GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel Recht Zaaknummer : 200.227.609/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : 5614940 \ RL EXPL 16-35323 Arrest van 17 september 2019 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. J. Tromp te Leiden, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag. Het geding Bij exploot van 9 oktober 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 juli 2017 dat de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, team handel, tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven, tevens wijziging van eis (met producties) heeft [appellant] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en zijn eis gewijzigd. De Staat heeft de grieven van [appellant] bij memorie van antwoord bestreden. Tot slot is arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep 1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten in paragraaf 1. van het bestreden vonnis, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende. 1.1. Op 19 januari 2013 is [appellant] aangehouden vanwege het rijden onder invloed. 1.2. Bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 12 december 2013 is [appellant] daarvoor veroordeeld tot betaling van een geldboete en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna ook: de OBM) voor de duur van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. 1.3. Op grond van artikel 180, lid 3, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) geschiedt de tenuitvoerlegging van de OBM pas nadat aan de veroordeelde in persoon een schrijven is uitgereikt, waarin het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging en de verplichting tot inlevering van het rijbewijs uiterlijk op dat tijdstip is medegedeeld. 1.4. In januari 2014 is geprobeerd de kennisgeving ontzegging rijbevoegdheid in persoon aan [appellant] te betekenen. Dit is toen niet gelukt. Op 12 september 2014 is de kennisgeving wel in persoon aan [appellant] uitgereikt. Op 18 september 2014 heeft [appellant] zijn rijbewijs bij het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) ingeleverd. 1.5. Bij brief van 18 september 2014 heeft het OM onder meer aan [appellant] bericht dat de OBM is ingegaan op de datum van inlevering van het rijbewijs, zijnde 18 september 2014, en loopt tot 15 februari 2015. 1.6. [appellant] heeft vervolgens een gratieverzoek ingediend. Bij brief van 22 december 2014 heeft het OM aan [appellant] laten weten dat de Minister van Justitie in verband met het gratieverzoek op 22 december 2014 de verdere tenuitvoerlegging van de opgelegde rijontzegging heeft opgeschort. Het OM heeft het rijbewijs aan [appellant] teruggestuurd in afwachting van de beslissing op het gratieverzoek. 1.7. Bij Koninklijk Besluit van 22 januari 2015 is het gratieverzoek toegewezen, in die zin dat het onvoorwaardelijke deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid is kwijtgescholden. In het Koninklijk Besluit staat vermeld: " het vonnis blijft echter onveranderd". 1.8. De Stichting Centraal Informatie Systeem (Stichting CIS) is een stichting voor in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen. De Stichting CIS beheert in haar databank gegevens die voor haar deelnemende verzekeraars en gevolmachtigden van belang kunnen zijn, zoals ingediende schadeclaims. Ook door de rechter uitgesproken, onherroepelijke en voor tenuitvoerlegging vatbare ontzeggingen van de rijbevoegdheid worden geregistreerd (artikel 3 van het CIS Privacyreglement). De Minister voor Verkeer en Waterstaat heeft hiervoor goedkeuring verleend. Artikel 6 lid 5 van het CIS Privacyreglement luidt: "Meldingen van de ontzegging van de rijbevoegdheid zijn tot maximaal vijf jaar na afloop van de ontzeggingsperiode raadpleegbaar via de CIS databank." 1.9. Het onvoorwaardelijke deel van de aan [appellant] opgelegde OBM is op 23 december 2014 opgenomen in de databank van de Stichting CIS. Als einddatum van de rijontzegging stond aanvankelijk 15 februari 2015 vermeld (zie hierboven onder 1.5.). 