GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel, team familie Zaaknummer : 200.249.891/01 Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/559133 / KG ZA 18/903 arrest in kort geding van 12 februari 2019 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant, tevens geïntimeerde in incidenteel beroep, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. M. Braat, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, tevens appellante in incidenteel beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. T. Venneman Het geding Bij exploot van 9 november 2018 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 16 oktober 2018 van de rechtbank Rotterdam, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie/eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis). Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen daarover is vermeld op blz. 1 van het bestreden vonnis. De man heeft in de appeldagvaarding vijf grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. Verder heeft hij bij incident om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis gevorderd. Ook heeft de man verzocht om een behandeling van de zaak als spoedappel. De vrouw heeft de grieven weersproken bij memorie van antwoord, geconcludeerd in het incident en tevens incidenteel appel ingesteld. De man heeft een memorie van antwoord genomen in het incidenteel appel. Partijen hebben hun procesdossier overgelegd en om arrest gevraagd. De vrouw heeft nadien een akte genomen. Beoordeling van het hoger beroep Feiten 1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Bij beschikking van 15 december 2017 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, waarna deze beschikking op 9 april 2018 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2. Tot de gemeenschap van goederen waarin partijen waren gehuwd behoren onder meer twee boven elkaar gelegen woningen aan de [adres EEN] en [adres TWEE] . De man heeft woning [EEN] voor het huwelijk van partijen in eigendom verkregen, terwijl woning [TWEE] door partijen gezamenlijk in eigendom is verkregen. 3. Woning [TWEE] is de voormalige echtelijke woning van partijen (hierna: de echtelijke woning) en wordt sinds november 2016 door de man bewoond. 4. In de beschikking van 15 december 2017 is over de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen, voor zover van belang, als volgt beslist: ‘stelt de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand: 1. de echtelijke woning aan de [adres TWEE] wordt als volgt verdeeld, waarbij telkens de spaarpolis en de hypothecaire leningen verrekend dienen te worden: - de woning wordt tegen een waarde van € 300.000,- toegedeeld aan de man, onder de voorwaarde dat hij de woning kan financieren met ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid; - lukt het de man niet om vóór 1 mei 2018 het aandeel van de vrouw in de echtelijke woning aan hem te doen leveren, dan wordt de woning - indien zij daar dan nog prijs op stelt - aan de vrouw toegedeeld, onder de voorwaarde dat zij binnen drie maanden nadat duidelijk is geworden dat de man het aandeel van de vrouw niet kan overnemen, financieel in staat is het aandeel van de man over te nemen en hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan; - bij toedeling aan één van de echtgenoten dient deze bij een voorgenomen besluit tot verkoop binnen drie jaar na de datum van het notariële transport de ander als eerste de woning te koop aan te bieden; - indien geen van partijen de woning kan financieren of wenst over te nemen, dient deze te worden verkocht, waarbij beide partijen over en weer hun volledige medewerking dienen te verlenen aan alle handelingen die nodig zijn om de woning (voor een optimale prijs) te verkopen en aan een derde te leveren. In dat geval dient de eventuele overwaarde, na aflossing van de hypothecaire geldlening en betaling van overige kosten, tussen partijen bij helfte verdeeld te worden. Voor zover sprake is van een restschuld, dient deze door ieder van partijen bij helfte te worden gedragen; 2. aan de man worden toegedeeld: a. de woning aan [adres EEN] , onder de voorwaarde dat hij deze kan financieren met ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid en het aandeel van de vrouw in de woning vóór 1 mei 2018 aan hem kan doen leveren; bij gebreke daarvan dient deze woning te worden verkocht op dezelfde wijze zoals is bepaald bij de verdeling van de echtelijke woning;’. Deze beslissing is door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Eerste aanleg 5. Tussen partijen is een meningsverschil ontstaan over de uitvoering van de (in kracht van gewijsde gegane) beschikking van 15 december 2017 voor wat betreft de daarin gegeven beslissing met betrekking tot de wijze van verdeling van beide woningen. 