GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.224.975/01 Zaaknummer rechtbank : 297028/ CV EXPL 12-2353 arrest van 13 augustus 2019 inzake Stichting Yulius, gevestigd te Dordrecht, appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, hierna te noemen: Yulius, advocaat: mr. A.H.M. van Noort te Den Haag, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, in het principaal appel, eiser in het incidenteel appel, hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland. Het geding Bij exploot van 8 mei 2017 is Yulius in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter in de rechtbank Dordrecht op 24 mei 2012 en vijf door de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam op 24 januari 2013, 12 december 2013, 10 maart 2016, 9 juni 2016 en 16 februari 2017 tussen partijen gewezen vonnissen. Bij arrest van 14 november 2017 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie is niet doorgegaan. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Yulius 32 grieven aangevoerd, waaronder een grief tegen de beslissing van 20 april 2017 tot verbetering van het vonnis van 16 februari 2017. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld, daarin één incidentele grief aangevoerd en zijn eis gewijzigd. Yulius heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Inleiding op de beoordeling van het hoger beroep 1. De door de kantonrechter in de vonnissen van 24 januari 2013 en 10 maart 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan. 2. Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] is van medio 2001 tot 30 juni 2006 in loondienst van Yulius werkzaam geweest op de afdeling acute psychiatrie van het ziekenhuis van Yulius in de functie van verpleegkundige. Op 10 augustus 2005 had [geïntimeerde] dagdienst tezamen met drie andere verpleegkundigen, de heer [X] , mevrouw [Y] en mevrouw [Z] . Die ochtend hoorden de verpleegkundigen schreeuwen en bonken. Een patiënt bleek een mede-patiënte op het hoofd te hebben geslagen en in het gezicht te hebben geschopt. [X] heeft contact gelegd met de desbetreffende patiënt en geprobeerd deze rustig te houden. [geïntimeerde] en de andere collega's hebben de andere patiënten in veiligheid gebracht en er is op de alarmknop gedrukt. Tijdens het gesprek dat [X] met de patiënt bleef voeren stonden de collega's op enkele meters afstand. Plotseling heeft de patiënt (die laarzen met harde neuzen droeg) naar [geïntimeerde] geroepen ‘zal ik met een vork je kop eens uitpeuteren’ en hem in de onderbuik geschopt. De gealarmeerde collega's arriveerden inmiddels. Zij hebben [geïntimeerde] weggedragen en de politie is gewaarschuwd. De patiënt toonde zich nogmaals agressief door met een door hem gebroken bezemsteel [X] te bedreigen. Op dat moment arriveerde de politie. [geïntimeerde] was ten tijde van het incident getraind in het hanteren van dreigend en destructief gedrag door middel van een zogeheten DDG-training en had een alarmpieper op zak. Bij verzoekschrift van 12 april 2011 heeft [geïntimeerde] een deelgeschilprocedure geëntameerd. Omdat de verzochte beslissing naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende kon bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, heeft de kantonrechter het verzoek van [geïntimeerde] bij beschikking van 6 juli 2011 afgewezen. 3. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat: 1. voor recht wordt verklaard dat Yulius aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] door het incident dat heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2005 geleden schade; 2. Yulius wordt veroordeeld om aan [geïntimeerde] de geleden en nog te lijden schade te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 3. Yulius wordt veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 4.622,43, te vermeerderen met wettelijke rente; 4. Yulius wordt veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de begrote kosten in verband met het voeren van het deelgeschil ad € 3.212,60, te vermeerderen met wettelijke rente; 5. Yulius wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure. 4. Bij vonnis van 24 mei 2013 heeft de kantonrechter een deskundigenbericht nodig geoordeeld over de vraag of de (in september 2005 bij [geïntimeerde] geconstateerde) varicocèle geheel los staat van de op 10 augustus 2005 ontstane contusie van het scrotum en of de geduide neuropathie na zoveel jaren nog te maken heeft met de voormelde contusie dan wel het gevolg is van of samenhangt met de varicocèle en de operaties daaraan. Bij vonnis van 12 december 2013 is prof. dr. F.M.J. Debruyne, uroloog, benoemd als deskundige. Debruyne heeft gerapporteerd op 11 maart 2014 en – mede op grond van door [geïntimeerde] verstrekte aanvullende informatie – nader gerapporteerd op 19 augustus 2014. Debruyne heeft onder meer geconcludeerd dat de pijnklachten zijn ontstaan na het trauma en daarom als gerelateerd aan het trauma kunnen worden beschouwd, alsmede dat er bij [geïntimeerde] op het vakgebied van Debruyne geen sprake is van klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest zonder het ongeval. Nadat Yulius bij vonnis van 10 maart 2016 in de gelegenheid was gesteld zich uit te laten over de door [geïntimeerde] verstrekte aanvullende informatie, heeft de kantonrechter bij vonnis van 16 februari 2017 de bezwaren van Yulius tegen de rapportage van Debruyne verworpen en geconcludeerd dat de pijnklachten als gerelateerd aan het incident kunnen worden beschouwd en dat er geen relatie bestaat tussen die klachten en de na het trauma vastgestelde en behandelde varicocèle en/of de darmperforatie. 5. Met betrekking tot de op Yulius rustende zorgplicht heeft de kantonrechter bij vonnis van 10 maart 2016 overwogen dat Yulius moest zorgen voor een hoog veiligheidsniveau voor haar medewerkers, dat er op 10 augustus 2005 voldoende personeel aanwezig was, dat er in strijd is gehandeld met de bij Yulius van toepassing zijnde ‘Richtlijn hanteren fysieke agressie’ (hierna: de richtlijn), doordat een van de aanwezige verplegers de DDG-training niet had gevolgd en dat als er geen risico-taxatie van de patiënt is opgesteld of niet ter beschikking gesteld aan de verpleging, ook dat heeft te gelden als schending van de zorgplicht. Bij vonnis van 16 februari 2017 heeft de kantonrechter geoordeeld dat Yulius niet aan haar zorgplicht heeft voldaan, aangezien niet is komen vast te staan dat een risico-taxatie is opgesteld en ter beschikking gesteld aan de verpleging, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Verder heeft de kantonrechter overwogen dat [X] in de gegeven situatie – afgezien van wat nog zou kunnen voortvloeien uit de ontbrekende risico-taxatie (andere aanpak, sneller ingrijpen of andere maatregelen) – op de voorgeschreven wijze heeft gereageerd op de patiënt. Causaal verband tussen schending van de zorgplicht en de geleden schade mag worden aangenomen, tenzij Yulius stelt en bewijst dat dit ontbreekt, aldus de kantonrechter in het vonnis van 16 februari 2017. Hetgeen Yulius daarover stelt, acht de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Omdat het niet mogelijk is om met een redelijke mate van zekerheid te oordelen dat het incident niet voorkomen had kunnen worden als wel een risico-taxatie aanwezig was geweest, is Yulius daarmee aansprakelijk voor de gevolgen aan de zijde van [geïntimeerde] . 6. Bij vonnis van 16 februari 2017, zoals verbeterd bij beslissing van 20 april 2017, heeft de kantonrechter, samengevat weergegeven: - voor recht verklaard dat Yulius aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade ten gevolge van het incident dat heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2005; - Yulius veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, alsmede van € 952,- aan buitengerechtelijke kosten met wettelijke rente en € 3.212,60 aan kosten van het deelgeschil met wettelijke rente; - Yulius veroordeeld in de proceskosten; - dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - het meer of anders gevorderde afgewezen. 7. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn eis gewijzigd in die zin dat, subsidiair aan de (thans primair) gevorderde verklaring voor recht, wordt gevorderd dat Yulius wordt veroordeeld, kort weergegeven, tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van € 183.385,90 met wettelijke rente. Yulius heeft tegen deze wijziging als zodanig geen bezwaar gemaakt. Het hof zal uitgaan van de gewijzigde eis. De beoordeling van het hoger beroep Gebondenheid aan beslissing in deelgeschil (grieven 1, 2 en 3) 8. De grieven 1, 2 en 3 van Yulius gaan er, naar blijkt uit de toelichting op de grieven, van uit dat de kantonrechter in de beslissing over het deelgeschil de argumenten die [geïntimeerde] heeft aangevoerd zonder meer onvoldoende heeft geoordeeld om aansprakelijkheid van Yulius aan te nemen. Daarom had volgens Yulius de kantonrechter in de onderhavige procedure de vorderingen aanstonds moeten afwijzen. 9. Deze grieven falen. In de beslissing over het deelgeschil valt niet enig inhoudelijk oordeel te lezen over de aansprakelijkheidsvraag. Causaal verband tussen de klachten en het ongeval (grieven 4 t/m 12) 10. De grieven 4 tot en met 10 van Yulius keren zich ertegen dat de kantonrechter in haar vonnis van 10 maart 2016, r.o. 2.21, als voorlopige conclusie heeft overwogen dat de pijnklachten van [geïntimeerde] als gerelateerd aan het ongeval kunnen worden beschouwd en in haar vonnis van 16 februari 2017, r.o. 2.13, die conclusie definitief heeft getrokken en de mogelijkheid van schade, voldoende voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, aannemelijk heeft geoordeeld. Yulius onderbouwt deze grieven aan de hand van de volgende stellingen: 1. Debruyne heeft niet van de volledige huisartsenkaart kennis genomen;2. Debruyne heeft ten onrechte aangenomen dat zich na het ongeval een hematoom heeft voorgedaan; en 3. Debruyne heeft ten onrechte neuralgieforme pijnen door het ongeval aangenomen. 11. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling aan de hand van de zojuist bedoelde stellingen. ad 1. kennisneming van de volledige huisartsenkaart. 13. Tussen partijen is niet in geschil dat Debruyne via het procesdossier pre-existente huisartseninformatie ter beschikking heeft gekregen en dat deze informatie betrekking heeft op een periode van ongeveer drieënhalf jaar vóór het ongeval. De stelling van Yulius (MvG, nr. 23) dat deze huisartsenkaart voor deze periode geenszins volledig zou zijn, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Volgens Yulius heeft Debruyne geen kennisgenomen van deze huisartseninformatie. De gronden waarop Yulius dit baseert, komen het hof niet overtuigend voor in het licht van het volgende. Zoals de kantonrechter onbestreden heeft overwogen (vonnis 16 februari 2017, r.o. 2.7), heeft Yulius herhaaldelijk gewezen op het ontbreken van een huisartsenkaart met informatie vanaf vijf jaar voor het ongeval en gesuggereerd dat er überhaupt geen pre-existente informatie voorhanden was, terwijl de patiëntenkaart met informatie tot ruim drie jaar voor het ongeval al lang in ieders bezit was en Yulius of haar verzekeraar die patiëntenkaart mogelijk zelf over het hoofd heeft gezien en haar herhaaldelijk vragen naar de huisartsenkaart mogelijk bij alle betrokkenen voor verwarring heeft gezorgd. Ook het hof acht het aannemelijk dat hierover verwarring is ontstaan. 14. Wat daarvan zij, Yulius laat na gemotiveerd te stellen dat en waarom extra huisartsgegevens thans nog van belang zijn voor de beoordeling. Dat had wel op haar weg gelegen, nu Debruyne schrijft dat na bestudering van de ontvangen medische gegevens kan worden gesteld dat betrokkene vóór het incident geen urologische of urogenitale klachten had (rapport 11 maart 2014, p. 5) en de kantonrechter in haar vonnis van 16 februari 2017, r.o. 2.6 heeft overwogen dat dit oordeel van de deskundige volledig steun vindt in de voorhanden patiëntenkaart aangezien daaruit niet blijkt van relevante pre-existente klachten. Het hof is, bij gebreke van een voldoende onderbouwing door Yulius op dit punt, van oordeel dat het betoog van Yulius over het ontbreken van huisartsinformatie van meer dan drieënhalf jaar voor het ongeval en hetgeen Debruyne heeft geschreven over de huisartsinformatie van voor het ongeval, geen voldoende gemotiveerde betwisting oplevert van de juistheid van de zienswijze van Debruyne (vgl. HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921). Het hof zal dan ook van de juistheid van die zienswijze van Debruyne, als onafhankelijke deskundige, uitgaan. ad 2. aannemen dat zich na het ongeval een hematoom heeft voorgedaan. 