GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.217.444/01 Rolnummer rechtbank : C/09/452181 / HA ZA 13-1128 Arrest van 23 juli 2019 in de zaak van 1GROEP EDUCATIEVE UITGEVERIJEN, gevestigd te Amsterdam,
(2010). (…)”; - de verantwoording bij de WAK, die ook is opgedeeld in thema’s (zie productie 122 van Snappet c.s.): “(…) Het corpus van de WAK biedt de leerkracht een enorme keuze aan woorden en onderwerpen die in de wereld van zes tot twaalfjarige kinderen van belang zijn.” 5.15. De Uitgeverijen wijzen er hiertegenover op dat het Expertisecentrum Nederlands (productie 99 van De Uitgeverijen) vermeldt: “(…) Men kiest vaak voor thema’s die passen bij de belevingswereld van kinderen. Met name bij de onderbouw (groep 1-3) liggen de thema’s iets meer voor de hand omdat daar de seizoenen, de feestdagen en de eigen directe leefomgeving van de kinderen (…) een logische aanleiding zijn voor een thema. Vanaf groep 4/5 zijn de keuzemogelijkheden voor thema’s aanzienlijk groter en kunnen er meer abstracte thema’s of thema’s buiten de directe leefomgeving van kinderen aangeboden worden. Vanaf de middenbouw zou je hier en daar nog wat overlap tussen methodes kunnen verwachten in gekozen thema’s, maar zeker niet voor een substantieel deel. (…) Bij de kleuterbouw is het werken aan een basiswoordenschat aan de orde en is de keuzemogelijkheid in woordaanbod in een methode nog wat beperkter. Naarmate kinderen ouder worden en hun woordenschat zich uitbreidt is de keuzemogelijkheid voor de aan te bieden woorden vele malen groter.” Uit dit citaat blijkt evenwel dat de belevingswereld van kinderen wel degelijk een rol speelt bij de bepaling van de thema’s en dat makers van Leerroutes rekening moeten houden met de bestaande woordenschat van kinderen. Daarnaast doet hetgeen het Expertisecentrum Nederlands opmerkt er niet aan af dat makers rekening hebben te houden met hetgeen de kinderen volgens SLO dienen te leren. Gelet op al het voorgaande gaat het hof daar dan ook van uit. 5.16. Daarbij komt dat Snappet c.s. naar het oordeel van het hof (onder verwijzing naar de verklaring van [naam auteur] in productie 66 van de Uitgeverijen en de WAK), terecht betoogt dat de keuze voor de thema’s en themawoorden in de Leerroutes primair didactische keuzes zijn, die van belang zijn voor het behalen van de leerdoelen op het gebied van woordenschat. Met de keuze voor de thema’s en themawoorden wordt bepaald welke woorden worden aangeleerd en welke niet. 5.17. De Uitgeverijen betogen dat de beperking in de keuzevrijheid voor thema’s en themawoorden, geen wezenlijke beperking is. Er is immers een groot aantal woorden om uit te kiezen. Aldus is er volgens hen nog steeds sprake van voldoende vrije en creatieve keuzes. Ter illustratie wijzen zij op het door hen als productie 74 overgelegde overzicht, waaruit volgens hen blijkt dat er in de verschillende Leerroutes ook daadwerkelijk veelal andere keuzes worden gemaakt. Dit betoog overtuigt echter niet. In de eerste plaats blijkt uit de in r.o. 2.7 en 2.8 weergegeven overzichten van thema’s die in Taal op maat en Taal actief worden gebruikt en uit het als productie 127 door Snappet c.s. overgelegde schema – zoals Snappet c.s. terecht aanvoert – dat er een grote overlap is tussen de thema’s die de betreffende Uitgeverijen gebruiken. Weliswaar hebben thema’s soms een andere naam, maar inhoudelijk komt het vaak op hetzelfde neer (bijvoorbeeld “betrokken/actief in de maatschappij” in Taal op maat en “Samen” onder Taal actief, waarin vergelijkbare subthema’s zijn ondergebracht). In de tweede plaats zien de door de Uitgeverijen gebruikte thema’s en subthema’s duidelijk op de belevingswereld van kinderen (bijvoorbeeld familie, dieren, vrije tijd, reizen), ingevuld naar de leeftijd van de kinderen (bijvoorbeeld binnen het thema “vrij” het subthema “afspraken maken” voor groep 1 en “avondje uit” voor groep 8; het subthema “winkel” voor groep 4 en “reclame” voor groep 7). Dat daarbij keuzes zijn gemaakt is evident, maar naar het oordeel van het hof zijn die keuzes in het licht van het feit dat het steeds gaat om woorden die dienen aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen waarvoor de betreffende Educatieve Uitgave wordt gemaakt, bij hun reeds bestaande woordenschat en bij hetgeen zij volgens SLO dienen te leren, voor zover niet al didactisch bepaald, banaal en triviaal. Hetzelfde geldt voor de daaraan gekoppelde keuze voor themawoorden. 