GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.267.534/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/580912/KG ZA 19/947 arrest van 8 november 2019 inzake 1. [naam 1] , 2. [naam 1] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam 2] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, thans verblijvend te [plaats] , appellanten, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] en ieder afzonderlijk [appellante sub 1] en [kind] , advocaat: mr. E.C. Weijsenfeld te Haarlem, tegen De Staat der Nederlanden, zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: De Staat, advocaat: mr. E.C. Pietermaat te Den Haag. Het geding 1. Bij exploot van 11 oktober 2019 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 7 oktober 2019. In dit exploot hebben [appellanten] drie grieven geformuleerd, en daarbij producties overgelegd. Bij memorie van antwoord met een productie heeft de Staat de grieven bestreden. Vervolgens heeft op 28 oktober 2019 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellante sub 1] heeft haar zaak daarbij doen bepleiten door mrs. E.C. Weijsenfeld en W.G. Fischer, advocaten te Haarlem, en de Staat door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, allen aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte is arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 2. De door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar vanuit gaan. Het gaat in deze zaak om het volgende. 2.1. [appellante sub 1] heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 2 augustus 2014 is uit het huwelijk met een Nederlandse vader (hierna: de vader) haar zoon [kind] geboren. [kind] heeft evenals de vader de Nederlandse nationaliteit. [appellante sub 1] is in 2015 van de vader gescheiden. De vader heeft geen omgang met [kind] . [appellante sub 1] verbleef met [kind] in Marokko. 2.2. In december 2018 is [appellante sub 1] samen met [kind] vanuit Marokko naar Nederland gereisd. Zij heeft in Nijmegen een kamer gehuurd en de IND verzocht om een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000. Na enkele maanden was het budget van [appellante sub 1] op. Zij heeft vervolgens samen met [kind] ongeveer een maand lang in Den Haag verbleven. Daarna zijn [appellante sub 1] en [kind] naar Marokko teruggegaan. 2.3. Bij besluit van 16 mei 2019 is de aanvraag van [appellante sub 1] om afgifte van een verblijfsdocument afgewezen. [appellante sub 1] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2.4. Op 12 juni 2019 is [appellante sub 1] terug naar Nederland gereisd om haar post op te halen. Zij is vervolgens weer naar Marokko teruggereisd. [appellante sub 1] heeft bezwaar gemaakt tegen het afwijzende besluit van de IND. 2.5. In augustus 2019 is [appellante sub 1] , samen met [kind] , een derde maal naar Nederland gereisd. Zij hebben tot 29 augustus 2019 bij een kennis gelogeerd. 2.6. Op 5 en 9 september 2019 heeft [appellante sub 1] zich gemeld bij het Centraal Meldpunt Dakloze Gezinnen van de gemeente Amsterdam. [appellanten] hebben verzocht om toegang te verkrijgen tot de maatschappelijke opvang van de gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: WMO). 2.7. Bij besluit van 10 september 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: de Gemeente) het verzoek afgewezen. De Gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellanten] niet in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang op grond van de WMO. De Gemeente heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat [appellante sub 1] niet voldoet aan de voorwaarde dat sprake is van beperkte zelfredzaamheid in combinatie met meervoudige problematiek op het gebied van GGZ, verslavingszorg, schulden en/of werk en dagbesteding. 2.8. De Gemeente heeft [appellante sub 1] en [kind] op 10 september 2019 wel toegelaten tot de noodopvang voor de duur van tien dagen, eindigend op 20 september 2019. Zij zijn daartoe tijdelijk in een hotel in Amsterdam geplaatst. De Gemeente heeft de noodopvang beperkt tot tien dagen, omdat [appellante sub 1] en [kind] niet aan de bindingseis van de Gemeente voldoen (minimaal 24 maanden in Nederland verbleven, met als laatste woonplaats Amsterdam). De Gemeente heeft [appellanten] een terugkeerregeling aangeboden, die inhoudt dat de Gemeente de terugreis van [appellanten] naar Marokko organiseert, in welk geval [appellanten] tot aan vertrek opvang krijgen. [appellante sub 1] moest uiterlijk op 13 september 2019 laten weten of zij van deze terugkeerregeling gebruik wilde maken. [appellante sub 1] heeft daarvan geen gebruik gemaakt. 2.9. [appellante sub 1] heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van de Gemeente om haar maatschappelijke opvang toe te kennen op grond van de WMO. Zij heeft bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht (hierna: de bestuursrechter) een voorlopige voorziening gevraagd, inhoudende dat de Gemeente bij wijze van voorlopige voorziening wordt opgedragen om kindvriendelijke opvang voor [appellante sub 1] en [kind] te bieden, met leefgeld en hulp bij de schoolgang. 2.10. [appellante sub 1] heeft [kind] op een school in Amsterdam ingeschreven. 2.11. De Gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling van de bestuursrechter op 17 september 2019 toegezegd de noodopvang te verlengen tot de datum van de uitspraak van de bestuursrechter over de gevraagde voorlopige voorziening, te weten 1 oktober 2019. 