GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.255.192/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/540873/ HA ZA 17-1049 arrest van 10 december 2019 in het incident ex artikel 843a Rv inzake 1. Belangenvereniging Erfpacht Zaanstad, gevestigd te Zaanstad, 2. [naam 1] en [naam 2] , wonende te Zaanstad, 3. [naam 3] , wonende te Zaanstad, 4. [naam 4]en [naam 5], wonende te Zaanstad, 5. [naam 6]en [naam 7],wonende te Zaandstad, 6. [naam 8]en [naam 9], wonende te Zaanstad, appellanten in de hoofdzaak, eisers in het incident, appellanten hierna gezamenlijk te noemen: BEZ c.s. (mannelijk enkelvoud), advocaat: mr. L.E. de Geer te Amsterdam, tegen Gemeente Zaanstad, zetelend te Zaanstad, geïntimeerde in de hoofdzaak,verweerster in het incident, hierna te noemen: de Gemeente, advocaat: mr. M.W. Langhout te Haarlem. Het geding Bij exploot van 13 februari 2019 is BEZ c.s. in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 28 november 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:14139) (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven met producties heeft BEZ c.s. een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 843a Rv, tot veroordeling van de Gemeente om bepaalde bescheiden aan BEZ c.s. te verstrekken. De Gemeente heeft de incidentele vordering bestreden bij conclusie van antwoord in het incident. Vervolgens is arrest in het incident gevraagd. Beoordeling van het incident Tussen partijen (in het incident) vaststaande feiten 1. Voor zover relevant in het kader van het incident, gaat het in deze zaak (samengevat) om het volgende. 1.1 De Gemeente hanteert algemene bepalingen voor de uitgifte van grond in erfpacht. 1.2 Vanaf 1994 biedt de Gemeente bestaande particuliere erfpachters de mogelijkheid om de in erfpacht uitgegeven grond (de bloot eigendom van de grond) te kopen (hierna: het Omzettingsbeleid 1995). Hiervoor dienen zij bij de Gemeente een aanvraag te doen (hierna: een omzettingsaanvraag). 1.2.1 In 2006 heeft de Gemeente nieuw beleid voor de berekening van de grondprijzen (verkoopprijzen) bij een omzettingsaanvraag vastgesteld. Omdat de grondprijzen hierdoor stegen is in het raadsbesluit besloten tot een overgangsregeling, inhoudende gefaseerde invoering over een periode van twee jaren (hierna: de Overgangsregeling). 1.2.2 Op 25 januari 2007 heeft de Gemeente, in een besloten gemeenteraadsvergadering, de Overgangsregeling per direct ingetrokken (hierna: het Intrekkingsbesluit). De reden hiervoor was dat door de Gemeente (nogmaals) een nieuwe methodiek voor de berekening van de verkoopprijzen wilde vaststellen. 1.2.3 In oktober 2007 heeft de Gemeente nieuw omzettingsbeleid vastgesteld (hierna: het Omzettingsbeleid 2007). Dit Omzettingsbeleid 2007 had tot gevolg dat de verkoopprijzen bij omzettingsaanvragen verder stegen. 1.2.4 Het Omzettingsbeleid 2007 is per direct in werking getreden en kende geen overgangsregeling. 1.3 BEZ c.s. wil kort gezegd dat de Gemeente na een omzettingsaanvraag de grond weer aanbiedt tegen een verkoopprijs gebaseerd op de rekenmethodiek van vóór het Omzettingsbeleid 2007. Daarnaast meent BEZ c.s. dat enkele artikelen uit de door de Gemeente gehanteerde algemene bepalingen onredelijk bezwarend zijn. 1.4 Nadat overleg over deze kwesties niet tot overeenstemming leidde, heeft BEZ c.s. onderhavige procedure aanhangig gemaakt. Voor het incident relevante vorderingen in eerste aanleg en beoordeling hiervan door de rechtbank 2. Voor zover in dit incident relevant, heeft BEZ c.s. in eerste aanleg (samengevat), na wijziging van eis, onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat de totstandkoming van het Omzettingsbeleid 2007 jegens (bepaalde) erfpachters onrechtmatig is (zie onder I-a van het petitum). 