GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.233.411/01 Zaak- rolnummer rechtbank : C09/495695 / HA-ZA 15-1021 arrest van 22 oktober 2019 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. C.B. de Jong te Amsterdam. Het verloop van het geding De man is op 19 december 2017 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 2 november 2016 (tussenvonnis) en 20 september 2017 (eindvonnis) van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen. Bij memorie van grieven heeft de man vier grieven geformuleerd. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw verweer gevoerd, tevens heeft zij incidenteel appel ingesteld alsmede heeft zij haar eis vermeerderd. De man heeft gediend voor antwoord in het incidentele appel, tevens heeft hij gereageerd op de vermeerdering van eis. Alleen de man heeft zijn procesdossier gefourneerd. Beide partijen hebben om arrest gevraagd. De beoordeling van het hoger beroep Algemeen 1. Voor zover tegen de feiten geen grieven zijn geformuleerd gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de rechtbank in het bestreden tussenvonnis zijn vastgesteld. Bestreden eindvonnis 20 september 2017 2. De rechtbank heeft in het eindvonnis van 20 september 2017 als volgt beslist: in de hoofdzaak in conventie en reconventie, voor zover nog aan het oordeel van de rechtbank onderworpen: 4.1 veroordeelt de man om binnen zes weken na betekening van het vonnis mee te werken aan de eigendomsoverdracht van de [straatnaam] aan hemzelf tegen de waarde van € 610.000,-; 4.2 waarbij, in het geval de man zijn medewerking aan de eigendomsoverdracht weigert, het vonnis de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van de man zal vervangen ex art. 3:300 lid 2 BW en dezelfde kracht heeft als een in de wettige vorm opgemaakte akte van de man; 4.3 veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van haar aandeel in de waarde in de [straatnaam] (€ 610.000 – de overdrachtskosten : 2), aan haar te voldoen ter gelegenheid van het transport bij de notaris; 4.4 bepaalt dat van het depot onder de notaris aan de man toekomt € 206.379,49 en aan de vrouw toekomt € 248.379,49; 4.5 veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw binnen acht weken na de betekening van het vonnis: - van een bedrag à € 33.081,77, - van een bedrag gelijk aan de helft van de waarde van de Volkswagen [volgt type] per 1 december 2012, tot een bedrag van € 10.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 september 2012, voor het overige te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van acht weken na de betekening van het vonnis; 4.6 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.7 compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.8 wijst het meer of anders gevorderde af; in het incident 4.9 compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.10 wijst af het meer of anders gevorderde. De vordering van de man 3. De man vordert dat het dit hof moge behagen de bestreden vonnissen, voor zover beroep (het hof begrijpt: voor zover in hoger beroep bestreden) te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw alsnog af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep te vermeerderen met de kosten voor beslaglegging van € 1.883,41. De vordering van de vrouw 4. De vrouw vordert in het principaal appel dat het dit hof behage om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in het principaal appel, inclusief de kosten van € 825,09 van het in oktober 2017 door de vrouw gelegde beslag onder de notaris. In het incidenteel appel vordert de vrouw dat het dit hof behage om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen op de onderdelen waarvan incidenteel beroep te vernietigen, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, en opnieuw rechtdoende, arrest te wijzen en de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen: I. een bedrag van € 11.992,04 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening; II. een bedrag van € 13.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening; III. een bedrag van € 1.