GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.246.546/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C09/502037 / HA ZA 15-1405 C09/519874 / HA ZA 16-1167 arrest van 24 december 2019 in het incident tot exhibitie inzake 1. [A], wonende te [woonplaats] , 2. [B], wonende te [woonplaats] , 3. [C], wonende te [woonplaats] , appellanten, eisers in het incident tot exhibitie, hierna te noemen: [A] , [B] en [C] of gezamenlijk: appellanten, advocaat: mr. L. Zegveld te Amsterdam, tegen de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie en Veiligheid en het ministerie van Defensie), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, verweerder in het incident tot exhibitie, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. K. Teuben te Den Haag. Het geding 1. Bij exploot van 6 augustus 2018 zijn appellanten in hoger beroep gekomen tegen het (eind)vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2018. Bij memorie van grieven hebben zij 32 grieven tegen het tussenvonnis van 1 februari 2017 en het eindvonnis van 25 juli 2018 aangevoerd en toegelicht. Voorts hebben zij een incidentele vordering tot afgifte, althans tot ter inzage leggen, van geluidsbanden geformuleerd (hierna ook wel: de exhibitievordering). De Staat heeft bij memorie van antwoord de grieven en de exhibitievordering weersproken. 2. Bij brief van 25 juni 2019 hebben appellanten het hof bericht de exhibitievordering mondeling te willen toelichten. Bij akte van 5 november 2019 hebben zij hun eis in het incident verminderd. De mondelinge behandeling van de exhibitievordering heeft plaatsgevonden op 25 november 2019. Partijen hebben hun standpunt op die zitting doen toelichten door hun advocaten, appellanten mede door mr. A. Vossenberg, advocaat te Amsterdam, en de Staat mede door mr. R.W. Veldhuis, advocaat te Den Haag, die zich daarbij hebben bediend van aan het hof overgelegde pleitnotities. Appellanten hebben ten behoeve van het pleidooi nog nadere stukken overgelegd. Ten slotte is arrest in het incident gevraagd. Bij brief van 29 november 2019 heeft de advocaat van de Staat het hof laten weten dat het NFI geen gelegenheid kan bieden om de geluidsbanden af te luisteren. De advocaat van appellanten heeft bij brief van 6 december 2019 (met één bijlage) hierop gereageerd. Beoordeling van de vordering in het incident 3. Het gaat in deze zaak, voor zover voor de beoordeling van het incident van belang, om het volgende. a. [A] is de moeder van [X] (hierna: [X] ). [B] en [C] zijn de broers van [Y] (hierna: [Y] ). [X] en [Y] zijn twee van de negen gewapende Molukse jongeren die op 23 mei 1977 de trein Assen-Groningen kaapten nabij het dorp De Punt in de provincie Drenthe en daarbij 54 passagiers in gijzeling namen. Tegelijkertijd met de treinkaping drongen vier gewapende Molukse jongeren de lagere school De Meenthe in Bovensmilde binnen en namen daar 125 kinderen en vijf leerkrachten in gijzeling. Naast [X] en [Y] (de enige vrouw in de groep gijzelnemers) waren de gijzelnemers [namen gijzelnemers] . In de vroege ochtend van 11 juni 1977 zijn beide kapingen door de Staat met geweld beëindigd. Bij de bevrijdingsactie in de school zijn geen slachtoffers gevallen. Bij de bevrijdingsactie in de trein zijn acht doden gevallen: twee gegijzelde passagiers en zes gijzelnemers, onder wie [X] en [Y] . Zes gegijzelden, twee mariniers en één gijzelnemer raakten gewond. De overige gegijzelden en de overige twee gijzelnemers zijn ongedeerd gebleven. Bij de bevrijdingsactie zijn geluidsopnamen gemaakt. In dit exhibitiegeschil gaat het om drie fragmenten. Deze zijn opgenomen door de liaison van de commandant BBE-M, de commandant BBE-2 en de opvolgend commandant BBE-2. Deze fragmenten zullen hierna worden aangeduid als “de geluidsbanden”. 4. In de hoofdprocedure staat het overlijden van [X] en [Y] centraal. Appellanten vorderden in eerste aanleg: een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door [X] en [Y] op 11 juni 1977 zonder noodzaak dood te schieten; veroordeling van de Staat tot vergoeding van de dientengevolge door appellanten geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; veroordeling van de Staat in de kosten van het geding. 5. De rechtbank heeft deze vorderingen, na het horen van getuigen, in het eindvonnis afgewezen. In hoger beroep vorderen appellanten de vernietiging van het tussenvonnis en het eindvonnis en – samengevat weergegeven – toewijzing van hun in eerste aanleg geformuleerde vorderingen. 6. In het incident vorderen appellanten, na vermindering van eis bij akte van 5 november 2019, dat de geluidsbanden op een geschikte, dat wil zeggen neutrale, locatie ter inzage worden gelegd, en dat zij deze kunnen beluisteren zonder toezicht van een vertegenwoordiger van de Staat en in aanwezigheid van hun advocaten en eventueel deskundigen. De Staat heeft verweer gevoerd tegen deze vordering. 