Rolnummer: 22-000768-14 Parketnummer: 09-765003-13 Datum uitspraak: 18 februari 2019 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2014 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdache], geboren te [geboorteplaats] (Sovjet-Unie) op 21 [geboortejaar] 1981, [BRP-adres], thans uit anderen hoofde gedetineerd in de [PI] (België). Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 24 november 2015, 12 augustus 2016, 26 augustus 2016, 23 augustus 2018 en 4 februari 2019. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde – na afsplitsing bij tussenvonnis van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2013 - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Voorts is beslist omtrent het beslag als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 07 juni 2012, te Zoetermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 119000 euro, althans een geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 119000 euro, althans een geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 07 juni 2012, te Zoetermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 119000 euro, althans een geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 119000 euro, althans een geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverweging De verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan het witwassen van een groot contant geldbedrag ad € 119.000,- op 7 juni 2012. Voor een veroordeling ter zake van witwassen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag van enig misdrijf afkomstig was. Het hof is van oordeel dat het onderzoek in de onderhavige zaak niet heeft geresulteerd in direct bewijs voor een criminele herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag. Nu direct bewijs voor een criminele herkomst van het geld ontbreekt, dient zich de vraag aan of er op basis van de feiten en omstandigheden, zoals deze uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer terzijde kan worden geschoven. Ontbreekt een dergelijke verklaring dan kan witwassen in beginsel bewezen worden verklaard. Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof af dat op 7 juni 2012 in de woning van de verdachte aan de [adres] te Zoetermeer een groot contant geldbedrag van € 119.000,- is aangetroffen, uitsluitend bestaande uit coupures van € 500,-. Het geld bevond zich in een plastic zak op de onderste plank van een keukenkastje boven de magnetron. Het bewaren van een dergelijk groot contant geldbedrag in een woning is hoogst ongebruikelijk en gaat gepaard met aanzienlijke veiligheidsrisico’s. Ook is gebleken dat het aangetroffen geldbedrag niet in verhouding staat tot de legale inkomsten van de verdachte. Het voorhanden hebben van het ten laste gelegde geldbedrag heeft mitsdien plaatsgevonden onder omstandigheden die onder voornoemde typologieën zijn te scharen en daarmee als kenmerkend voor witwassen zijn aan te merken. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen voormelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijven. Gelet op dit vermoeden mag van de verdachte worden verwacht dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het geld. Verklaring van de verdachte met betrekking tot het geldbedrag De verdachte heeft zich tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 9 januari 2013 op het standpunt gesteld – kort gezegd – dat het in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 119.000,- in coupures van € 500,- afkomstig was uit legale bron, namelijk uit de bloemenhandel van [persoon] op Rusland voor wie de verdachte werkte. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 januari 2013 overwogen dat deze verklaring niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk moet worden beschouwd. Vervolgens heeft zij de officier van justitie in de gelegenheid gesteld nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte te doen. Zij heeft het witwasfeit (feit 4) afgesplitst. De verdachte is bij vonnis van 31 januari 2013 voor de feiten 1, 2 en 3 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest. Deze feiten betroffen het bezit van heroïne, amfetamine en MDMA, het bezit van hasjiesj en vuurwapenbezit. Bij eindvonnis van 12 februari 2014 heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld voor witwassen van € 119.000,- (feit 4). De rechtbank heeft voorop gesteld dat naast de vondst in zijn woning van dit geldbedrag in contanten tevens drugs, een vuurwapen en munitie zijn aangetroffen. De verdachte is voor het bezit daarvan ook veroordeeld. De rechtbank heeft het verweer van de verdachte dat dit geldbedrag afkomstig was uit legale bron verworpen op de grond dat hij geen concrete en voldoende verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geldbedrag. De verdachte heeft geen bewijs ingebracht voor zijn stelling dat het geldbedrag uit de bloemenhandel afkomstig was. Ter terechtzitting in hoger beroep van 12 augustus 2016 heeft de advocaat-generaal primair gerekwireerd tot bewezenverklaring van het witwassen van € 119.000,-, tot veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en tot verbeurdverklaring van het geldbedrag. Subsidiair – in geval van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging – heeft de advocaat-generaal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het geldbedrag gevorderd. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verdachte niet voldoende heeft onderbouwd welke legale herkomst het geld zou kunnen hebben en dat – mede gelet op de wijze waarop dit is aangetroffen – dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. De raadsvrouw heeft bij pleidooi primair betoogd dat geen sprake is van geld uit ‘enig misdrijf’. De verdachte heeft het geld op de bloemenveiling in Naaldwijk ontvangen van een vrachtwagenchauffeur uit Rusland. Het geld is afkomstig uit de legale handel in bloemen. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de veroordeling van de verdachte voor het gronddelict, het voorhanden hebben van drugs, maken dat zeer aannemelijk is te achten dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf. De raadsvrouw heeft bepleit de verdachte vrij te spreken op de grond dat het feit niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Bij tussenarrest van 26 augustus 2016 heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting heropend en geschorst. Ter terechtzitting in hoger beroep van 23 augustus 2018 heeft het hof de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen teneinde de verdachte te horen. Op 30 november 2018 heeft de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen (België) de verdachte in aanwezigheid van de raadsheer-commissaris gehoord. De verdachte heeft onder meer verklaard: “Dat geld kwam uit mijn eigen misdrijf. Ik heb in drugs gehandeld. Mijnheer [medeverdachte] was toen ook bij mij thuis geweest, toen. Wij hebben samengewerkt om drugs te verkopen. Dat was heroïne. Het was ook heroïne die bij mij thuis is aangetroffen, dat was rond de 4 a 5 kilo. U vraagt mij van wanneer tot wanneer we hebben verkocht. Ik zeg u dat dat ongeveer 1 a 2 weken was en dat dit geld was van ongeveer 6 a 7 kilo. U vraagt mij hoeveel we hadden aangekocht. Dit was 12 of 11 kilo. Het restant is bij mij in huis aangetroffen. U vraagt me waar we dit hebben aangekocht. Dit was aangekocht bij een zekere [persoon], een Marokkaanse jongen. Meer gegevens heb ik niet over deze persoon, ik kende hem amper. U vraagt of ik voordien ook al in heroïne gehandeld heb. Ik antwoord hierop neen en mijn kompaan ook niet. Ik had een moeilijke periode in de bloemenhandel. Ik kreeg mijn ontslag omdat een klant er met 160.000 euro vandoor ging. Hij had zijn factuur niet betaald en ik had geld nodig. U vertelt mij dat ik deze heroïne toch niet op krediet kon krijgen. Wij hebben deze toch op krediet gekregen, elke keer wij verkochten, betaalde wij dan. Wij hadden al 1 keer 22.000 of 23.000 euro betaald. Die 119.000 euro was nog niet betaald omdat ik moest betalen, maar toen werd ik aangehouden. U zegt me dat u het vreemd vindt dat ik deze heroïne zomaar op krediet kreeg. Ik zeg u dat [medeverdachte] dit allemaal geregeld heeft. (…) U vraagt me hoeveel we verkochten. Wij verkochten ongeveer voor 21.000 a 22.000 a 23.000 euro per kilo. We verkochten per kilo of per halve kilo. [medeverdachte] had de afnemers geregeld. Ik moest gewoon de drugs voor hem bewaren. Ik weet niet wie de afnemers waren, ik zag deze niet. [medeverdachte] wist dit. Ik wens niets meer bijkomend te verklaren. U vraagt me waarom ik niet meteen de waarheid verteld heb. Ik wist niet dat dit in mijn voordeel speelde. (…) Vraag: Dus jullie zijn op 1 a 2 weken al die heroïne gaan halen? Het was misschien iets meer, misschien 20 dagen tot 25 dagen.” De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2019 geconcludeerd tot vrijspraak (bedoeld zal zijn: ontslag van alle rechtsvervolging) nu sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf – namelijk handel in heroïne - verkregen geldbedrag. Voorts heeft zij verzocht te gelasten dat het in beslag genomen geldbedrag aan de verdachte wordt teruggegeven. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling of het bedrag van € 119.000,- onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf van de verdachte vooral van belang is of (vgl. HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:2962): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.