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, doch voor zover grief 2 in incidenteel appel niet volledig doel treft; IV. een bedrag van € 51.184,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betaaldata van de diverse huurtermijnen tot aan de dag der algehele voldoening; V. een bedrag van € 1.136,21 (wettelijke rente Volkswagen [volgt type] ); VI. een bedrag van € 811,94 (wettelijke rente Interpolis); VII. het bedrag van de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van de vrouw; met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in het incidenteel appel; in reconventie Dat het het hof behage om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen: I. een bedrag van € 3.147,35 (restant inzake de Opmaatverzekering Interpolis) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening; II. een bedrag van € 70.000,-, althans een door het hof in goede justitie schattenderwijs vast te stellen bedrag, althans een door het hof aan de hand van een deskundigenbericht vast te stellen bedrag (schade waardeverschil woning april 2015 - juni 2018) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de zevende dag na betekening van het ten deze te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening; III. een bedrag van € 13.390,- (wettelijke rente over depotdeel ad € 248.379,49 notaris) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de zevende dag na betekening van het in deze te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening; IV. € 16.773,20 (wettelijke rente over uitkoopbedrag ad € 305.000,- [straatnaam] ) te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de zevende dag na betekening van het in deze te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening; met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in reconventie. Beschikking rechtbank Den Haag 1 juni 2012 inzake echtscheiding en verdeling 5. De rechtbank heeft bij beschikking van 1 juni 2012 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld onder de voorwaarde dat de huwelijksgoederengemeenschap wordt ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in het register van de burgerlijke stand. 6. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op 26 september 2012 en derhalve is op die datum de huwelijksgoederengemeenschap overeenkomstig het toen geldende recht ontbonden. Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap is voormelde datum van belang. 7. Het hof heeft uit de procestukken niet kunnen afleiden dat partijen tegen de beschikking van 1 juni 2012 in hoger beroep zijn gegaan. Met betrekking tot de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap dient derhalve uitgegaan te worden van hetgeen de rechtbank in die beschikking heeft overwogen en beslist. Hypotheekrente tweede hypotheekdeel met nummer [volgt nr.] 8. De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat hij de helft moet betalen van het tweede hypotheekdeel met nummer [volgt nr.] , in totaal € 774,68 bruto per maand, tot een totaalbedrag van € 11.992,04. De man betwist dat hij ter zitting er mee heeft ingestemd dat hij de helft van de hiervoor genoemde hypotheekrente zou voldoen. 9. Het hof begrijpt uit het verweer van de vrouw dat de afspraak met betrekking tot de hiervoor vermelde hypotheekrente volgens haar wel is gemaakt (zie MvA, nr. 35). 10. Het hof overweegt als volgt. Partijen waren in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. De aan de orde zijnde geldlening is een gemeenschapsschuld en uit dien hoofde is de man in beginsel voor de helft draagplichtig met betrekking tot die schuld, hetgeen betekent dat hij ook draagplichtig is met betrekking tot de rente die over die lening verschuldigd is. 11. Uit het relaas van het proces-verbaal van de zitting van 27 september 2017 valt te destilleren dat de man het er mee eens was dat hij de helft van de hypotheekrente zou voldoen. De advocaat van de man verklaarde: ‘Wij zijn het uit praktische overwegingen eens met de door de vrouw genoemde bedragen.’. 12. Gezien de inhoud van het proces-verbaal alsmede hetgeen de vrouw heeft gesteld in haar MvA is hof van oordeel dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de draagplicht van de hypotheekrente. 13. De overige argumenten die de man in dit verband aanvoert acht het hof rechtens niet relevant, aangezien slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken van de draagplicht bij helfte van gemeenschapsschulden. 14. Nu volgens de vrouw overeenstemming tussen partijen is bereikt met betrekking tot de draagplicht voor de hypotheekrente, is zij naar het oordeel van het hof ook gebonden aan die afspraak. Grief 1 van haar incidentele appel behoeft derhalve geen bespreking. Volkswagen [volgt type] 15. De man is het er niet mee eens dat de rechtbank voor de waardering van de Volkswagen [volgt type] uitgaat van de waarde per 1 december 2012. In nr. 17 van zijn MvG geeft de man aan dat hij geen actie heeft ondernomen met betrekking tot de verkoop van de Volkswagen [volgt type] aangezien de vrouw niet meewerkt aan de verdeling van de inboedel. In nr. 16 van zijn MvG stelt de man dat hij inmiddels toedeling wenst van de Volkswagen [volgt type] . 