1.10. [appellant] heeft de Stichting CIS verzocht de registratie van de onderhavige rijontzegging te verwijderen dit naar aanleiding het gratiebesluit. Bij brief van 31 mei 2016 heeft Stichting CIS aan [appellant] laten weten dat zij, in verband met de verleende gratie, de einddatum van de rijontzegging heeft aangepast van 15 februari 2015 naar 22 januari 2015. In de brief staat onder meer vermeld: "Het gratieverzoek is op 22 januari 2015 aan u toegekend, dit betekend dat hiermee de werkelijke einddatum eindigt op 22 januari 2015 in plaats van 15 februari 2015. Over het gelopen deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid, dus vanaf de initiële ingangsdatum 18 september 2014 is er geen gratie verleend. CIS kan uw verzoek tot verwijdering van de gehele ontzegging niet honoreren. Deze registratie blijft tot vijf jaar na de einddatum van de ontzegging van de rijbevoegdheid in de CIS databank geregistreerd staan. Dat houdt in uw geval in dat de rijontzegging die eindigt op 22 januari 2015 tot 22 januari 2020 in de CIS databank zichtbaar zal blijven.” 2. [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, na wijziging van eis, samengevat en zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij uitvoerbaar te verklaren vonnis: primair: 1) voor recht verklaart dat de grondslag voor de registratie van [appellant] in de CIS-databank met de gratieverlening van 22 januari 2015 is komen te vervallen en 2) de Staat veroordeelt tot het doen (laten) verwijderen van de registratie van de rijontzegging van [appellant] in de CIS-databank; subsidiair: voor recht verklaart dat de tenuitvoerlegging van de aan [appellant] opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid tussen 12 december 2013 (datum strafvonnis waarbij de ontzegging is opgelegd) en 12 mei 2014 (vijf maanden later) heeft plaatsgevonden en dat de registratie van [appellant] in de CIS-databank dus aanvangt op 12 mei 2014 (einddatum van de (eerste) feitelijke tenuitvoerlegging) en duurt tot 12 mei 2019 (vijf jaar later); de Staat veroordeelt om over te gaan tot het (doen) laten aanpassen van de afloopdatum van de registratie in de GIS-databank, te weten 12 mei 2014 (in plaats van 22 januari 2015); primair en subsidiair: een en ander met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten. 3. De kantonrechter heeft de primaire vordering afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat in het gratiebesluit is vermeld dat het strafvonnis onveranderd blijft (zie hierboven onder 1.8.) en dat aan [appellant] dus een onherroepelijk, voor tenuitvoerlegging vatbaar geworden ontzegging is opgelegd. Dit betekent dat de grondslag voor de registratie in de databank van de Stichting CIS door de gratieverlening niet is vervallen. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat de registratie geen aanpassing behoeft waar het de ingangsdatum betreft, omdat uit de wet voortvloeit dat de ontzeggingsperiode pas ingaat nadat aan de veroordeelde een schrijven als bedoeld in artikel 180 lid 3 WVW 1994 is uitgereikt en de veroordeelde zijn rijbewijs heeft ingeleverd. Voor wat betreft de datum van afloop van de ontzegging als bedoeld in artikel 6 lid 5 van het CIS Privacyreglement heeft de kantonrechter overwogen dat noch uit dit reglement noch uit de bijbehorende toelichting kan worden opgemaakt welke datum moet worden geregistreerd indien, zoals in het geval van [appellant], als gevolg van de kwijtschelding de feitelijke duur van de OBM niet overeenstemt met de periode waarvoor de OBM is opgelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter moet 22 december 2014 als de werkelijke einddatum worden aangemerkt, nu het OM op die datum de verdere tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de rijontzegging heeft opgeschort. De tenuitvoerlegging is nadien niet meer hervat en kon ook niet meer worden hervat gelet op de kwijtschelding, aldus de kantonrechter. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de op 12 december 2013 opgelegde OBM heeft plaatsgehad van 18 september 2014 tot 22 december 2014 en heeft de Staat veroordeeld tot het (doen) wijzigen van de registratie in de CIS-databank van de afloopdatum van deze ontzeggingsperiode in 22 december 2014, met veroordeling van de Staat in de kosten. 4. In appel heeft [appellant] zijn primaire vorderingen laten vallen. Hij vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn (oorspronkelijk subsidiaire) vorderingen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten, inclusief nakosten en te vermeerderen met rente bij niet betaling binnen veertien dagen na het arrest. 5. Met zijn vier grieven betoogt [appellant] dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de in de CIS-databank geregistreerde data van aanvang en afloop van de aan hem opgelegde OBM moeten worden aangepast. [appellant] voert hiervoor de volgende argumenten aan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.