GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.239.169/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/506205 / HA ZA 16-719 arrest van 19 februari 2019 inzake [appellant] , [appelante] , beiden wonende te [woonplaats] , appellanten in het principaal appel, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] of individueel [appellant] en [appelante] , advocaat: mr. S.M. van Luijk te Utrecht, tegen mr. [naam curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam vastgoed B.V.] B.V., kantoorhoudend te Rotterdam, geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. W. Buikstra te Rotterdam. Het geding 1. Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van 5 juni 2018 verwijst het hof naar dat arrest. De in dat arrest bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 19 september 2018. Van die comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Bij memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met één productie, heeft de curator vervolgens de in het appelexploot opgenomen grieven van [appellanten] bestreden en heeft hij drie grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel aangevoerd en toegelicht. [appellanten] hebben die grieven bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel weersproken. Ten slotte is arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep 2. Het hof gaat uit van de volgende feiten: a. De vennootschap [naam vastgoed B.V.] B.V. (hierna: [naam vastgoed B.V.] ) heeft op enig moment de aan haar in eigendom toebehorende woonboerderij met omliggende grond, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woonboerderij), te koop aangeboden. Op 16 juni 2015 is [naam vastgoed B.V.] in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator in die hoedanigheid. In juni 2015, nog vóór het faillissement van [naam vastgoed B.V.] , hebben [appellanten] de woonboerderij bezichtigd. In de verkoopbrochure van de woonboerderij, die [appellanten] van de door [naam vastgoed B.V.] ingeschakelde verkoopmakelaar hebben ontvangen, staat onder meer: “Het perceel achter de wetering maakt dit landgoed compleet. Het bestaat uit een lange oprit van grind, met lantaarns.” Op 9 juli 2015, dus na het faillissement van [naam vastgoed B.V.] , hebben [appellanten] in aanwezigheid van mr. [X] , een toenmalig medewerker van de curator (hierna: [X] ), de woonboerderij opnieuw bezichtigd. Op dat moment waren de lantaarns op de oprit niet meer aanwezig. Tussen [appellanten] en de curator is vervolgens overeenstemming bereikt over de koop van de woonboerderij door [appellanten] Op 18 augustus 2015 is de koopovereenkomst ondertekend. Die is op 15 september 2015 aangevuld met een addendum, dat geen voor dit geschil relevante bepalingen kent. Ook op 15 september 2015 heeft de levering van de woonboerderij plaatsgevonden. In de koopovereenkomst zijn, voor zover relevant, onder meer de volgende bepalingen opgenomen: Artikel 4. a. De feitelijke levering van het Verkochte aan de Koper zal geschieden in de staat, waarin het zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt. (…) Artikel 5. (…) b. De Koper aanvaardt uitdrukkelijk alle aan het Verkochte verbonden lasten, alsmede alle feitelijke, juridische en fiscale gebreken en beperkingen. (…) Artikel 9. (…) 3. De Koper is zich bewust dat het gestelde in deze bepalingen onder andere en met name betekent dat wordt afgezien van elk recht om nu of later van de Verkoper een vergoeding te vorderen van enige schade van welke aard dan ook die de Koper mocht lijden. (…).” 3. [appellanten] vorderen in dit geding veroordeling van de curator tot betaling van € 33.918,72, alsmede veroordeling van de curator in de kosten van het geding. Aan die vordering leggen zij, samengevat weergegeven, ten grondslag dat de curator is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis uit de koopovereenkomst om de bij de woonboerderij behorende lantaarns te leveren, dat hij onrechtmatig heeft gehandeld of heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid. 4. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 4 januari 2017 in de eerste plaats geoordeeld dat [appellanten] de woonboerderij hebben geaccepteerd in de staat zoals deze zich op 9 juli 2015 bevond, zodat de lantaarns niet tot het verkochte behoorden. De rechtbank voegde daaraan toe dat dit anders zou liggen indien door [X] een toezegging met betrekking tot de lantaarns is gedaan en de curator aan die toezegging is gebonden. De vraag of de curator gebonden zou zijn aan een toezegging, gedaan door [X] , heeft de rechtbank bevestigend beantwoord. Met betrekking tot die gestelde toezegging heeft de rechtbank aan [appellanten] een bewijsopdracht gegeven. 5. Vervolgens zijn als getuigen gehoord: [appelante] [appellant] [X] [Y] (hierna: [Y] ), kandidaat-notaris [Z] (hierna: [Z] ), paralegal verbonden aan het kantoor van de notaris 6. In het eindvonnis heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [X] toezeggingen aan [appellanten] heeft gedaan, en is de vordering afgewezen. [appellanten] zijn veroordeeld in de kosten van het geding, maar de rechtbank heeft de vordering van de curator, strekkende tot een veroordeling van [appellanten] in de werkelijke kosten van de procedure, afgewezen. 