5.18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het element dat ziet op het gebruik van thema’s en themawoorden een onbeschermd element van de Leerroutes is. Ad ii. Lessenstructuur 5.19. Met het element dat ziet op de “lessenstructuur” doelen de Uitgeverijen op de keuzes met betrekking tot de vraag wat in welke les behandeld wordt, door indeling van de lessen in blokken (bijvoorbeeld: in week 1 tot en met 3 het leren van basisstof en in week 4 toets en remediering), en in lessen (bijvoorbeeld in les 1: woordenschat, in les 2: schrijven, in les 3 spreekvaardigheid). Het gaat daarbij volgens de Uitgeverijen niet enkel om het bepalen van het exacte moment waarop lesstof wordt aangeboden. Het gaat om de selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van alle lesdoelen binnen een Leerroute, die meerdere schooljaren beslaat. Bij het bepalen van deze selectie en rangschikking spelen volgens de Uitgeverijen allerlei subjectieve elementen een rol, zoals de lesdoelen die het team dat de Leerroute ontwikkelt relevant vindt, en ideeën over nieuwe manieren om leerlingen iets te leren. Alleen de einddoelen aan het einde van de basisschool liggen volgens de Uitgeverijen min of meer vast, niet welke tussendoelen per les daarvoor kunnen worden gebruikt en welke volgorde daarbij het beste werkt of het leukst is voor de leerlingen. De Uitgeverijen betogen dat er daardoor een schier oneindig aantal mogelijkheden voor de exacte selectie, volgorde en het herhalingspatroon van lesdoelen binnen een Leerroute mogelijk is en dat de keuzes hierin subjectief, vrij en creatief zijn. 5.20. Naar het oordeel van het hof voert Snappet c.s. hier terecht tegen aan dat de bij de bepaling van de lessenstructuur te maken keuzes te zeer zijn ingeperkt door: - didactische inzichten, - de door de leerlingen te bereiken kerndoelen, referentieniveaus, fundamentele doelen en tussendoelen (zie r.o. 2.18 t/m 2.21), en - praktische overwegingen, om te spreken van vrije en creatieve keuzes. Uit de stellingen van de Uitgeverijen zelf blijkt al dat de ideeën over nieuwe manieren om leerlingen iets te leren, derhalve didactische inzichten, bij de bepaling van de lessenstructuur een rol spelen. Dit blijkt ook uit de verklaring van [naam], door de Uitgeverijen overgelegd als productie 61, waarin hij didactische overwegingen diverse malen noemt als uitgangspunt bij het ontwikkelen van lesmateriaal. Daarnaast noemt hij de lessenstructuur als een van de onderdelen van een “didactisch concept”. Verder wijst Snappet c.s. er terecht op dat de bij het ontwikkelen van de lessenstructuur te maken keuzes in praktische zin worden beperkt doordat een schooljaar maar uit 36 weken bestaat en een schoolweek vijf dagen heeft. Bovendien moet eerst met basisstof worden begonnen, voordat moeilijkere stof kan worden behandeld. Ook moet stof eerst worden behandeld voordat deze kan worden herhaald en kan worden getoetst. Ten slotte moeten kerndoelen, referentieniveaus, fundamentele doelen en tussendoelen worden behaald in de beschikbare tijd. 5.21. De in de Leerroutes gemaakte keuzes ten aanzien van de lessenstructuur zijn naar het oordeel van het hof aldus zo zeer het resultaat van een door didactische uitgangspunten beperkte keuze, of van zo’n banale en triviale aard (denk bijvoorbeeld aan de keuze om te beginnen met de vaardigheden spreken en luisteren, en te vervolgen met schrijven, of om die volgorde om te keren), dat op die punten geen sprake is van creatieve arbeid. 5.22. Op grond van het voorgaande is het hof ook ten aanzien van het element dat ziet op de in de Leerroutes vervatte lessenstructuur van oordeel dat dit een onbeschermd element is. Ad iii. Lesdoelen 5.23. Het element “lesdoelen” ziet op de selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van de lesdoelen. Het gaat hier om wat met de les geleerd moet worden: bijvoorbeeld het leren van woorden met “ei” en “ij”, of het leren van woorden met “sch(r)”, en bij rekenen bijvoorbeeld het leren van “cijferend optellen en aftrekken met kommagetallen” of “het oefenen van rekenen met sprongen”. De Uitgeverijen erkennen dat de lesdoelen mede worden ingegeven door de door SLO opgestelde kerndoelen