ECLI:NL:GHDHA:2019:2831
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.195.071/01 Zaaknummer rechtbank : C/10/462450/HA ZA 14-1084 arrest van 16 juli 2019 inzake 1 [dochter een] , wonende te [woonplaats] , appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, hierna te noemen: [dochter een] , advocaat: mr. R.C. Tubbergen te Rotterdam, en 2 [dochter twee] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [dochter twee] , advocaat: mr. R.C Tubbergen te Rotterdam, en 3 [dochter drie] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [dochter drie] , advocaat: mr. M.D. Farkas-Tromp te Arnhem, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beschermingsbewindkantoor Nederland B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen die (zullen) toebehoren aan [de vader] , gevestigd te Zwijndrecht, geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, hierna te noemen: de bewindvoerster, advocaat: mr. M.S.M. Dietz de Loos-Schrijver te Wassenaar.
Verloop van het geding Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 29 augustus 2017 (hierna: het tussenarrest) wijst het hof op het tussenarrest. Bij dat tussenarrest heeft het hof de bewindvoerster in de gelegenheid gesteld de beide overige erfgenamen – [dochter twee] en [dochter drie] - in de nalatenschap van erflater alsnog als partij in het onderhavige geding te betrekken door oproeping binnen vier weken na datum van dat arrest. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Bij exploot van 18 september 2017 heeft de bewindvoerster de beide erfgenamen opgeroepen in het geding te verschijnen.
Zowel [dochter twee] als [dochter drie] hebben vervolgens een memorie genomen. [dochter drie] heeft daarin een grief geformuleerd.
De bewindvoerster heeft op beide memories een memorie van antwoord tevens akte vermeerdering eis ingediend.
Door [dochter drie] is een akte uitlating genomen. Mr Tubbergen heeft namens [dochter een] en [dochter twee] een gezamenlijke akte ingediend.
Hierop is door de bewindvoerster nog een antwoordakte ingediend.
Mr. Tubbergen heeft bij akte namens [dochter een] en [dochter twee] het hof verzocht te beslissen op het bezwaar tegen de vermeerdering van eis door de bewindvoerster. Door de rolraadsheer is beslist dat gelet op het tijdstip van het ingediende bezwaar niet tussentijds maar bij arrest beslist zal worden op het bezwaar.
Op eenstemmig verzoek van partijen is de gelegenheid geboden tot schriftelijk pleidooi. Elke partij heeft een pleitnota overgelegd.
Tot slot is arrest bepaald. Mr. Tubbergen en mr. Diets de Loos-Schrijver hebben een volledig procesdossier gefourneerd. Het door mr. Farkas-Tromp overgelegde dossier bevat alleen de stukken van de procedure in hoger beroep.
De feiten 1. Zoals in het tussenarrest overwogen gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het vonnis van 22 juni 2016, verbeterd bij herstelvonnis van 6 juli 2016 zijn vastgesteld, voor zover daartegen geen grief is gericht.
In zijn testament, verleden op 7 januari 2004, is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
HOOFDSTUK 2. LEGATEN EN ERFSTELLING (…) 6. Ik sluit mijn zoon [volgt naam] , (…), uit als erfgenaam in mijn nalatenschap.
HOOFDSTUK 6. DIVERSE BESCHIKKINGEN (…) 3.
Benoeming executeur Ik benoem tot executeur mijn oudste dochter [dochter een] voornoemd.
Taken De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en alle schulden van de nalatenschap te voldoen. [dochter een] heeft in 2011 een “Rekening en verantwoording” opgesteld, waarin zij het ten behoeve van haar broer [de zoon] als fonds af te zonderen bedrag berekent op een bedrag van € 698,41. Zij heeft daarbij een bedrag van € 58.168,- als studieschuld in mindering gebracht.
Op 1 oktober 2014 heeft de advocaat van [de zoon] een brief aan [dochter een] geschreven waarin onder meer staat vermeld: “Op 22 juli 2004 zond ik u de in kopie bijgaande brief. Een inhoudelijke reactie mocht wederom uitblijven. Hierbij vernietigt cliënt de verdeling omdat hij is benadeeld.”
Het geschil 3. Bij vonnis van 22 juni 2016, verbeterd bij herstelvonnis van 6 juli 2016, heeft de rechtbank: [dochter een] in haar hoedanigheid van executeur veroordeeld om aan de bewindvoerster ten behoeve van [de zoon] te betalen een bedrag van € 58.168,-; verstaan dat de bewindvoerster voormeld bedrag voor [de zoon] zal beheren met inachtneming van de toepasselijke bepalingen uit het testament van erflater; [dochter een] in haar hoedanigheid van executeur veroordeeld om aan de bewindsvoerster binnen veertien dagen na betekening van het vonnis alle inlichtingen over de nalatenschap van erflater te verschaffen en inzage in en afschrift van alle bescheiden met betrekking tot de nalatenschap te verschaffen, zoals bedoeld in r.o. 4.14, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat [dochter een] in verzuim is met de nakoming van deze verplichtingen met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 50.000,-.