15. Yulius bestrijdt als onjuist de ‘veronderstelling’ van Debruyne dat er na het ongeval bij [geïntimeerde] een hematoom is opgetreden. Volgens Yulius staat op grond van de vermelding in het verslag SEH (spoedeisende hulp) van 10 augustus 2005 van het Albert Schweitzer Ziekenhuis te Dordrecht “testis mogelijk licht gezwollen” vast dat een hematoom niet aan de orde was en derhalve door Debruyne ten onrechte als uitgangspunt is genomen (MvG, nrs. 28-30). Het hof acht deze stelling over het niet aan de orde zijn van een hematoom onvoldoende onderbouwd in het licht van het in eerste aanleg door Yulius overgelegde en aan haar standpunten ten grondslag gelegde rapport van 24 april 2016 van haar medisch adviseur drs. T. Nelemans . Op p. 20 van dat rapport schrijft Nelemans : “Betrokkene heeft naar mijn oordeel bij het geweldsincident op 10 augustus 2005 in ieder geval een mild stomp testistrauma opgelopen met wellicht enige zwelling/hematoomvorming (…)”. Nu de eigen medisch adviseur van Yulius op basis van het medisch dossier van oordeel was dat zich bij [geïntimeerde] wellicht hematoomvorming heeft voorgedaan door het geweldsincident, valt niet in te zien waarom de gemotiveerde aanname van Debruyne (rapport 19 augustus 2014, p. 6) dat zich daadwerkelijk een hematoom heeft voorgedaan, ondeugdelijk zou zijn. Daaraan kan niet toe- of afdoen of in de verwijsbrief van de huisarts aan dr. Wertheimer de hiervoor aangehaalde vermelding in het verslag SEH mogelijk onjuist is weergegeven (“mogelijk flink gezwollen” in plaats van “mogelijk licht gezwollen”), zodat het hof aan het daarop betrekking hebbende bewijsaanbod als niet relevant voorbijgaat. Van een voldoende gemotiveerde betwisting van de zienswijze van Debruyne is naar het oordeel van het hof op het punt van het aannemen van een hematoom dan ook geen sprake. Het hof volgt ook hier de zienswijze van Debruyne. ad 3. Neuralgieforme pijnen door het ongeval 16. Yulius heeft in dit verband bezwaar tegen de volgende oordelen van de Debruyne: - “Op puur organisch gebied zijn er op het moment van onderzoek geen duidelijke afwijkingen meer aantoonbaar. Wel is er anamnestisch duidelijk sprake van een neuralgieforme pijn in het gebied van de linker onderbuik, liesstreek en in minder mate het linker scrotum. Deze pijnklachten zijn ontstaan na het trauma en zouden daarom als gerelateerd aan het trauma kunnen worden beschouwd” (rapport 11 maart 2014, p. 6-7). - (naar aanleiding van de vraag “Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?”): “Dat is niet het geval” (rapport 11 maart 2014, p. 8). - (naar aanleiding van de volgende opmerking van Yulius: “Die conclusie “dat de neuralgieforme pijnklachten zijn ontstaan na het trauma en daarom als gerelateerd aan het trauma van 10 augustus 2005 zouden kunnen worden beschouwd” bevreemdt bovendien, omdat deze “zenuwpijn” volgens de heer [geïntimeerde] zelf pas is ontstaan nadat er 6 stents werden geplaatst i.v.m. de lekkage van de varicocele in juni 2006”): “Ik heb de gegevens in dit perspectief opnieuw nauwkeurig nagekeken, betrokkene hierover ondervraagd en alles nogmaals overwogen. Het is juist dat de neuralgieforme pijnklachten in volle omvang zijn ontstaan na het plaatsen van de stents in juni 2006 ter behandeling van de lekkage van de eerder geopereerde varicocele. Betrokkene is echter daarvoor nooit pijnvrij geweest. Hij heeft altijd pijn in de linker lies en de linker scrotumhelft blijven voelen. De neuralgieforme pijn was wel erger dan de initiële blijvende pijn na het trauma. Het is juist dat de varicocele geen relatie heeft met het ongeval. Het is echter als deskundige moeilijk te bevestigen noch te ontkennen dat de neuralgieforme pijn niets te maken zou hebben met het trauma. Het is immers minder waarschijnlijk of zelfs onwaarschijnlijk dat embolisatie van een varicocele (lekkage), wat via een veneuze punctie gebeurt, aanleiding geeft of kan geven tot neuralgieforme liespijn. Hierbij kan worden opgemerkt dat de volledige medische informatie rond de varicocele en de pijnklachten nu wel voorhanden is, maar geen aanvullende conclusies in de een of andere richting toelaat” (rapport 19 augustus 2014, p. 4). 