en referentieniveaus (zie r.o. 2.18), maar stellen dat deze uitsluitend voorwaarden stellen aan het doel en streefniveau voor het einde van de basisschool. Ook de door SLO opgestelde tussendoelen en leerlijnen per 2 jaar (zie r.o. 2.19) zijn volgens de Uitgeverijen nog steeds abstract en bieden ontwikkelaars van Leerroutes en leraren veel creatieve ruimte om hun eigen concrete doelen in te vullen, per jaar, week en les. Met name wat betreft de selectie van lesdoelen binnen een bepaalde periode en de volgorde van de lesdoelen, hebben de makers van de Leerroutes volgens de Uitgeverijen veel keuzeruimte. Zij wijzen er bijvoorbeeld op dat Taal actief in groep 4 eerst kiest voor het lesdoel: “het leren wat een zelfstandig naamwoord is”, en later pas: “het leren van het alfabet” (productie 69 van de Uitgeverijen) en eerst kiest voor “het leren van het verschil tussen klinkers en medeklinkers” en daarna pas voor: “het leren wat een bijvoeglijk naamwoord is” (productie 70 van de Uitgeverijen). Deze selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van de lesdoelen binnen een thema is, zo stellen de Uitgeverijen, subjectief. Zij stellen voorts dat uit hun productie 50 (een vergelijking tussen de lesdoelen van verschillende educatieve uitgaven), blijkt dat de Leerroutes sterk van elkaar verschillen op het punt van selectie, volgorde en herhalingspatroon van lesdoelen. 5.24. Naar het oordeel van het hof voert Snappet c.s. hier terecht tegen aan dat de selectie, de volgorde en het herhalingspatroon van de lesdoelen naar de aard der zaak is ingegeven door wat volgens de makers van de Leerroutes didactisch het beste is: - Het lesdoel zelf betreft een didactisch doel, bijvoorbeeld: “cijferend optellen en aftrekken met kommagetallen”. Zo’n didactisch doel is niet auteursrechtelijk beschermbaar (zie r.o. 5.11). Voor zover in het lesdoel een vertaalslag wordt gemaakt van de kerndoelen en referentieniveaus (bijvoorbeeld: Leerdoel Taal actief, begin groep 4: “De kinderen kunnen een beschrijving geven.”, uitgewerkt in: “Verkennen: Dit ga je leren: Je leert hoe je je kamer beschrijft. Dit moet je weten: Als je iets goed beschrijft, weet de ander hoe het eruitziet. Ook al ziet hij het zelf niet.”), is dat functioneel; de kinderen moeten weten wat ze moeten doen. Ook een dergelijke uitwerking is daarom te zeer ingegeven door het didactische doel, en daarom niet auteursrechtelijk beschermd. - De selectie, volgorde van de lesdoelen worden in hoge mate bepaald door de kerndoelen, referentieniveaus, leer(stof)lijnen, fundamentele doelen en tussendoelen (r.o. 2.18 tot en met 2.21). Dit wordt bevestigd in punt 4 van de als productie 66 van de Uitgeverijen overgelegde verklaring van auteur [naam auteur]. - Het herhalingspatroon van de lesdoelen wordt naar zijn aard bepaald door didactische inzichten; de bedoeling van herhalen is dat de leerlingen zich de stof eigen maken. Het is evident dat bij de uitwerking van de kerndoelen, referentieniveaus, leer(stof)lijnen, fundamentele doelen en tussendoelen door de auteurs nog keuzes moeten worden gemaakt. Dat betekent niet dat deze keuzes vrij en creatief zijn. De keuzes die de Uitgeverijen als voorbeeld aanhalen (zie r.o. 5.23), zijn naar het oordeel van het hof enerzijds didactisch bepaald (zo kan een kind niet beginnen met “cijferend optellen en aftrekken met kommagetallen” voordat het heeft geleerd op te tellen en af te trekken), en anderzijds banaal en triviaal van aard (bijvoorbeeld de keuze om eerst woorden met een “ei” en “ij” te leren en daarna woorden met “au” en “ou” of andersom). Deze banale en triviale verschillen verklaren de verschillen in productie 50 van de Uitgeverijen, zodat daaraan geen relevante betekenis toekomt. 5.25. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook het element “lesdoelen” auteursrechtelijk onbeschermd is. 5.26. Bij het voorgaande is van belang dat het hof niet in twijfel trekt dat het ontwikkelen van de thema’s en lessenstructuur en het selecteren, benoemen en het bepalen van de volgorde van het herhalingspatroon van de leerdoelen expertise, inspanningen en investeringen vereist. Dat is voor de vraag of sprake is van auteursrechtelijk beschermde elementen van het werk echter niet relevant (zie het Football Dataco/Yahoo arrest). Ad iv. invulling lesdoelen door o.a. ankerverhaal en concrete opgaven 5.27. De verschillende lesdoelen worden in de Leerroutes nader uitgewerkt in een concrete uitleg en opgaven voor de leerlingen, materialen die de leraar daarbij kan gebruiken en een toelichting daarbij. De Uitgeverijen stellen dat de makers van de Leerroutes hierin duidelijk veel creativiteit kwijt kunnen. Er zijn immers oneindig veel verschillende opgaven mogelijk. Ook de wijze waarop iets wordt geïntroduceerd kan op verschillende manieren worden vormgegeven. De Uitgeverijen wijzen er in dit verband bijvoorbeeld op dat in Taal actief doorgaans wordt gewerkt aan de hand van een ankerverhaal, terwijl Taal op maat kiest voor een illustratie als startpunt, terwijl ook andere introducties mogelijk zijn. 5.28. Bij de totstandkoming van deze onderdelen van de Leerroutes hebben de makers naar het oordeel van het hof onmiskenbaar creatieve keuzes gemaakt, die niet louter zijn ingegeven door didactische eisen en/of banaal en triviaal zijn. De gebruikte concrete ankerverhalen en ankerillustraties, alsmede de tekeningen en (in meer of mindere mate, afhankelijk van de keuzevrijheid daarbij) de teksten bij de concrete opgaven onderscheiden de Leerroutes immers op opvallende wijze van elkaar en van leerroutes van derden. 5.29. Het element “invulling lesdoelen door o.a. ankerverhaal en concrete opgaven” is gelet op het voorgaande een auteursrechtelijk beschermd element. Die bescherming reikt echter niet zover dat de Uitgeverijen ook auteursrechtelijke bescherming toekomt ten aanzien van de aard van de opgaven. Zij kunnen een ander niet verbieden bij het rekenonderwijs bijvoorbeeld ook een getallenlijn, een kralenketting of pizzapunten te gebruiken of bij het taalonderwijs bijvoorbeeld ook een beschrijving van iets te geven of een woordweb te maken. Deze aard van de opgaven is immers niet het resultaat van de creatieve arbeid van de makers van de Leerroutes. Het betreft (zo blijkt voor het rekenonderwijs onder meer uit producties 2 tot en met 7 van Snappet (de door SLO opgestelde concretisering van de referentieniveaus en de “Fundamentele doelen rekenen-wiskunde”)), bekende soorten oefeningen die vrij beschikbaar moeten zijn voor makers van lesmaterialen. De auteursrechtelijke bescherming die de Uitgeverijen genieten ziet alleen op de concrete uitwerking van de opgaven in de Leerroutes (vormgeving, tekst, illustraties). De combinatie van de elementen 5.30. De combinatie van het beschermde element “invulling van de lesdoelen” (element
- iv)met de niet beschermde elementen i tot en met iii kan een eigen, oorspronkelijk karakter en persoonlijk stempel van de maker niet geheel worden ontzegd en is daarom auteursrechtelijk beschermd. De Leerroutes dienen derhalve te worden aangemerkt als auteursrechtelijk beschermde werken. De beschermingsomvang van de Leerroutes is echter beperkt, nu de combinatie wordt gevormd door één auteursrechtelijk beschermd element (
- iv)en drie onbeschermde elementen (i tot en met iii). Verder verdient nog opmerking dat in de stellingen van de Uitgeverijen niet (voldoende duidelijk) is te lezen dat zij zich er tevens op beroepen dat combinaties van minder dan vier van de elementen zelf ook een eigen intellectuele schepping vormen. In elk geval hebben de Uitgeverijen over de combinaties van minder dan vier van de elementen onvoldoende gesteld om vast te stellen dat daarin een eigen intellectuele schepping is gelegen. Grief IX en X in het principaal hoger beroep: inbreuk 5.31. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of het lesmateriaal van Snappet c.s. inbreuk maakt op de Leerroutes, in de zin van artikel 13 Aw. Bij de beoordeling daarvan komt het aan op de vraag of het lesmateriaal van Snappet c.s. in zodanige mate de karakteristieke trekken van de Leerroutes vertoont, dat de totaalindruk van het lesmateriaal van Snappet c.s. te weinig verschilt van de totaalindruk van die Leerroutes voor het oordeel dat het lesmateriaal van Snappet c.s. als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt. 5.32. Bij een vergelijking van de Leerroutes en het lesmateriaal van Snappet c.s. valt allereerst op dat Snappet c.s. een veel groter aanbod heeft van opgaven dan elk van de Leerroutes, namelijk – naar haar onbestreden stelling – 1,2 miljoen opgaven in totaal. Snappet c.s. heeft onbestreden