2.12. Bij beschikking van 23 september 2019 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het bezwaarschrift van [appellante sub 1] tegen de afwijzing van haar aanvraag tot een verblijfsdocument, gegrond verklaard. Aan [appellante sub 1] is, als moeder van een minderjarig Nederlands kind, een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20, eerste lid van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) verleend. 2.13. De bestuursrechter heeft bij uitspraak van 1 oktober 2019 de verzochte voorziening afgewezen. 2.14. De noodopvang van [appellanten] door de Gemeente is op 2 oktober 2019 geëindigd. [appellanten] verblijven thans op een particuliere opvanglocatie. Zij kunnen daar tot 1 november 2019 blijven. De vorderingen en het oordeel van de voorzieningenrechter 3. [appellanten] hebben in eerste aanleg gevorderd dat de voorzieningenrechter de Staat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt om onmiddellijk kindvriendelijke opvang te verstrekken voor [appellanten] , met voldoende geld om te voorzien in de basisbehoeften, te weten voedsel en kleding, waarbij de schoolgang van [kind] gecontinueerd kan worden, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 4. [appellanten] hebben gesteld dat de Staat onrechtmatig handelt door [appellante sub 1] en [kind] geen opvang te bieden. Zij verkeren in een noodsituatie. [appellanten] komen niet in aanmerking voor een voorziening op grond van de WMO, omdat [appellante sub 1] zelfredzaam is. Ook krijgen zij geen noodopvang, omdat er geen twee jaar binding met de regio Amsterdam is. [appellanten] (een minderjarig kind en zijn moeder) komen daardoor op straat te staan. De Staat heeft een zorgplicht om de veiligheid van kinderen op zijn grondgebied te garanderen. De Staat dient te helpen door veilige opvang voor gezinnen en voldoende geld voor voedsel, kleding en continuering van school te garanderen. [appellante sub 1] kan niet worden verplicht een terugkeertraject te accepteren, gericht op vertrek uit de Europese Unie. [kind] heeft als Unieburger het recht om in Nederland te zijn, aldus [appellanten] 5. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Hij was van oordeel dat op de Staat weliswaar een positieve verplichting rust om de uit de artikelen 3 EVRM en artikel 8 EVRM voortvloeiende rechten van [appellanten] te waarborgen, waarbij in het bijzonder het belang van het kind voorop dient te staan, maar die positieve verplichting gaat niet zover dat op de Staat een zorgplicht rust om van staatswege onderdak en voorzieningen te bieden aan een zelfredzaam gezin waarvan de ouder in staat moet worden geacht om op eigen kracht in de noodzakelijke voorzieningen voor de opvang en ontwikkeling van haar minderjarige kind te voorzien. Door [appellanten] opvang aan te bieden onder voorwaarde van terugkeer naar Marokko, heeft de Gemeente voldoende gedaan om de ontstane dakloosheid tijdelijk te ondervangen en de belangen en rechten van [kind] te waarborgen. De gevolgen van het feit dat [appellante sub 1] dat aanbod niet heeft aanvaard, komen voor haar eigen rekening. 6. De voorzieningenrechter verwierp ook de stelling dat de Staat opvang dient te bieden, omdat de Staat anders het verblijf van [appellanten] in de Unie onmogelijk maakt. De Staat is niet verplicht om minderjarige Unieburgers opvang te bieden, van wie de ouder zelfredzaam is en geacht moet worden zich op eigen kracht te kunnen handhaven. Dat [appellanten] daardoor feitelijk geen andere keuze rest dan het grondgebied van de Unie tijdelijk te verlaten, betekent niet dat de Staat onrechtmatig handelt, aldus de voorzieningenrechter. De vorderingen en de grieven in hoger beroep 7. In hoger beroep hebben [appellanten] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en – zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – tot toewijzing van hun vorderingen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 8. De grieven van [appellanten] komen met verschillende argumenten op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat op de Staat geen verplichting rust om [appellante sub 1] en haar minderjarige kind van opvang te voorzien. Tevens bestrijden [appellanten] de veroordeling in de proceskosten. 9. De Staat stelt zich op het standpunt dat hij met de regeling van artikel 1.2.1 WMO aan zijn zorgplicht heeft voldaan, en dat op hem geen verdere zorgplicht rust om een zelfredzaam persoon als [appellante sub 1] en haar kind opvang te bieden. [appellanten] kunnen aan het Unieburgerschap van [kind] niet een recht op opvang ontlenen. Voor een afwijking van de gebruikelijke regels over de proceskostenveroordeling, is volgens de Staat geen plaats. De beoordeling van het hoger beroep 10. Met grief 1 bestrijden [appellanten] het oordeel van de voorzieningenrechter dat er geen verdragsrechtelijke verplichting zou bestaan om hen op te vangen en van leefgeld te voorzien. Met grief 2 betogen zij dat artikel 20 VWEU eraan in de weg staat dat zij feitelijk gedwongen worden om het grondgebied van de Unie te verlaten. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen. 11. Het hof stelt daarbij het volgende voorop. Uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van hun kinderen. Die primaire verantwoordelijkheid van de ouders komt onder meer tot uitdrukking in artikel 3, tweede lid IVRK: “2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, (…), en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.” en in artikel 27, tweede lid IVRK: “2. De ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.