17. Yulius acht het onbegrijpelijk dat de kantonrechter Debruyne heeft gevolgd in diens conclusie dat de neuralgieforme pijnen als gerelateerd aan het incident kunnen worden beschouwd, gelet op de volgende omstandigheden. In de eerste plaats heeft de kantonrechter volgens Yulius miskend dat de neuralgieforme pijnen ook volgens Debruyne pas zijn ontstaan na de embolisatie van de lekkende varicocèle in juni 2006 en dat de varicocèle ook volgens Debruyne in geen enkel verband staat met het ongeval. In de tweede plaats worden ook volgens Debruyne in het journaal van de huisarts van die periode geen significante pijnklachten vermeld. Bovendien, aldus Yulius, heeft ook uroloog Blitz op 27 april 2006 uitdrukkelijk vastgesteld: “Patiënt heeft nu geen pijnklachten meer” en heeft Debruyne bevestigd dat neuralgieforme pijnen ook zonder trauma kunnen voorkomen. 18. Het hof acht het, ook in het licht van de door Yulius aangevoerde omstandigheden, alleszins begrijpelijk dat de kantonrechter Debruyne heeft gevolgd in diens conclusie dat de neuralgieforme pijnen als gerelateerd aan het incident kunnen worden beschouwd. In de eerste plaats geeft Debruyne uitdrukkelijk te kennen dat het onwaarschijnlijk is dat embolisatie van een varicocèle aanleiding kan geven tot neuralgieforme liespijn. Nu de aangevoerde omstandigheden op zichzelf geen grond geven om dit oordeel van de deskundige in twijfel te trekken, brengt de omstandigheid dat de neuralgieforme pijn zich eerst voordeed na juni 2006 op zichzelf niet mee dat deze pijn niet als gerelateerd aan het ongeval kan worden beschouwd. Daarbij is Debruyne ervan uitgegaan dat [geïntimeerde] in de periode tussen het ongeval en het zich voordoen van de neuralgieforme pijnen altijd last heeft gehad van “initiële blijvende pijn”. Dat dit uitgangspunt, dat in elk geval strookt met de anamnese, onjuist zou zijn, volgt niet zonder meer uit het feit dat in het huisartsenjournaal in de betrokken periode geen significante pijnklachten zouden zijn gemeld. Bovendien blijkt uit vermeldingen van brieven in het huisartsenjournaal wel degelijk van pijnklachten. Uroloog Wertheimer heeft immers op 14 november 2005 aan de huisarts met betrekking tot [geïntimeerde] melding gemaakt van “pijnklachten”, op 20 december 2005 van “Klachten onveranderd” en op 20 juli 2006 van “Nog pijn”. Hierbij sluit aan dat in de als productie 37 door [geïntimeerde] overgelegde brief d.d. 2 januari 2008 van uroloog Busstra is vermeld; “Patiënt hield zeurderige pijn scrotaal hetgeen enigszins verbeterde na de varicocèle-behandelingen”. Wat de door Yulius vermelde mededeling in de (niet overgelegde brief d.d. 27 april 2006) van uroloog Blitz betreft, maakt het hof uit vermeldingen in het door Yulius overgelegde rapport van haar medisch adviseur Nelemans op dat Blitz – anders dan Yulius stelt – niet heeft geschreven “Patiënt heeft nu geen pijnklachten meer”, maar “Patiënt heeft nu geen klachten meer” (p. 4, voetnoot 9). Uit de aanhaling uit diezelfde brief van Blitz op p. 13 van het rapport van Nelemans maakt het hof op dat de desbetreffende mededeling direct aansluit op de vaststelling: “Patiënt had klachten van een zwaar drukkend gevoel in de linker balzak (…)”. Het is derhalve, zo begrijpt het hof, alleszins aannemelijk dat Blitz niet zozeer vaststelt dat [geïntimeerde] inmiddels vrij was van pijnklachten maar van de genoemde klachten van het zwaar drukkende gevoel in de linker balzak. Ook Debruyne heeft de brief van Blitz in zijn beschouwing betrokken en daarin geen aanleiding gevonden om met betrekking tot de pijnklachten anders te oordelen dan hij heeft gedaan. 19. Kennelijk heeft Debruyne de aanwezigheid van de voortdurende pijn vanaf het ongeval relevant gevonden voor zijn oordeel dat de nadien opgetreden neuralgieforme pijn – waarvan het volgens Debruyne onwaarschijnlijk was dat die in causaal verband stond tot de varicocèle en de behandeling daarvan – eveneens in verband stond tot het ongeval. Debruyne heeft voorts geschreven dat neuralgieforme pijnen in de liesstreek ook kunnen voorkomen zonder trauma, en dat dit wel eens voorkomt bij psychisch belaste anamneses of stressgevoelige patiënten, maar dat dergelijke klachten het meest worden gezien na operaties in het scrotumgebied of in de liesstreek, hetgeen hier niet het geval is (rapport 19 augustus 2014, p. 7). Naar ’s hofs oordeel heeft Debruyne hiermee een duidelijk gemotiveerd oordeel gegeven over de causaliteitsvraag mede in het licht van de door Yulius aangevoerde omstandigheden. Het hof zal dan ook, nu de betwisting door Yulius onvoldoende is gemotiveerd, het oordeel van Debruyne volgen. 