GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-19/00337 Uitspraak van 10 september 2019 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Leidschendam-Voorburg, de Heffingsambtenaar, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 mei 2019, nr. SGR 18/7857. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2017 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [Y] te [Z] (de woning), voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 408.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslag) van de gemeente [Z] . 1.2. De Heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De griffier heeft ter zake een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De griffier heeft ter zake een griffierecht geheven van € 128. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 juli 2019. Belanghebbende is verschenen. De Heffingsambtenaar is niet verschenen. 1.6. Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de Heffingsambtenaar een e-mail gestuurd naar het Hof, met daarin de mededeling dat hij vanwege problemen met het openbaar vervoer niet tijdig ter zitting kon verschijnen en hij zich vergeefs bij de bodedienst heeft gemeld omdat de zitting al gesloten was. Uit de e-mail blijkt voorts dat de Heffingsambtenaar zijn standpunt handhaaft dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Beoordeling 2.1. Tussen partijen is de waarde van de woning in geschil. 2.2. De waarde van de woning wordt ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (1992/93, 22 885, nr. 3, p. 43-44). 2.3. De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde van de woning niet te hoog is. 2.4. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de vastgestelde waarde van de woning een waardematrix in het geding gebracht, opgemaakt door [A] , taxateur. In die matrix is de waarde van de woning bepaald op € 408.000, waarbij gebruik is gemaakt van de transactieprijzen behaald bij de verkoop van de volgende woningen: [B] , [C] , [D] en [E] , alle gelegen in [Z] (de vergelijkingsobjecten). 2.5.1. In de matrix heeft de Heffingsambtenaar om rekening te houden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten en de vergelijkingsobjecten onderling wat betreft kwaliteit, onderhoud en ligging voor elk van deze aspecten aan de woning en de vergelijkingsobjecten een factor, oplopend van 1 tot en met 5, toegekend. Deze factoren staan voor: 1: Zeer slecht (-30%) 2: Slecht (-15%) 3: Gemiddeld 4: Goed (+10%) 5: Zeer goed (+30%) 2.5.2. Het Hof stelt voorop dat, indien, zoals in het onderhavige geval, bij de waardebepaling gebruik wordt gemaakt van een methode van systematische vergelijking van de woning met vergelijkingsobjecten, niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Wel is vereist dat de Heffingsambtenaar bij de herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten voldoende rekening houdt met de tussen de woning en de vergelijkingsobjecten en tussen de vergelijkingsobjecten onderling bestaande, voor de waardebepaling relevante verschillen, waaronder de door de Heffingsambtenaar in de matrix genoemde verschillen in kwaliteit, ligging en onderhoud. Het staat de Heffingsambtenaar vrij om deze verschillen tot uitdrukking te brengen in factoren zoals die welke onder 2.5.1 zijn vermeld, mits hij de toekenning van de factoren en het door hem aan verschillen tussen de toegekende factoren toegekende gewicht onderbouwt met door hem in het geding gebrachte marktgegevens of andere relevante, toetsbare gegevens. Een dergelijke onderbouwing van de toegekende factoren en het daaraan toegekende gewicht heeft de Heffingsambtenaar in de taxatiematrix noch anderszins gegeven. Mitsdien heeft de Heffingsambtenaar met deze factoren niet aannemelijk gemaakt dat hij bij de herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten in voldoende mate rekening heeft gehouden met de tussen de met elkaar vergeleken woningen bestaande verschillen. 2.5.3. Uit de matrix blijkt niet dat met verschillen in bouwjaar en woningtype - het object [E] (tussenwoning) betreft een ander woningtype dan de woning en de andere in de matrix opgenomen vergelijkingsobjecten (twee onder een kap woningen) - bij de herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten rekening is gehouden. Door de vermelding van het bouwjaar en het woningtype van de woning en de vergelijkingsobjecten in de matrix geeft de Heffingsambtenaar aan dat beide gegevens van belang kunnen zijn bij de herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Zo de Heffingsambtenaar van mening is dat in dit geval aan de verschillen in het bouwjaar en – wat betreft het vergelijkingsobject [E] – het woningtype voorbij kan worden gegaan, heeft hij nagelaten dit toe te lichten. 2.6.1. Het Hof leidt uit de waardematrix af dat de rekenprijs per m2 vloeroppervlak van het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.