De proceskosten in de hoofdzaak zijn tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
De bewindvoerster vordert in het incidenteel beroep dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vernietigt het oordeel van de rechtbank als neergelegd in r.o. 4.5 van het vonnis van 22 juni 2016 voor zover de rechtbank aldaar heeft overwogen en geoordeeld dat de bewindvoerster - desgevraagd ook ter comparitie - niet uiteengezet heeft op welke grond (bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden, benadeling voor meer dan een kwart) de verdeling buitengerechtelijk is vernietigd en dat de bewindvoerster haar stelling omtrent de vernietiging op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, biedende de brief van 1 oktober 2014 die als productie 4 door de bewindvoerster in het geding is gebracht en onder r.o. 2.6 van het vonnis van 22 juni 2016 verkort is weergegeven, eveneens geen aanknopingspunt biedt voor de grondslag van het beroep op de vernietiging alsmede de onderbouwing daarvan, reden waarom de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht afwijst, met veroordeling van [dochter een] in haar hoedanigheid van executeur en [dochter een] pro se in de kosten van deze procedure, hoofdelijk, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd.
De bewindvoerster heeft na het tussenarrest haar eis vermeerderd, in die zin dat zij vordert dat alle erfgenamen, hoofdelijk, des de één betalende, de ander zal zijn bevrijd, worden veroordeeld tot hetgeen in primo is gevorderd als verder neergelegd in het petitum.
Het hof begrijpt hieruit dat de bewindvoerster in incidenteel appel vordert dat haar vordering tot verklaring voor recht dat [dochter een] de verdeling buitengerechtelijk heeft vernietigd, die de rechtbank heeft afgewezen, in hoger beroep alsnog wordt toegewezen. Verder begrijpt het hof dat de vermeerdering ertoe strekt dat de bij het bestreden vonnis tegen [dochter een] uitgesproken veroordeling tot betaling van een bedrag van € 58.168,- aan de bewindvoerster als een hoofdelijke veroordeling ten aanzien van alle erfgenamen geldt.
Enige uitgangspunten 9. Het hof stelt het volgende voorop. In het testament heeft erflater twee legaten ten gunste van zijn zoon [volgt naam] opgenomen, het legaat van het één/vierde deel van de inboedel en het legaat van het vruchtgebruik van het fonds. De schulden uit deze legaten rusten op alle erfgenamen. Als executeur had [dochter een] – met uitsluiting van de andere erfgenamen - de taak zorg te dragen voor de nakoming van deze verplichtingen. Vast staat dat [dochter een] haar taak als executeur met instemming van de andere twee erfgenamen in oktober 2011 heeft beëindigd, alsmede haar beheer over de goederen van de nalatenschap door die aan de erfgenamen ter beschikking te stellen. Mocht vast komen te staan dat [dochter een] tekort is geschoten in de verplichting de legaten op juiste wijze af te geven, dan heeft [de zoon] een vordering tot afgifte jegens de erfgenamen. Voor zover de andere erfgenamen van mening zijn dat zij een aanspraak jegens [dochter een] hebben omdat zij als executeur zou zijn tekort geschoten, dienen zij zelf een vordering jegens [dochter een] in te dienen. Dit gaat het kader van deze procedure te buiten.
De erfgenamen nemen herhaaldelijk de stelling in dat de rechtbank dan wel het hof buiten de rechtsstrijd treedt door de vordering die jegens [dochter een] als executeur is ingesteld ook als tegen haar als erfgenaam of tegen de gezamenlijk erfgenamen ingesteld in de beoordeling te betrekken. Deze stelling gaat echter niet op: de betrokkenen zijn na het tussenarrest op juiste wijze in het geding betrokken – zie hieromtrent ook hierna onder r.o. 10.
Het bezwaar van [dochter drie] dat haar een instantie wordt ontnomen en zij in haar processuele belangen wordt geschaad kan hier niet aan afdoen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:411) expliciet aangegeven op welke wijze partijen bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding, die na aanwending van een rechtsmiddel nog niet in de procedure betreffende deze rechtsverhouding blijken te zijn betrokken, alsnog – eveneens in hoger beroep - in het geding kunnen worden opgeroepen. Blijkens het arrest zijn de processuele belangen van de te betrekken partijen voldoende gewaarborgd doordat ieder het recht heeft verweer te voeren en incidenteel beroep in te stellen. De door de erfgenamen aangevoerde bezwaren worden dan ook gepasseerd.
Vermeerdering van eis 11. De vermeerdering van eis van de bewindvoerster strekt ertoe dat een veroordeling van de executeur als een hoofdelijke veroordeling ten aanzien van alle erfgenamen zal gelden. De erfgenamen hebben bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van eis. Zij hebben aangevoerd dat een vermeerdering in dit stadium tardief is en dat zij in hun processuele belangen worden geschaad omdat hen een instantie is ontnomen. Zij wijzen erop dat een eiswijziging niet is bedoeld om een veroordeling jegens andere procespartijen dan de oorspronkelijk gedaagde te verkrijgen.
