← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2019:3367

Rolnummer: 22-002826-18 Parketnummer: 10-067262-18 Datum uitspraak: 16 december 2019 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2018 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1976, [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 2 december 2019. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met een bijzondere voorwaarde als nader in de vordering vermeld. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 5 april 2018 te Rotterdam, althans in Nederland [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (telefonisch via [persoon]) dreigend de woorden toe te voegen "Dus je gaat mij niet helpen? Dan hoop ik dat je vanavond lekker slaapt. Ik ben er klaar mee. Ik ga zorgen voor een familiedrama. Ik ga mijn kinderen vermoorden. Als je wat op het journaal hoort dan was ik het. Ik hoop dat je lekker slaap. Schrijf mijn naam maar op. [verdachte] met een [x].", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet de overtuiging bekomen dat de verdachte de tenlastegelegde bedreiging heeft begaan, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daarbij dat de verdachte over een gedeelte van de tenlastegelegde uitlatingen heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij deze heeft gedaan, maar dat deze uitlatingen noch op zichzelf noch in verband met elkaar bezien zijn te beschouwen als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. De tenlastegelegde uitlating “Ik ga zorgen voor een familiedrama. Ik ga mijn kinderen vermoorden.” is zonder meer aan te merken als bedreiging zoals tenlastegelegd, maar voor de overtuiging in weerwil van zijn ontkenning dat de verdachte deze uitlating deed mist het hof het noodzakelijke steunbewijs, nu enkel aangeefster hierover heeft verklaard. Aangeefster heeft bovendien (bij de 112-melding op 5 april 2018 respectievelijk haar aangifte op 6 april 2018) wisselend verklaard over de volgorde waarin de verdachte de tenlastegelegde uitlatingen zou hebben gedaan, zodat het hof ook geen houvast heeft aan duidelijkheid van de context waarin de verdachte samen met de door hem niet tegengesproken uitlatingen de ontkende uitlating zou hebben gedaan. Derhalve put het hof ook uit de context geen steunbewijs voor de voor bewezenverklaring noodzakelijke overtuiging. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. W.A.G.J.W. Ferenschild en mr. A.L. Frenkel, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 december 2019.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.