gesteld dat leraren zelf kunnen kiezen welke opgaven zij aan hun leerlingen willen voorleggen en dat de meeste leraren daadwerkelijk opgaven kiezen die niet direct aansluiten op de Educatieve Uitgaven. Dat neemt echter niet weg dat Snappet c.s. leraren de mogelijkheid biedt om te kiezen voor aansluiting bij de Educatieve Uitgaven, en daarmee bij de Leerroutes, door op een “tegel” in het aangeboden keuzemenu te klikken. Of die tegel zich nu op de homepagina van Snappet c.s. of op een andere pagina bevindt, doet niet ter zake, zodat op dat discussiepunt van partijen niet hoeft te worden ingegaan. Kiest een leraar voor de mogelijkheid om aan te sluiten bij een Educatieve Uitgave, dan presenteert de Snappet tablet opgaven die passen bij de gekozen Educatieve Uitgave. Het is daarmee dat Snappet c.s. volgens de Uitgeverijen inbreuk maken op hun auteursrechten. De combinatie van de thema’s en themawoorden, de lessenstructuur, de lesdoelen en de wijze waarop aan de lesdoelen invulling wordt gegeven, wordt volgens de Uitgeverijen één-op-één door Snappet overgenomen, terwijl eventuele afwijkingen niet zo ver gaan dat sprake is van een nieuw, oorspronkelijk werk. 5.33. Als wordt gekeken naar de opgaven die Snappet c.s. in aansluiting op de Educatieve Uitgaven, en daarmee op de Leerroutes aanbiedt, dan vallen de volgende overeenkomsten met de Leerroutes op: de taalopgaven sluiten qua thema aan bij de thema’s die in de Leerroutes worden gebruikt, op het niveau van leerjaar, leerweek, les en individuele opgave (zie producties 72-74, 93, 98 en 99 van de Uitgeverijen); de helft van de themawoorden die in de Leerroutes worden gebruikt, wordt ook door Snappet c.s. gebruikt (zie producties 72-74, 98 en 99 van de Uitgeverijen). Hierbij gaat het ook om niet erg voor de hand liggende themawoorden, zoals bijvoorbeeld het woord “afschuwelijk” in het thema “Lekker (buiten) spelen”; de lesdoelen die Snappet c.s. aanbiedt zijn in veel gevallen (zie productie 51 en 53 van de Uitgeverijen en productie 118 van Snappet c.s.) op hetzelfde moment (waar hier en in het navolgende wordt gesproken over “op hetzelfde moment” wordt gedoeld op hetzelfde leerjaar, dezelfde leerweek en dezelfde les), gelijk aan de lesdoelen die in de Leerroutes worden aangeboden, zij het dat deze door Snappet c.s. anders woorden geformuleerd; e lessenstructuur is aldus ook (nagenoeg) hetzelfde; de opgaven sluiten zowel in het rekenonderwijs als in het taalonderwijs qua aard veelal aan bij de opgaven die op hetzelfde moment in de Leerroutes worden aangeboden (zie productie 22 (die overigens, naar Snappet c.s. onbestreden heeft gesteld, deels achterhaald is, omdat Snappet c.s. een deel van de daarin opgenomen opgaven heeft verwijderd, zie productie 27 en 33 van Snappet c.s.), en producties 71, 76, 77, 97 en 98 van de Uitgeverijen). Zo biedt Snappet c.s. een oefening aan met een kralenketting, met geld of met een bepaalde rekenwijze op hetzelfde moment dat een Leerroute dat doet. In het taalonderwijs kan als voorbeeld worden genoemd het aanbieden door Snappet c.s. van een opgave waarin een beschrijving moet worden gegeven van een dier, op hetzelfde moment dat Taal actief dat doet, en het aanbieden van een opgave door Snappet c.s. waarin met een klasgenoot moet worden samengewerkt op hetzelfde moment dat Taal actief dat doet. Ook vallen de volgende verschillen op: de vormgeving van het Snappet materiaal wijkt opvallend af van die van de Leerroutes: Snappet c.s. werkt met een zwarte achtergrond met witte letters en een blauwe balk bovenaan de pagina, terwijl de teksten en opgaven van de Leerroutes een witte achtergrond hebben, met zwarte of blauwe letters en balken en/of kaders in verschillende kleuren. De opmaak van de opgaven zelf is ook afwijkend; Snappet c.s. biedt één oefening per pagina, terwijl in de Leerroutes de opgaven naast of onder elkaar staan. De door Snappet c.s. bij de opgaven gebruikte tekeningen wijken ook opvallend af van die van de Leerroutes. Snappet c.s. werkt met op de computer gemaakte, gestileerde, eenvoudige tekeningen, terwijl de Uitgeverijen werken met handgemaakte, gedetailleerdere tekeningen (zie de hiervoor onder