Het hof ziet aanleiding nu de tweede grief in incidenteel appel te bespreken.
Vernietiging verdeling 14. De bewindvoerster stelt dat de vernietiging van de verdeling op juiste gronden is ingeroepen. Er is sprake van benadeling van [de zoon] voor meer dan een kwart. Verder is sprake van misbruik van omstandigheden doordat [dochter een] in haar hoedanigheid van executeur-testamentair en testamentair bewindvoerder over het vermogen van [de zoon] heeft beschikt, terwijl zij daarbij een persoonlijk belang had. Misbruik van omstandigheden, althans bedrog, blijkt ook uit de proceshouding van [dochter een] en de weigering de benodigde inlichtingen te verschaffen.
De omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep wordt niet alleen bepaald door de grieven maar ook door het petitum in hoger beroep. Uit de grief, gelezen in samenhang met het petitum in hoger beroep, blijkt naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk dat de bewindvoerster alsnog de toewijzing van de door haar in eerste aanleg gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de vernietiging van de verdeling vordert. Uit de reactie van [dochter een] blijkt overigens ook dat zij begrepen heeft dat dit de strekking van de grief is.
Verrekening studieschuld 17. De drie erfgenamen – [dochter een] in grief VI in principaal appel en [dochter drie] in de enige door haar aangevoerde grief - richten bezwaren tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestaan van een studieschuld van [de zoon] tot het bedrag van € 58.168,- niet is komen vast te staan en dat er dus geen grond is voor verrekening van deze schuld met het af te zonderen fonds. [dochter drie] stelt in de toelichting bij de grief dat uit de tekst van het testament volgt dat het de bedoeling van erflater is geweest om [de zoon] te behandelen alsof hij erfgenaam zou zijn. Ter bescherming van zijn vermogen is er een last opgelegd. Dit betekent echter niet dat [de zoon] als legataris méér rechten zou moeten krijgen dan hij als erfgenaam zou hebben: schulden van een erfgenaam aan de nalatenschap worden immers direct verrekend.
Bij de verdeling van een nalatenschap komt aan de erfgenamen op grond van artikel 4:228 BW in verbinding met artikel 4:227 BW de bevoegdheid toe te verlangen dat een schuld aan erflater op het aandeel van een erfgenaam wordt toegerekend. [de zoon] is weliswaar geen erfgenaam, maar bij de berekening van het af te zonderen bedrag moet blijkens de bewoordingen van het testament wel gedaan worden alsof [de zoon] erfgenaam zou zijn geweest en moet van deze gedwongen schuldverrekening worden uitgegaan. Door de bewindvoerster is niet, althans niet onderbouwd gesteld, dat de uitleg van het testament een andere moet zijn dan uit de bewoordingen volgt. Aan [dochter drie] kan worden toegegeven dat door de schuldtoerekening overeenkomstig artikel 4:228 lid 1 BW ten aanzien van het – fictieve – erfdeel van [de zoon] buiten toepassing te laten, [de zoon] in een gunstiger positie dan de erfgenamen wordt geplaatst. Naar het oordeel van het hof is er, zoals hieronder zal worden overwogen, geen enkele aanwijzing dat dit de bedoeling van erflater is geweest. Integendeel, uit de bewoordingen van het testament volgt veeleer dat [de zoon] op dit punt als mede-erfgenaam moet worden aangemerkt. Dit brengt het hof dan ook tot het oordeel dat, indien [volgt naam] een schuld aan de erflater had, hiermee bij de vaststelling van het af te zonderen bedrag ten behoeve van hem rekening moet worden gehouden, in die zin dat deze schuld mag worden verrekend.
Inlichtingen 23. [dochter een] komt met grief VIII in principaal appel op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij gehouden is inlichtingen te verschaffen aan de bewindvoerster als in het vonnis van 22 juni 2016 opgenomen. Zij voert aan dat zij aan [de zoon] voldoende gegevens heeft verstrekt om te berekenen wat hij zou hebben ontvangen als hij wel erfgenaam was geweest. De rechtbank is bovendien buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door zelf een lijst van over te leggen stukken op te stellen.
Overig 27. De overige grieven in principaal appel behoeven geen bespreking meer.
Proceskosten 26. Gelet op de familierelatie tussen partijen zal het hof de proceskosten in hoger beroep in het principaal en incidenteel appel compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Het hof ziet geen aanleiding om ten aanzien van de kosten in eerste aanleg anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan.
Beslissing Het hof: in principaal en incidenteel appel: vernietigt het vonnis van 22 juni 2016, zoals hersteld bij herstelvonnis van 6 juli 2016, voor zover daarbij [dochter een] is veroordeeld om aan de bewindvoerster ten behoeve van [de zoon] een bedrag van € 58.168,- te betalen; en opnieuw rechtdoende: wijst deze vordering alsnog af; bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige; compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, A.H.N. Stollenwerck en O.I.M. Ydema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.