7. Het hof oordeelt als volgt. Uit artikel 843a lid 1 Rv volgt dat een partij die daarbij een rechtmatig belang heeft, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn voorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op een gegevensdrager aangebrachte gegevens vallen ook onder het begrip bescheiden. In artikel 843a lid 4 Rv is opgenomen dat een uitzondering op deze verplichting kan bestaan wegens gewichtige redenen of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. 8. Tussen partijen bestaat een rechtsbetrekking die is gelegen in het feit dat appellanten de Staat een onrechtmatige daad verwijten. Op zichzelf bestaat bij de exhibitie-vordering ook een rechtmatig belang. Tussen partijen is immers niet in geschil dat op de geluidsbanden geluiden van de bevrijdingsactie te horen zijn die aanwijzingen kunnen bevatten voor de stellingen van appellanten. De vordering heeft verder betrekking op voldoende bepaalde bescheiden, in dit geval de geluidsbanden, die bovendien onder de Staat berusten. 9. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 1 februari 2017 reeds (terecht) overwogen dat kennisname van hetgeen op de geluidsbanden is te horen, noodzakelijk is en dat appellanten een rechtmatig belang hebben bij kennisname van de geluidsbanden (rov. 4.75). De rechtbank heeft echter ook geoordeeld dat de persoonsgegevens van de betrokken mariniers moeten worden afgeschermd. Daarom heeft de rechtbank bepaald dat door de Staat een transcriptie van de geluidsbanden in het geding moet worden gebracht waarop de mariniers mogen worden aangeduid met codes. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de advocaten van appellanten in de gelegenheid moeten worden gesteld de geluidsbanden te beluisteren en daarbij bepaald dat een verbod zal gelden mededeling te doen aan derden van namen of identificerende gegevens van de mariniers (rov. 4.76). Tijdens verschillende zittingen zijn de geluidsbanden afgeluisterd, ook in aanwezigheid van appellanten zelf. De advocaten van appellanten hebben de geluidsbanden meerdere malen op het NIHM afgeluisterd. Daarbij was steeds een medewerker van de Staat aanwezig. 10. Het hof is van oordeel dat op deze manier reeds in belangrijke mate is gewaarborgd dat enerzijds appellanten hun stellingen kunnen baseren op de geluidsbanden als zodanig en anderzijds de identiteit van de betrokken mariniers is beschermd. Het hof ziet geen aanleiding te bepalen dat ook appellanten zelf toegang tot de geluidsbanden moeten hebben. De equality of arms komt niet in gevaar indien uitsluitend de advocaten van appellanten en niet appellanten zelf rechtstreekse toegang tot de geluidsbanden hebben. Appellanten, die de geluidsbanden op de zittingen hebben kunnen beluisteren, hebben ook niet gemotiveerd waarom het van belang is dat zij zelf de geluidsbanden ook buiten de zittingen kunnen beluisteren; evenmin hebben zij aangevoerd dat er tussen hen en hun advocaten overleg moet plaatsvinden tijdens het afluisteren van de geluidsbanden. De vraag of [vertegenwoordiger van A] , die door [A] als haar vertegenwoordiger is aangewezen, in plaats van [A] de geluidsbanden mag afluisteren kan dus onbeantwoord blijven. 11. Het hof is echter van oordeel dat de aanwezigheid van een medewerker van de Staat bij het afluisteren van de geluidsbanden door de advocaten van appellanten een moeilijk werkbare situatie oplevert. Ook als in aanmerking wordt genomen dat er een ruimte is waarin de advocaten zich voor overleg kunnen terugtrekken is van een situatie waarin zij vrij en onbelemmerd de geluidsbanden kunnen afluisteren ter voorbereiding van hun zaak, geen sprake. Het is immers voorzienbaar dat juist het overleg tussen advocaten ertoe leidt dat een bepaalde passage een- en andermaal moet worden afgeluisterd en dat juist tijdens dat proces van afluisteren nader overleg plaatsvindt. Dergelijk overleg dient in alle vrijheid en onbelemmerd te kunnen plaatsvinden en van de advocaten mag niet worden gevergd dat zij, steeds als zij naar aanleiding van een passage willen overleggen, zich eerst naar een andere ruimte begeven. Het hof zal daarom bepalen dat de advocaten van appellanten in de gelegenheid moeten worden gesteld zonder de aanwezigheid van een medewerker van de Staat, de geluidsbanden af te luisteren. 12. De Staat heeft er terecht geen bezwaar tegen gemaakt dat de advocaten van appellanten deskundigen inschakelen en dat die deskundigen de geluidsbanden beluisteren. Anderen dan de advocaten en die deskundigen zullen echter geen toegang hebben tot de geluidsbanden. Omdat de advocaat van de Staat ter zitting heeft aangegeven zich te kunnen voorstellen dat de advocaten van appellanten uit oogpunt van procestactiek de namen van de deskundigen niet met de Staat zullen willen delen, zal het hof bepalen dat het afluisteren van de geluidsbanden zal geschieden op de hierna nader te omschrijven wijze. 13. De Staat heeft terecht aandacht gevraagd voor de noodzaak te voorkomen dat de (identificerende gegevens op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.