6. Kort gezegd heeft de vrouw in kort geding gevorderd, onder andere, dat de man wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de levering van zijn aandeel in de eigendom van de echtelijke woning aan de vrouw en aan de verkoop en levering van zijn aandeel in het eigendom van woning [EEN] aan een derde, stellende dat de man vóór 1 mei 2018 geen financiering heeft kunnen vinden voor één of beide woningen, de vrouw een voorstel heeft gekregen van de bank voor de financiering van de echtelijke woning maar de man weigert zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van deze woning aan de vrouw, en de man eveneens weigert mee te werken aan de verkoop van woning [EEN] terwijl hij daartoe wel is gehouden omdat geen van partijen de financiering voor deze woning heeft kunnen vinden. 7. De man heeft verweer gevoerd en in reconventie kort gezegd gevorderd, onder andere, dat de vrouw wordt veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in de eigendom van beide woningen, stellende dat hij door toedoen van de vrouw de termijn van 1 mei 2018 voor de levering van het aandeel van de vrouw in de eigendom van beide woningen aan hem niet heeft gehaald en dat hij vanaf medio augustus 2018 voldoet aan alle in de beschikking van 15 december 2017 gestelde voorwaarden voor de levering van beide woningen aan hem, maar de vrouw desondanks geen medewerking daaraan verleent. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. 8. Bij vonnis van 16 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter in conventie de man veroordeeld om binnen vier weken na betekening van het vonnis mee te werken aan de levering van zijn aandeel in de eigendom van de echtelijke woning aan de vrouw. Voor het geval dat de man geen gevolg geeft aan deze veroordeling, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van zijn handtekening op de akte van levering en/of verdeling met betrekking tot de echtelijke woning. Tenslotte is de man veroordeeld om binnen 24 uur na de overdracht van de echtelijke woning deze te verlaten en te ontruimen. In reconventie heeft de voorzieningenrechter de vrouw veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis mee te werken aan de levering aan de man van haar aandeel in de eigendom van woning [EEN] overeenkomstig de notariële conceptakte van verdeling en levering van 3 augustus 2018, door de volmacht van de transporterende notaris ten overstaan van een notaris te ondertekenen en deze volmacht aan de transporterende notaris ter beschikking te stellen. Voor het geval de vrouw geen gevolg geeft aan deze veroordeling heeft de voorzieningenrechter bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van de voor het opmaken van de akte van verdeling en levering vereiste wilsverklaring en handtekening van de vrouw. Deze veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorzieningenrechter heeft het meer of anders verzochte afgewezen en verder bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt. 9. Vast staat dat het aandeel van de vrouw in de eigendom van woning [EEN] op 5 november 2018 aan de man is geleverd. 10. Verder staat vast dat de vrouw het bestreden vonnis op 24 oktober 2018 door de deurwaarder aan de man heeft laten betekenen. Vordering in hoger beroep 11. De man is tijdig van het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen. Hij vordert in hoger beroep in het incident het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de uitvoerbaar bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. In de hoofdzaak vordert de man het hof het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de vrouw te veroordelen binnen vier weken na de betekening van het in deze te wijzen arrest mee te werken aan de levering van haar aandeel in de eigendom van de echtelijke woning aan de man; - te bepalen dat, indien de vrouw geen gevolg geeft aan de veroordeling om haar medewerking te verlenen, het in deze te wijzen arrest in de plaats treedt van haar handtekening op de akte van levering en/of verdeling met betrekking tot de echtelijke woning; - voor zover de vrouw in afwachting van het hoger beroep wel haar intrek zal hebben genomen in de echtelijke woning, de vrouw te veroordelen om binnen 24 uur na de overdracht van de echtelijke woning deze te verlaten en te ontruimen. 12. De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad: - het beroep en de grieven van de man ongegrond verklaart en de vorderingen van de man (naar het hof begrijpt: zowel in de hoofdzaak als in het incident) afwijst; - de vorderingen van de vrouw tot verkoop aan een derde van woning [EEN] en betaling van een voorschot van een bedrag van € 50.000,-, zoals gevorderd in eerste aanleg, alsnog toewijst; - de man veroordeelt in de kosten van beide instanties. Spoedappel 13. De man heeft het hof verzocht om een behandeling van de zaak als een spoedappel. Dit verzoek is door het hof toegewezen. 