16. De vrouw acht het redelijk en billijk dat voor de waarde van de Volkswagen [volgt type] wordt uitgegaan van de peildatum 1 december 2012. De man beschikte dan over vijf maanden tijd om de Volkswagen [volgt type] te verkopen. De man had feitelijk de beschikking over de Volkswagen [volgt type] . 17. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de beschikking van 1 juni 2012 is de Volkswagen [volgt type] verdeeld. Het hof begrijpt de beslissing van de rechtbank dat deze auto moet worden verkocht, aldus dat de rechtbank daarmee de wijze van verdeling heeft toegepast als bedoeld in artikel 3:185 lid 2, onder c, BW. Die verdeling als zodanig is niet in geschil tussen partijen, maar wel voor welke waarde die auto in de verdeling moet worden betrokken. Tegen deze achtergrond kan het hof de auto niet meer toedelen aan de man. 18. De rechtsverhouding tussen de deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is wordt bepaald door alle feiten en omstandigheden van het desbetreffende geval. Vaststaat dat de man feitelijk over de Volkswagen [volgt type] beschikte. De argumenten die de man naar voren heeft gebracht om niet tot verkoop van de Volkswagen [volgt type] over te gaan, acht het hof niet valide. Feit blijft dat uitsluitend de man steeds de beschikking heeft gehad over dit gemeenschapsgoed. Van de man had in redelijkheid kunnen worden verlangd dat hij de vrouw had benaderd om over te gaan tot verkoop van de Volkswagen [volgt type] . Gezien de feitelijke gang van zaken acht het hof het in dit geval redelijk en billijk dat de rechtbank is uitgegaan van de waarde van de Volkswagen [volgt type] per datum 1 december 2012. Contante geldopnames 19. Vaststaat dat de man in de periode van 1 juni 2012 tot en met 26 september 2012 een bedrag heeft opgenomen van € 23.400,-. Zowel de man als de vrouw richten een grief tegen de rechtsoverwegingen 3.23 tot en met 3.26 van het bestreden eindvonnis. 20. Uit het betoog van de vrouw volgt dat zij zich beroept op artikel 3:194 lid 2 BW, hetgeen tot gevolg heeft dat het bedrag van € 23.400,- uitsluitend toekomt aan de vrouw. Door de vrouw is onder meer aangevoerd, dat de man achter de rug van de vrouw om de [Naam] portefeuille heeft geliquideerd en het geld op zijn rekening 243 heeft laten storten. Toen uit de echtscheidingsbeschikking volgde dat ook de [Naam] rekening voor de helft van de contante waarde moest worden uitgekeerd aan de vrouw heeft de man structureel, door geld te pinnen, de rekening 243 leeggehaald, terwijl hij wist dat het op die rekening gestalde saldo van [Naam] in de te verdelen gemeenschap viel. De man heeft het geld opzettelijk heimelijk buiten de verdeling gehouden. Aan het bewijs van de opzet als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW mogen dan hoge eisen worden gesteld, maar daar is ruimschoots aan voldaan. Immers, behalve dat vast staat dat de man zonder medeweten van de vrouw de [Naam] rekening geliquideerd heeft en het bedrag heeft laten storten op zijn rekening 243, heeft de man het bedrag in contanten van deze rekening afgehaald en verstopt onder zijn matras. Dat is wat de man verklaard heeft als antwoord op de vraag van de rechter wat hij met het geld heeft gedaan. Gezien deze handelswijze van de man is de vrouw van mening dat het bedrag van € 23.400,- volledig aan haar moet worden uitgekeerd. 21. De man is van mening dat niet is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3:194 lid 2 BW. Door de man wordt erkend dat hij de opbrengst van de aandelenportefeuille heeft gestort op rekening 243. Er bestaat geen relatie tussen de echtscheidingsbeschikking en het pinnen van bedragen van rekening 243, zoals de vrouw suggereert. De man betwist dat zijn handelen niet in de haak was (zie ook nr. 25 van zijn MvA). 22. Het hof overweegt als volgt. Voor een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW is opzet vereist, in die zin dat de man wist dan wel behoorde te weten dat het goed tot de gemeenschap behoorde (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3262). In dit geval gaat het om gelden die de man contant van rekening 243 heeft opgenomen, waarbij de man wist of behoorde te weten dat die gelden tot de ontbonden gemeenschap behoorden. Naar het oordeel van het hof volgt uit het feitencomplex van een opzettelijke verzwijging – als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW – door de man van de aanwezige gelden tot een bedrag van € 23.400,-. De man heeft zonder medeweten van de vrouw (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.