde werkzame stof bevatten, binnen hetzelfde indicatiegebied kunnen worden toegepast, zoals artikel 2.40 lid 1, aanhef en onder a Rzv voor onderlinge vervangbaarheid eist, en dat de Minister derhalve niet buiten zijn beleidsvrijheid is getreden door zich bij de beoordeling van de vraag of Skilarence en Tecfidera onderling vervangbaar zijn, niet te beperken tot de beoordeling van de geregistreerde indicaties van die geneesmiddelen, maar zich louter te baseren op de werkzame stof van beide middelen. Het hoger beroep 4.1 Het hoger beroep van Biogen strekt uitsluitend tot alsnog toewijzing van de subsidiaire vordering zoals deze door de voorzieningenrechter is opgevat (zie o.m. punt 60 AD, de ‘conclusie’ op blz. 21 AD en punt 1 PA). Tegen de afwijzing van haar primaire vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.