- d)genoemde producties van de Uitgeverijen en productie 66 van Snappet c.s.); Snappet c.s. heeft (in haar conclusie van antwoord in het incident in eerste aanleg, haar antwoordakte uitlating exhibitie, haar producties 66 en 92 en haar pleidooi in eerste aanleg) onbestreden gesteld dat zij weliswaar veelal opgaven heeft die qua aard en het moment waarop deze worden aangeboden overeenstemmen in de Leerroutes, maar dat zij daarnaast méér opgaven aanbied met hetzelfde lesdoel. Als voorbeeld kan worden gewezen op de in 2.12 genoemde opgaven van Snappet c.s. die overeenstemmen met de in r.o. 2.11 getoonde opgaven in Spelling in beeld, waarin woorden met “ou” worden geleerd. Uit productie 92 van Snappet c.s. blijkt dat Snappet c.s. niet alleen de in r.o. 2.12 genoemde opgaven aanbiedt, maar in totaal 40 opgaven met “ou” woorden; Snappet c.s. biedt regelmatig opgaven aan die, vergeleken bij opgaven die de Leerroutes op hetzelfde moment aanbieden, anders van opzet zijn (zie productie 27, 31 en 64 van Snappet c.s.); In Taal in beeld wordt gewerkt met een ankerverhaal en in Taal op maat met een ankerillustratie. Snappet c.s. werkt daar niet mee; Snappet c.s. biedt weliswaar opgaven aan die qua aard overeenstemmen met de opgaven in de Leerroutes, maar geeft daar een andere uitwerking aan. Als voorbeeld kan worden genoemd een opgave in Wereld in Getallen, waarin kinderen een tabel moeten invullen waarin wordt weergegeven hoeveel borden of boeken in een verhuisdoos passen. Snappet c.s. biedt op dat moment een opgave aan waarin kinderen moeten invullen hoeveel minuten nodig zijn om een bepaald aantal pizza’s te bakken. 5.34. Uit het voorgaande blijkt dat de punten van overeenstemming betrekking hebben op niet beschermde elementen (thema’s en themawoorden, lessenstructuur (moment waarop de opgaven worden aangeboden), lesdoelen en aard van de opgaven). Wat overblijft is de overeenstemming op het niveau van de concrete opgaven. Op dat punt is de overeenstemming echter gering; er bestaan blijkens het voorgaande in het oog springende verschillen. Door deze prominente verschillen is de totaalindruk van de lesmaterialen van Snappet c.s. anders dan die van de Leerroutes. Van inbreuk is geen sprake. Grief XIII tot en met XVI: Onrechtmatige daad 5.35. De Uitgeverijen erkennen dat het profiteren van de prestatie van een ander op zichzelf niet onrechtmatig is, ook niet indien de ander daar hinder van ondervindt. Zij stellen dat er in dit geval echter sprake is van bijzondere omstandigheden die het handelen van Snappet c.s. onrechtmatig maken (grief XIII). De bijzondere omstandigheden waar de Uitgeverijen zich op beroepen houden kort weergegeven het volgende in: - Snappet c.s. heeft in haar pilotfase gebruik gemaakt van identieke kopieën van de opgaven uit de Educatieve Uitgaven en is daar pas tijdens de procedure in eerste aanleg mee gestaakt; - Snappet c.s. neemt grote gedeelten uit de Leerroutes van de Uitgeverijen over; - hierdoor is reeds verwarring bij het publiek ontstaan; - Snappet c.s. vermeldt in advertenties dat haar producten aansluiten bij de Educatieve Uitgaven, dat Snappet het oefenmateriaal van de Educatieve Uitgaven kan vervangen en noemt daarbij ook de namen van Educatieve Uitgaven. Daardoor wekt zij de indruk dat zij de instemming van de Uitgeverijen heeft of met hen samenwerkt, terwijl dat niet het geval is; - de slechte kwaliteit van de producten van Snappet c.s. kan negatief op de Leerroutes afstralen. De Uitgeverijen betogen dat Snappet c.s. aldus nodeloos verwarringsgevaar creëert en dat het publiek, doordat de totaalindruk van de lesmaterialen van Snappet c.s. hetzelfde is als die van de Educatieve Uitgaven, meent dat er een bepaalde verbondenheid of samenwerking is tussen Snappet c.s. en de Uitgeverijen. De Uitgeverijen menen dat Snappet c.s. daarom meer afstand hadden moeten nemen van de Educatieve Uitgaven en dat zij bij gebreke daarvan onrechtmatig handelen. In de grieven XIV tot en met XVI werken de Uitgeverijen de stellingen dat sprake is van verwarringsgevaar, dat Snappet c.s. de indruk wekt haar diensten te hebben afgestemd met de Uitgeverijen, en dat de diensten van Snappet c.s. een negatieve uitstraling hebben op de Educatieve Uitgaven, nader uit. 5.36. Zelfs indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat Snappet c.s. in de pilotfase van haar product identieke kopieën van de in de Educatieve Uitgaven opgenomen opgaven heeft gebruikt (Snappet c.s. ontkent