Rolnummer: 22-004754-18 Parketnummer: 83-031841-18 Datum uitspraak: 2 september 2019 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1965, [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 19 augustus 2019. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de eerder tegen de verdachte uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 4 dagen hechtenis. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: dat hij op of omstreeks 22 oktober 2017 te Rotterdam, al dan niet opzettelijk, als degene die met een voertuig langs de weg gevaarlijke stoffen vervoert, niet de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen ( bord model h1 van Bijlage 1 van de Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990) van gemeenten heeft vermeden, immers heeft hij, verdachte, een (leeg en/of ongereinigd) voertuig, te weten een trekker (kenteken [X]) met (tank)oplegger (kenteken [Y]), waarin gevaarlijke stoffen (te weten een hoeveelheid Methanol, UN nummer 1230) vervoerd waren geweest, langs de (openbare) weg, De [straat] te Rotterdam, binnen de bebouwde kom van de gemeente Rotterdam laten staan. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: dat hij op of omstreeks 22 oktober 2017 te Rotterdam, al dan niet opzettelijk, als degene die met een voertuig langs de weg gevaarlijke stoffen vervoert, niet de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen (bord model h1 van Bijlage 1 van de Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990) van gemeenten heeft vermeden, immers heeft hij, verdachte, een (leeg en/of ongereinigd) voertuig, te weten een trekker (kenteken [X]) met (tank)oplegger (kenteken [Y]), waarin gevaarlijke stoffen (te weten een hoeveelheid Methanol, UN nummer 1230) vervoerd waren geweest, langs de (openbare) weg, De [straat] te Rotterdam, binnen de bebouwde kom van de gemeente Rotterdam laten staan. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen - op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu de tenlastegelegde gedragingen geen strafbare feiten opleveren. Hiertoe is door de raadsman aangevoerd dat op grond van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, sub b van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs) de plicht om de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten te vermijden niet van toepassing was. Het hof overweegt hierover het volgende. De verdachte wordt blijkens de tenlastelegging verweten dat hij al dan niet opzettelijk en in strijd met artikel 5 juncto artikel 19 Wvgs niet de bebouwde kom heeft vermeden, aangezien hij een trekker met oplegger waarin zich resten van een gevaarlijke stof bevonden, binnen de bebouwde kom langs de openbare weg heeft laten staan. De basis van de Wvgs is het Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route (hierna: ADR). Het staat de nationale wetgever echter vrij verdergaande beschermingsmaatregelen te treffen dan voorzien in het ADR (zie daarvoor het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5975). Van die mogelijkheid heeft de Nederlandse wetgever gebruik gemaakt door het door hem in het leven geroepen voorschrift dat degene die met een voertuig over de weg (resten van) gevaarlijke stoffen vervoert, de bebouwde kom dient te vermijden (artikel 19 Wvgs). Laatstgenoemd artikel is derhalve bepalend in dezen. Het tweede lid van artikel 19 Wvgs verklaart het eerste lid niet van toepassing voor zover het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.