14. De behandeling als een spoedappel heeft tot gevolg dat de man geen belang heeft bij zijn incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het bestreden vonnis. Bespreking van de grieven Principaal appel 15. De man keert zich met vijf grieven tegen het bestreden vonnis. De grieven hebben betrekking op de uitleg die de voorzieningenrechter heeft gegeven aan de beslissing van de bodemrechter met betrekking tot de toedeling van de echtelijke woning. 16. In grief 1 betoogt de man dat de voorzieningenrechter de ratio heeft miskend van de termijn die de bodemrechter in de beschikking van 15 december 2017 heeft verbonden aan de levering van het aandeel van de vrouw in de eigendom van de echtelijke woning aan de man. Volgens de grief heeft de bodemrechter beslist dat op de toedeling van deze woning aan de man alleen een uitzondering gemaakt kan worden wanneer de man niet in staat zou blijken de woning te financieren. Deze situatie doet zich volgens de grief niet voor, omdat de man per 1 januari 2018 in dienst is getreden bij een werkgever tegen een bruto maandloon van € 5.500,- exclusief 8% vakantietoeslag, met welk inkomen hij de woning gemakkelijk kan financieren. Naar de grief betoogt ligt het aan de vrouw dat het de man niet is gelukt om de financiering vóór 1 mei 2018 rond te krijgen. 17. Bij de behandeling van deze grief neemt het hof tot uitgangspunt dat de bodemrechter in de (in kracht van gewijsde gegane) beschikking van 15 december 2017, na een afweging van de wederzijdse belangen van partijen, tot een duidelijke beslissing is gekomen ten aanzien van de verdeling van de echtelijke woning en de (opschortende) voorwaarden waaronder deze woning aan de man kan worden toegedeeld. Bij die belangenafweging heeft de bodemrechter rekening gehouden met de intentie van partijen dat de man na het uiteengaan van partijen in de echtelijke woning zou blijven wonen en met de stelling van de vrouw dat zij is gebaat bij een vlotte afwikkeling van de verdeling aangezien zij tijdelijk in het huis van haar ouders woont. Gelet op het belang van de vrouw bij een voortvarende financiële afwikkeling van het huwelijk en de stelling van de man dat hij verwacht op korte termijn (februari 2018) weer een baan te hebben, heeft de bodemrechter de man een termijn van ruim vier maanden gegeven – tot 1 mei 2018 – om de financiering van de echtelijke woning rond te krijgen met ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. De kern van deze beslissing houdt in, zo overweegt het hof, dat voor partijen op korte termijn duidelijkheid zou komen over de verdeling van beide woningen (zie ook rov. 4.6 van het bestreden vonnis: ‘(…) Nu niet in geschil is tussen partijen dat de aan de man gestelde termijn louter was bedoeld om de afwikkeling vlot te laten plaatsvinden (…)’). 18. Anders dan grief 1 betoogt kan uit het bestreden vonnis niet worden opgemaakt dat de voorzieningenrechter de ratio heeft miskend van de termijn die de bodemrechter in de beschikking van 15 december 2017 heeft verbonden aan de levering van het aandeel van de vrouw in de eigendom van de echtelijke woning aan de man. In rov. 4.2 van het bestreden vonnis geeft de voorzieningenrechter ervan blijk rekening te hebben gehouden met de hiervoor in rov. 17 weergegeven belangenafweging die de bodemrechter voor ogen heeft gehad bij zijn beslissing over de verdeling van de echtelijke woning. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis de juiste maatstaf gehanteerd door na te gaan of de man vóór 1 mei 2018 de financiering voor de echtelijke woning rond heeft gekregen. Aangezien vast staat dat de man daarin niet is geslaagd, heeft de voorzieningenrechter in overeenstemming met de beschikking van de bodemrechter de vordering van de man terecht afgewezen. Waar de grief nog betoogt dat het aan de vrouw ligt dat het de man niet is gelukt om de financiering vóór 1 mei 2018 rond te krijgen, verwijst het hof naar de behandeling van grief 2. 19. Grief 2 keert zich tegen rov. 4.2 van het bestreden vonnis, voor zover de voorzieningenrechter daarin de stelling van de man verwerpt dat hij de gestelde termijn voor het rondkrijgen van de financiering van de echtelijke woning niet heeft gehaald vanwege redenen die (enkel) aan de vrouw zijn te wijten. De man voert in appel aan dat hij afhankelijk was van de medewerking van de vrouw om de financiering van de echtelijke woning vóór 1 mei 2018 rond te kunnen krijgen, dat de vrouw zich hiervan bewust was, maar zij desondanks de man heeft tegengewerkt door niet mee te werken aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Naar het hof begrijpt houdt de stelling van de man in dat hij zonder deze inschrijving geen financiering kon krijgen voor de echtelijke woning en evenmin dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de echtelijke woning kon worden ontslagen. 