dit), dan zijn de hiervoor genoemde omstandigheden naar het oordeel van het hof onvoldoende om te concluderen dat Snappet c.s. onrechtmatig jegens de Uitgeverijen handelt. Snappet c.s. gebruikt de betreffende opgaven in elk geval sinds het begin van deze procedure niet (meer) en heeft toegezegd deze ook niet (meer) te gebruiken. Daarnaast kunnen de Uitgeverijen niet worden gevolgd in hun stelling dat Snappet c.s. ten onrechte de indruk wekt dat zij samenwerkt met de Uitgeverijen. Niet in geschil is dat Snappet c.s. in overleg is geweest met educatieve uitgeverijen over een samenwerking. Dat dit niet (in alle gevallen) tot een daadwerkelijke samenwerking heeft geleid doet daar niet aan af. Uit het hiervoor in r.o. 5.34 overwogene blijkt dat de Uitgeverijen voorts niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat de totaalindruk van het lesmateriaal van Snappet c.s. hetzelfde is. Alle stellingen die de Uitgeverijen daaraan koppelen, zoals de stellingen dat verwarringsgevaar is gecreëerd en dat Snappet c.s. meer afstand had moeten nemen van de Educatieve Uitgaven, kunnen dus ook niet worden gevolgd. Indien er al verwarringsgevaar zou zijn, dan kan dat de Uitgeverijen toch niet baten omdat Snappet c.s. met de onder 5.33 genoemde verschillen heeft afgeweken waar dat mogelijk was zonder aan de bruikbaarheid en deugdelijkheid van haar lesmateriaal afbreuk te doen. Ook de stelling dat de vermeend slechte kwaliteit van de Snappet materialen slecht kan afstralen op de Leerroutes, hangt samen met de aanname van de Uitgeverijen dat het publiek gelet op de overeenstemmende totaalindruk van de producten zal denken dat er een verband is tussen de Leerroutes en de materialen van Snappet c.s. Ook daarin kunnen de Uitgeverijen dus niet worden gevolgd. Dat Snappet c.s. stelt dat haar lesmaterialen aansluiten op de Educatieve Uitgaven, kan ten slotte – op zichzelf, of in samenhang met de overige door de Uitgeverijen genoemde omstandigheden – ook niet onrechtmatig worden geacht; dit is immers juist. 5.37. De slotsom luidt dat Snappet c.s. niet onrechtmatig handelt jegens de Uitgeverijen. Aanvullende grondslag: sui generis databankenrecht 5.38. Om voor databankenrechtelijke bescherming in aanmerking te komen is op grond van artikel 1 lid 1 aanhef en sub a Databankwet en artikel 1 lid 2 en 7 lid 1 Databankrichtlijn vereist dat sprake is van: - een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen, - die systematisch of methodisch geordend en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk zijn en - waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering. 5.39. De Uitgeverijen stellen dat de Leerroutes onderdelen bevatten die kwalificeren als databank in de hiervoor bedoelde zin. Zij stellen dat dit met name geldt voor de verzameling van thema’s in de Leerroutes in het taalonderwijs, waaronder die in Taal actief en Taal op maat. Die stelling hebben zij in de stukken en ten pleidooie nader uitgewerkt. Voor zover de Uitgeverijen hebben gesteld dat er ook op andere gebieden (bijvoorbeeld ten aanzien van – ten pleidooie genoemde – lesdoelen) en met betrekking tot andere educatieve uitgaven een databankrecht bestaat, hebben zij die stelling niet (voldoende) toegelicht. Het hof gaat daaraan dan ook als onvoldoende gemotiveerd voorbij en beperkt de verdere beoordeling tot de in Taal actief en Taal op maat opgenomen thema’s en themawoorden. 5.40. De Uitgeverijen stellen dat sprake is van een substantiële investering in de verkrijging, controle of presentatie van de inhoud van de databank. Daarbij merken zij op dat een grote hoeveelheid “mensuren” nodig is, met een hoge specialisatiegraad van de arbeid, dat een heel team gedurende drie tot vijf jaar bezig is om een Leerroute te ontwikkelen en dat de verzameling van thema’s en themawoorden daarvan een essentieel onderdeel is. Die stellingen zien echter alleen op de aard van de handelingen waarin is geïnvesteerd. De Uitgeverijen hebben naar het oordeel van het hof niet voldoende geconcretiseerd welke investering is gedaan in de verzameling van thema’s en themawoorden. Weliswaar hebben zij ten pleidooie gewezen op hun productie 101 betreffende de uitbetaling van royalty’s aan de auteurs, maar die concretisering volstaat niet. In de eerste plaats gaan de Uitgeverijen er aan voorbij dat