← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2019:3113

GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.263.521/01 Zaaknummer rechtbank : 7053875 \ CV EXPL 18-4332 arrest van 19 november 2019 inzake

  1. [appellant 1],
  2. [appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, hierna te noemen: [appellant 1] c.s., advocaat: mr. A.M. Schotte te Doorn, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. M. Yigitdol te Eindhoven. Het geding Voor het eerdere verloop van het geding verwijst het hof naar het tussenarrest van 17 september
  3. Bij dat arrest is een comparitie gelast. Bij brief van 1 oktober 2019 heeft mr. Yigitdol verzocht om toelating tot de Second Opinion-procedure. De behandeld advocaten hebben beiden een SO-formulier als bedoeld in het Second Opinion Reglement (SOR) ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek is toegestaan, waarna arrest is bepaald. Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure
  4. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). De enige grief van [appellant 1] c.s. bestaat eruit dat de rechtbank Rotterdam (team kanton, locatie Dordrecht) niet heeft beslist overeenkomstig zij in eerste aanleg had gevorderd, te weten primair de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van in totaal € 15.931,-- en subsidiair tot betaling van een redelijk deel daarvan. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak beoordeelt in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop het bestreden vonnis werd gevraagd (artikel 3.6 SOR). De zaak in hoger beroep wordt dus beoordeeld aan de hand van de stukken in eerste aanleg met inachtneming van de grief.
  5. Het hof – dat kennis heeft genomen van de stukken in eerste aanleg – neemt de overwegingen van de kantonrechter over en maakt deze tot de zijne. Derhalve zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
  6. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant 1] c.s. worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door [geïntimeerde] betaalde griffierecht van € 324,-. Beslissing Het hof - bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; - veroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op een bedrag van € 324,- voor griffierecht; - verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Muilwijk-Schaaij, J.J. van der Helm en D. Aarts en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2019 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.