20. Gelet op de beslissing van de bodemrechter, moet het voor de man duidelijk zijn geweest dat hij uiterlijk tot 1 mei 2018 de tijd had om de financiering van de echtelijke woning rond te krijgen en dat hij dus voortvarend te werk diende te gaan om de echtelijke woning toegedeeld te kunnen krijgen. Aangezien de man heeft gesteld dat hij per 1 januari 2018 een nieuwe baan heeft en op 1 februari 2018 een einde kwam aan zijn proefperiode, had het op zijn weg gelegen om in ieder geval per 1 februari 2018 hypotheekoffertes op te vragen. Dat hij zulks heeft nagelaten omdat de vrouw pas uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zou kunnen worden ontslagen indien de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven, dat hij daarom deze inschrijving wenste af te wachten alvorens kosten te maken voor het opvragen van hypotheekoffertes die bovendien voor een beperkte periode geldig zouden zijn (CvA, nr. 29), en dat hij pas na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking hypotheekoffertes is gaan opvragen, dient naar het oordeel van het hof voor rekening van de man te komen. 21. Gelet op de voortvarendheid die van de man verwacht had mogen worden, had het op zijn weg gelegen om een financiering, eventueel onder voorbehoud, zoveel mogelijk rond te krijgen voordat de echtscheidingsbeschikking kon worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Anders gezegd, is het hof van oordeel dat de man zich meer had moeten inspannen om de financiering van de echtelijke woning zoveel mogelijk rond te krijgen, ook wanneer een zekere afhankelijkheid van de vrouw daarvoor wordt aangenomen. Voor het hof is niet vast komen te staan dat de man de financiering voor de echtelijke woning niet vóór 1 mei 2018 heeft kunnen rondkrijgen door toedoen van de vrouw. Het hof verenigt zich met de beslissing van de voorzieningenrechter dat het standpunt van de man niet wordt gevolgd dat hij de gestelde termijn van 1 mei 2018 niet heeft gehaald vanwege redenen die (enkel) aan de vrouw zijn te wijten (rov. 4.2). Grief 2 faalt derhalve. 22. Voortbordurend op de vorige grief, voert de man in grief 3 aan dat de voorzieningenrechter in rov. 4.2 van het bestreden vonnis ten onrechte ervan is uitgegaan dat het niet meewerken van de vrouw aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de aanvraag voor een financiering niet belet. Evenals de voorzieningenrechter onderschrijft het hof het standpunt van de man dat voor een ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de echtelijke woning de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vereist is. Dat geldt echter niet voor de stelling van de man dat hij door het uitblijven van deze inschrijving geen financiering heeft kunnen krijgen voor de echtelijke woning. Ervan uitgaande dat de man de echtelijke woning toegedeeld wilde hebben, had van hem verwacht mogen worden voortvarendheid te werk te gaan bij het zoveel mogelijk rondkrijgen van een voorlopige financiering van de echtelijke woning. Voor het hof is niet vast komen te staan dat hiervoor de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking noodzakelijk was. Integendeel, blijkt uit een aan de man gerichte emailbericht van 30 augustus 2018 van de hypotheekadviseur van de man (CvA, prod. 17) dat ‘er altijd ergens een offerte aangevraagd (kan) worden maar dan is de acceptatie altijd onder voorbehoud van de aan te leveren stukken en is het dus altijd onzeker of de bank dan wel of niet de aangevraagde offerte accepteert’. Dat met het aanvragen van hypotheekoffertes kosten zijn gemoeid zonder garantie dat deze offertes ook tot een daadwerkelijke financiering zouden leiden (appeldagvaarding, nr. 46), doet niet af aan de actieve houding die van de man verwacht had mogen worden om de door hem gewenste toedeling van de echtelijke woning financieel rond te krijgen. 23. Aan het voorgaande voegt het hof nog het volgende toe. De man heeft zelf melding gemaakt van een door de huidige kredietverstrekker tegen de man lopend onderzoek eind april 2018 naar mogelijke fraude door de man (CvA, nr. 27). Volgens de man heeft dit onderzoek in augustus 2018 geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst en opname in het Incidentenregister van de ING Bank, hetgeen betekent dat de man zijn financiële zaken inclusief hypothecaire geldleningen bij een andere bank dient onder te brengen. De man heeft gesteld dat hierdoor ‘opnieuw vertraging (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.