de verdeling van royalty’s ziet op de verdeling van opbrengsten en niet op het doen van een investering. Bovendien zien de werkzaamheden van de auteurs blijkens de eigen stellingen van de Uitgeverijen (o.a. punten 46 en 48 van de Memorie van Grieven) en de door de Uitgeverijen overgelegde productie 66, op meer dan de totstandkoming van de verzameling van thema’s en themawoorden, zodat niet duidelijk is in hoeverre de uitbetaling aan de auteurs daarop ziet. Enige andere (gemotiveerde) concretisering van de investering in de verzameling van thema’s en themawoorden ontbreekt. Aldus hebben de Uitgeverijen geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit valt op te maken dat de investering substantieel is. Het hof concludeert dat de Uitgeverijen op dit punt niet aan hun stelplicht hebben voldaan. 5.41. Reeds gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat is voldaan aan de vereisten om voor databankrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, wat er ook zij van het verweer van Snappet c.s. dat de thema’s en themawoorden geen zelfstandige elementen zijn die systematisch en methodisch zijn geordend en dat de databankrechtelijke beschermingsduur is verstreken. Het beroep van de Uitgeverijen op het sui generis databankrecht faalt dan ook. Slotsom 5.44. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de grieven in het principaal hoger beroep falen. Aan een bewijsopdracht komt het hof niet toe. Voor zover enig bewijsaanbod al voldoende specifiek is en betrekking heeft op feiten die nog niet vast staan, is het niet ter zake dienend of heeft het betrekking op punten waarbij de Uitgeverijen niet aan hun stelplicht hebben voldaan, zodat aan bewijs niet kan worden toegekomen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen, behoudens waar het betreft de ontvankelijkheid van GEU. Proceskosten 5.45. GEU c.s. zal, als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep. Gelet op de beperkte aandacht die partijen in de stukken en ter zitting hebben besteed aan de niet-IE grondslag gaat het hof bij de begroting van de proceskosten voorbij aan de niet-IE grondslag en zal het salaris van de advocaat volledig worden begroot aan de hand van de Indicatietarieven in IE-zaken. Daarbij volgt het hof GEU c.s. in haar stelling dat de onderhavige zaak vanwege de omvang van het benodigde feitenonderzoek en het relevante feitencomplex en de complexiteit van de grondslagen van de vorderingen, dient te worden ingedeeld in de categorie complex (categorie II bodemzaken sub
- d)met als maximum € 40.000,00. Dit maximum van € 40.000,00 heeft, gelet op uitgangspunt 9 van de Indicatietarieven en de samenhang tussen het principaal en incidenteel hoger beroep, betrekking op het principaal en incidenteel hoger beroep tezamen. Het hof acht het redelijk en evenredig om dit maximum bedrag toe te wijzen. 6Beslissing Het hof: in incidenteel en principaal hoger beroep - vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 november 2016 voor zover GEU daarin ontvankelijk is verklaard, en in zoverre opnieuw rechtdoende: - verklaart GEU niet-ontvankelijk in haar vordering; - bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 november 2016 voor het overige; - veroordeelt GEU c.s. in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Snappet c.s. begroot op € 716,00 aan griffierechten, € 40.000,00 aan salaris voor de advocaat en op € 157,00 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,00 indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,00, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen; - verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. J.I. de Vreese-Rood, M.Y. Bonneur en M. de Cock Buning en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier. HvJEG 16 juli 2009, ECLI:EU:C:2009:465, C-5/08 (Infopaq I), en HvJEU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798, C-145/10 (Painer). Hoge Raad 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529 (Stokke/H3). Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153 (Endstra-tapes). Hoge Raad 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8940, (Lancôme/Kecofa). Hoge Raad 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1942, (Decaux/Mediamax). Hoge Raad, 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8456 (Una voce particolare).