2.1 Kort samengevat heeft BEZ c.s. aan deze vordering ten grondslag gelegd dat door de Gemeente in strijd is gehandeld met: - de Overgangsregeling; - het gewoonterecht; - het vertrouwensbeginsel; - het gelijkheidsbeginsel; en - het zorgvuldigheidsbeginsel. 2.2 De rechtbank heeft de – onder 2 genoemde – verklaring voor recht toegewezen, omdat volgens haar de Gemeente in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel, al dan niet in samenhang gezien met het vertrouwensbeginsel. 2.2.1 De rechtbank heeft hiertoe kort gezegd overwogen dat bij de totstandkoming van het Omzettingsbeleid 2007 – in strijd met art. 3:4 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) – de rechten van erfpachters onvoldoende zijn meegewogen. 2.3 De rechtbank heeft het beroep van BEZ c.s. op het gelijkheidsbeginsel, als grondslag voor de onder 2 genoemde verklaring voor recht, verworpen en daartoe in overweging 4.29 van het bestreden vonnis als volgt overwogen: “Voor zover BEZ c.s. zich beroept op de schending van het gelijkheidsbeginsel omdat volgens haar rond 25 januari 2007 sprake is geweest van een onverklaarbare toename van overdrachten die doet vermoeden dat de Gemeente sommige erfpachters - lees: ambtenaren, wethouders en/of gemeenteraadsleden - in de gelegenheid heeft gesteld alsnog op grond van het Omzettingsbeleid 1995 het bloot eigendom te kopen, dan is deze stelling onvoldoende onderbouwd. BEZ c.s. heeft ter onderbouwing van haar stelling een beroep gedaan op de Rekenkamerbrief 2014. In deze brief verwijst de directeur Rekenkamer naar een onderzoek van ambtenaren van de Gemeente naar de gang van zaken. Deze ambtenaren hebben niet kunnen constateren dat ambtenaren met een erfpachtrecht vooraf geïnformeerd zijn over de voorgenomen beleidswijziging. De directeur Rekenkamer heeft geen aanleiding gezien een eigen onderzoek uit te voeren. De inhoud van de Rekenkamerbrief 2014 biedt geen bevestiging aan de stelling van BEZ c.s. De Gemeente heeft nog een beroep gedaan op de Rekenkamerbrief 2015. Deze brief is opgesteld op verzoek van de Gemeenteraad. De directeur Rekenkamer heeft een verbeterd onderzoek betrokken bij het opstellen van zijn eigen bevindingen en concludeert dat er geen steun is voor het vermoeden dat ambtenaren, wethouders of raadsleden in de periode maart 2006 tot en met april 2007 gebruik gemaakt hebben van voorkennis. Tegen de achtergrond van deze conclusie had het op de weg van BEZ c.s. gelegen om haar stelling van een nadere onderbouwing te voorzien. Nu zij dat heeft nagelaten, kan niet worden geconcludeerd dat de Gemeente tevens onrechtmatig jegens erfpachters heeft gehandeld wegens schending van het gelijkheidsbeginsel.” Voor het incident relevante grief en incidentele vordering 3. In hoger beroep vordert BEZ c.s. – na wijziging van eis – vernietiging van het bestreden vonnis, toewijzing van haar (afgewezen) vorderingen en een veroordeling van de Gemeente in de proceskosten. 3.1 BEZ c.s. heeft onder meer een grief gericht tegen overweging 4.29 van het bestreden vonnis (zie hiervoor, 2.3). 3.1.1. In de toelichting op deze grief betoogt BEZ c.s. dat het gelijkheidsbeginsel inhoudt dat de Gemeente er zorg voor moet dragen dat burgers in gelijke situaties gelijk worden behandeld. Als blijkt dat de Gemeente bepaalde personen (ambtenaren), in het kader van het Omzettingsbeleid 2007, heeft ‘voorgetrokken’, betekent dit dat de Gemeente ook de andere erfpachters de gelegenheid moet geven om (nog) van de Overgangsregeling gebruik te maken. In de visie van BEZ c.s. had de Gemeente op grond van een verzwaarde stelplicht inzichtelijk moeten te maken (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.