20. Dat wordt niet anders doordat Yulius betwist dat [geïntimeerde] ter vermindering van de pijnen ruime pijnstilling gebruikte (MvG, nr. 36 e.v.). Anders dan Yulius stelt, blijkt uit vermeldingen van correspondentie in het huisartsenjournaal over de betrokken periode wel degelijk van pijnklachten, zodat voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] hiervoor pijnstilling zal hebben gebruikt. Ook uit de door Yulius vermelde omstandigheid dat de bedrijfsarts [geïntimeerde] op 22 april 2006 hersteld heeft gemeld voor zijn werkzaamheden, volgt niet dat er toen aantoonbaar op geen enkele wijze pijnklachten aan de orde waren. 21. 21. De grieven 4 tot en met 10 van Yulius falen derhalve. 22. Met grief 11 keert Yulius zich ertegen dat de kantonrechter in het al genoemde rapport van Nelemans , medisch adviseur van Yulius, geen aanleiding heeft gezien terug te komen op haar voorlopige conclusie in het vonnis van 10 maart 2016, r.o. 2.21, dat de pijnklachten als gerelateerd aan het ongeval kunnen worden beschouwd, dat de kantonrechter overlegging van dat rapport te laat heeft geoordeeld en dat Yulius dat rapport zonder enige toelichting in het geding heeft gebracht. 23. Wat de klacht met betrekking tot het tijdstip van overlegging van het rapport van Nelemans betreft, mist Yulius belang. Bij de beoordeling van het hoger beroep speelt dit tijdstip immers geen rol. 24. De klacht dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Yulius het rapport van Nelemans zonder enige toelichting in het geding heeft gebracht, kan evenmin slagen, nu Yulius dat rapport bij brief van 22 augustus 2016 in het geding heeft gebracht en daarbij inderdaad geen enkele toelichting heeft verstrekt, terwijl uit het proces-verbaal van de zitting van 7 september 2016 slechts blijkt van een gelet op de forse omvang en inhoud van het (niet eenvoudig leesbare) rapport zeer summiere en daarom ontoereikende toelichting (p. 4, laatste alinea en p. 5, eerste alinea). 25. De kantonrechter is in r.o. 2.9 van het vonnis van 16 februari 2017 ingegaan op hetgeen aldus is toegelicht en zij is voorts in r.o. 2.12 van hetzelfde vonnis nader ingegaan op mogelijk overigens relevante gezichtspunten uit het rapport van Nelemans . Op hetgeen in deze rechtsoverwegingen is overwogen, gaat Yulius in de toelichting op grief 11 slechts in met de opmerking dat de kantonrechter de argumenten van Nelemans niet had mogen passeren met een verwijzing naar het tussenvonnis van 10 maart 2016 onder 2.14, 2.17 en 2.18, omdat in die rechtsoverwegingen wordt gerefereerd aan bevindingen van Debruyne, waarvan de juistheid en deugdelijkheid door Yulius juist uitdrukkelijk is en wordt betwist (MvG, nr. 57). Die opmerking levert naar het oordeel van het hof evenwel als zodanig niet een gemotiveerde betwisting op van de bevindingen van Debruyne. Bovendien houdt hetgeen in r.o. 2.12 van het vonnis van 16 februari 2017 is overwogen ook zonder de door Yulius gewraakte verwijzingen een overtuigende verwerping in van de door de kantonrechter ‘mogelijk relevant’ geachte gezichtspunten uit het rapport van Nelemans . 26. Ook voor het overige treft het hof, mede gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 18-20 is overwogen, in de toelichting op grief 11 geen met voldoende duidelijkheid gepresenteerde gemotiveerde betwisting aan van de bevindingen van Debruyne. Het hof merkt nog wel op dat Nelemans zichzelf aanduidt als ‘arts voor arbeid & gezondheid-verzekeringsarts’ en derhalve kennelijk geen uroloog is. Dat brengt mee dat het hof reeds om die reden aan de bevindingen van Nelemans op het vakgebied van Debruyne slechts beperkte betekenis hecht. Dit is bijvoorbeeld van belang waar Yulius stelt (MvG, nr. 63) dat de kantonrechter niet zomaar voorbij had mogen gaan aan de opmerking van Nelemans (p. 18 sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.