GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.238.097/01 Zaak-, rolnummer rechtbank : C/09/514963/HA ZA 16-849 Arrest van 17 september 2019 in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van: 1 [naam 1] , 2. [naam 2],beiden wonende te [woonplaats] ,appellanten,hierna te noemen: [appellanten] (mannelijk enkelvoud),advocaat mr. P.J. Ph. Dietz de Loos te Wassenaar, tegen STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag,geïntimeerde,hierna te noemen: de Staat,advocaat mr. M. Dijkstra te Den Haag. Het geding Bij exploot van dagvaarding van 24 april 2018 is [appellanten] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag op 28 februari 2018 tussen partijen gewezen vonnis (ECLI:NL:RBDHA:2018:2895). [appellanten] heeft daarin geconcludeerd tot vernietiging van dit vonnis (hierna ook: het bestreden vonnis) en tot veroordeling van de Staat in de proceskosten van beide instanties. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellanten] vijf grieven (genummerd 1a, 1b, 2, 3 en 4) aangevoerd en geconcludeerd “tot persistit”. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Vervolgens hebben partijen hun zaak mondeling doen bepleiten op 25 maart 2019. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellanten] de producties 1 tot en met 31 plus de producties 60 tot en met 62 in het geding gebracht. Namens [appellanten] is aan het begin van het pleidooi mr. Dietz de Loos opgetreden, waarna hij de zittingzaal heeft verlaten. Aansluitend is mr J. Vlaar (de advocaat in eerste aanleg) voor [appellanten] opgetreden. Daarna is arrest bepaald op 21 mei 2019. Bij brief van 20 mei 2019 heeft [appellanten] de wraking verzocht van de raadsheren mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, E.M. Dousma-Valk en H.C. Grootveld. Bij beslissing van de wrakingskamer van het hof van 4 september 2019 is [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek. Hierna is opnieuw arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep De feiten De door de rechtbank in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Zakelijk weergegeven en in dit hoger beroep van belang, gaat het geschil thans om het volgende.(2.1) Nadat onder andere tegen [appellanten] en [X] B.V. (hierna ook: de [Xbedrijven] ) een faillissementsverzoek was ingediend, was de behandeling hiervan aanvankelijk bepaald op de locatie Alkmaar van de rechtbank Noord-Holland. Op verzoek van de [Xbedrijven] is de behandeling verwezen naar de locatie Haarlem van de rechtbank Noord-Holland. Daar werd het verzoek in Haarlem behandeld op 21 juni 2016 door mr. W.S.J. Thijs. Kort na aanvang van deze behandeling hebben de [Xbedrijven] een wrakingsverzoek ingediend tegen zowel mr Thijs als de gehele rechtbank Noord-Holland.(2.2) De wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland heeft besloten geen datum voor een mondelinge behandeling te bepalen en heeft het wrakingsverzoek op 5 juli 2016 buiten behandeling gesteld. Tevens is daarbij bepaald dat een volgend verzoek om wraking (behoudens nieuwe feiten of omstandigheden) wegens misbruik van het wrakingsmiddel evenmin in behandeling zal worden genomen. [Hof: de inhoud van deze beslissing is geciteerd in het bestreden vonnis].(2.3) Hierna is de behandeling van het faillissementsverzoek voortgezet. Bij beslissing van 19 juli 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland het verzoek afgewezen. Het Hof Amsterdam heeft in hoger beroep bij beschikking van 13 september 2016 de [Xbedrijven] alsnog failliet verklaard.De vorderingen van [appellanten] in eerste aanleg en de beslissingen in het bestreden vonnis (zakelijk weergegeven) De eerste twee vorderingen hebben betrekking op voormelde wrakingsprocedure. Met vordering I vordert [appellanten] een verklaring voor recht dat bij beslissing van 5 juli 2016 sprake is (geweest) van onrechtmatige rechtspraak, waarvoor de Staat aansprakelijk is. Met vordering II vordert [appellanten] schadevergoeding in natura, en wel aldus dat de Staat wordt opgedragen om te bevorderen dat het wrakingsverzoek alsnog door een andere rechtbank (primair de rechtbank Midden-Nederland) wordt behandeld. Met vordering III vordert [appellanten] om op kosten van de Staat een onafhankelijk onderzoek te gelasten naar de gang van zaken rond de zogenaamde Novacap-affaire en de faillissementen van de [Xbedrijven] en de heren [appellanten] in persoon. Met Novacap-affaire wordt gedoeld op de handelwijze van het beleggingsfonds Novacap ten aanzien van termijntransacties in tulpenbollen van nieuwe rassen. De rechtbank heeft vorderingen I en II afgewezen, kort gezegd op grond van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Vordering III is afgewezen, kort gezegd wegens schending van het kenbaarheidsvereiste. De vorderingen in hoger beroep Bij pleidooi heeft het hof aan mr Dietz de Loos gevraagd hoe de vordering in hoger beroep moet worden gelezen, gelet op de formulering ervan in de appeldagvaarding en memorie van grieven, waardoor het lijkt alsof de vordering slechts op de proceskosten is gericht. Mr Dietz de Loos heeft toegelicht dat bedoeld is te concluderen tot alsnog toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg. De advocaat van de Staat, Mr. Dijkstra, heeft tegen deze uitleg bezwaar gemaakt, omdat het naar zijn mening aldus zou gaan om een te late vermeerdering van eis. Het hof verwerpt dit bezwaar, aangezien deze (aannemelijke) uitleg de verdedigingspositie van de Staat niet wezenlijk verandert.De grieven van [appellanten] Volgens grief 1a heeft de rechtbank deze procedure ten onrechte beschouwd als een verkapt beroep tegen de afwijzing van het wrakingsverzoek. Met grief 1b wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank (in 4.5 van het bestreden vonnis) dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in de weg staat aan het ter discussie stellen van de betreffende wrakingsbeslissing via een vordering uit onrechtmatige daad. Grief 2 bevat als klacht dat de rechtbank ten onrechte (in r.o. 4.7) heeft geoordeeld dat [appellanten] met zijn vordering wil bewerkstelligen dat hij met de wraking terecht kan bij een andere rechtbank. Grieven 3 en 4 bevatten klachten over r.o. 4.16 en r.o. 4.18, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat [appellanten] niet heeft voldaan aan het ‘kenbaarheidsvereiste’; anders gezegd dat [appellanten] niet voldoende concreet heeft onderbouwd welke verwijten hij de Staat precies maakt in de Novacap-affaire en waarom de Staat in dat kader volgens [appellanten] onrechtmatig heeft gehandeld. De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Beoordeling van de grieven 1a, 1b en 2 De grieven 1a, 1b en 2 gaan over de gang van zaken rond het door de [Xbedrijven] ingediende wrakingsverzoek van 21 juni 2016. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De grieven worden verworpen. Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.5, 4.6 en 4.7 en maakt dit oordeel tot het zijne. Het hof verduidelijkt dit nog als volgt. Tegen de beslissing op een wrakingsverzoek staat volgens artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open. Dit betekent dat deze beslissing met de uitspraak van de wrakingskamer van de rechtbank definitief is. Dit is slechts anders als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.