7. [appellanten] vorderen in hoger beroep vernietiging van het tussenvonnis en het eindvonnis en veroordeling van de curator tot betaling van € 33.918,72 en in de kosten van het geding. De door [appellanten] aangevoerde grieven laten zich als volgt samenvatten. Met grief I komen [appellanten] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] de woonboerderij hebben geaccepteerd in de staat zoals deze zich op 9 juli 2015 bevond. Grief II komt op tegen de overweging van de rechtbank dat vast moet komen te staan dat [X] tegen [appellanten] heeft gezegd dat hij “er nog naar zou kijken / er achteraan zou gaan”, “dat het goed zou komen” en dat “er zo nodig een vergoeding zal worden betaald” (althans woorden van gelijke strekking) en dat [appellanten] alsdan op grond van deze mededelingen ervan mochten uit gaan dat de lantaarns onderdeel uitmaakten van het verkochte. [appellanten] voeren aan dat ten onrechte is aangenomen dat het gaat om cumulatieve mededelingen van [X] , terwijl voor hen als leken voldoende is dat [X] heeft verklaard dat hij “er nog naar zou kijken/ er achteraan zou gaan.” Met grief III komen [appellanten] op tegen de bewijswaardering door de rechtbank. 8. In het voorwaardelijk incidenteel appel vordert de curator dat het vonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [appellanten] worden afgewezen. De grieven van de curator laten zich als volgt samenvatten. Met grief 1 voert de curator aan dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd tussen partijen is getreden door te oordelen dat [appellanten] in reactie op het verweer van de curator dat er geen sprake is van verzuim, een beroep hebben gedaan op het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW. Grief 2 is gericht tegen het feit dat de rechtbank acht heeft geslagen op de getuigenverklaringen van [Y] en [Z] . De curator voert in dit verband aan dat de bewijsopdracht was gericht op gebeurtenissen voorafgaand aan de koopovereenkomst, terwijl [Y] en [Z] slechts een verklaring hebben afgelegd over hetgeen op de dag van levering is voorgevallen. Met grief III voert de curator aan dat ten onrechte door de rechtbank niet in het vonnis is opgenomen dat [appellanten] op grond van artikel 9 lid 3 van de koopovereenkomst afstand hebben gedaan van elk recht op schadevergoeding. 9. Bij beoordeling van de grieven in het principaal appel stelt het hof het volgende voorop. [appellanten] hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan hun vordering primair ten grondslag gelegd dat de lantaarns tot het verkochte behoorden en dus dat de curator is tekortgeschoten in de nakoming van een uit de koopovereenkomst voor hem voortvloeiende verbintenis. Subsidiair hebben zij gesteld dat de curator onrechtmatig heeft gehandeld en meer subsidiair dat de curator in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld. Die subsidiaire en meer subsidiaire grondslag hebben zij (in hoger beroep) niet uitgewerkt, zodat binnen het door de grieven ontsloten gebied beoordeeld moet worden of hun primaire stelling slaagt dat de lantaarns tot het verkochte behoren. 10. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de stelling dat op de curator ook de verbintenis rustte de lantaarns te leveren, rust op [appellanten] aangezien zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroepen. De koopovereenkomst is een onderhandse akte die dwingend bewijs oplevert, maar die vermeldt hierover niets; [appellanten] stellen dat ook niet. De curator heeft zich bij zijn verweer wel op artikel 4 sub a van de koopovereenkomst beroepen, maar omdat zijn verweer op dit punt niet een bevrijdend verweer is maar een betwisting van de stelling dat hij op zich heeft genomen de lantaarns te leveren, en hij de bewijslast van die betwisting niet draagt, kan in het midden blijven of de dwingende bewijskracht van de koopovereenkomst door [appellanten] op dit onderdeel is ontzenuwd. 11. [appellanten] betwisten op zichzelf ook niet dat het bepaalde in artikel 4 van de koopovereenkomst tussen partijen is overeengekomen, maar leggen aan hun vordering – en aan al hun grieven (zie bijvoorbeeld randnummer 29 appelexploot en randnummer 12 memorie van antwoord in incidenteel appel) - ten grondslag dat in afwijking van of in aanvulling op de koopovereenkomst door [X] een toezegging is gedaan met betrekking tot de lantaarns op basis waarvan moet worden geoordeeld dat die lantaarns toch tot het verkochte behoorden, althans op basis waarvan [appellanten] daarop mochten vertrouwen. 12. Het hof zal daarom beoordelen of is komen vast te staan dat door [X] een toezegging is gedaan waaruit moet volgen dat de lantaarns tot het verkochte behoren. Het gaat er daarbij, anders dan grief 2 tot uitgangspunt neemt, niet om dat [X] cumulatief de in rechtsoverweging 4.2.4 van het tussenvonnis opgenomen bewoordingen heeft gebruikt. Zoals de rechtbank ook tot uitdrukking heeft gebracht met de zinsnede “althans woorden van gelijke strekking” gaat het erom of [X] op enige wijze een toezegging heeft gedaan waaruit moet worden afgeleid dat de lantaarns tot het verkochte behoorden. 13. Bij beoordeling van de vraag of een dergelijke toezegging is gedaan, is het hof met de curator (randnummer 10 antwoordconclusie na enquête) van oordeel dat het feit dat [X] heeft gezegd dat hij “er achteraan zou gaan” en “zou uitzoeken” wat er met de lantaarns was gebeurd, niet voldoende is voor de conclusie dat de lantaarns tot het verkochte behoorden en door de curator geleverd zouden worden. Reeds bij de tweede bezichtiging was immers duidelijk dat de lantaarns waren verdwenen. Ten tijde van die tweede bezichtiging was er nog geen sprake van een koopovereenkomst, en zelfs nog niet van een onderhandelingssituatie tussen partijen. Een verklaring van [X] dat hij “er achteraan zou gaan” en/of het “zou uitzoeken” betekent in dat stadium dan ook niet dat [X] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.