GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.205.776/02Zaaknummer rechtbank : C/09/505363 / HA ZA 16-177 arrest van 24 december 2019 inzake BE Vastgoed B.V., gevestigd te Zutphen, appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, hierna te noemen: BE Vastgoed, advocaat: mr. R.H.P. van de Venne te Zutphen, tegen 1. Cool Down Investments B.V., gevestigd te Den Haag en kantoorhoudende te Amsterdam, 2. Cool Cat Oost B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Houten, geïntimeerden in principaal appel, appellanten in incidenteel appel, hierna gezamenlijk te noemen: CDI c.s., advocaat: mr. H. Ferment te Den Haag. Het geding 1. Voor het verloop van het geding tot aan 17 januari 2017 verwijst het hof naar het arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 3 maart 2017. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven (met producties) heeft BE Vastgoed vijf grieven tegen het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2016 (hierna: het vonnis) aangevoerd. Bij memorie van antwoord met één productie heeft CDI c.s. de grieven bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld, waarbij zij één grief heeft aangevoerd. BE Vastgoed heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Tevens heeft BE Vastgoed bij akte aanvullende producties overgelegd. Vervolgens hebben partijen op 19 februari 2018 de zaak doen bepleiten, BE Vastgoed door mr. Van de Venne, voornoemd, en CDI c.s. door mr. Ferment, voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft BE Vastgoed één productie overgelegd. Na afloop van het pleidooi hebben partijen aangegeven met elkaar in gesprek te willen gaan om tot een oplossing te komen. De zaak is vervolgens geroyeerd. Partijen hebben de zaak in september 2019 opnieuw aangebracht. Daarna is arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep De feiten 2. Het hof gaat uit van de volgende feiten: a. BE Vastgoed is vanaf 8 mei 2008 eigenaar van een perceel aan [adres 1] te [plaatsnaam] (hierna: [adres 1] ). Op de begane grond van het pand dat op [adres 1] is gevestigd, is een winkelruimte die BE Vastgoed verhuurt aan [naam B.V.] (hierna: [naam B.V.] ). [naam B.V.] exploiteert in de winkelruimte een schoenenwinkel vanaf 1 september 1994. De woonruimte boven de winkelruimte is vanaf medio 1967 tot 1 september 2015 onbewoond geweest. In het voorjaar van 2015 heeft BE Vastgoed de woonruimte laten verbouwen tot vier kamers. Eén van de kamers wordt gebruikt als magazijn voor [naam B.V.] , de andere drie kamers worden vanaf 1 september 2015 verhuurd aan maximaal drie kamerbewoners. Het pand op [adres 1] heeft een achteruitgang die uitkomt op de steeg die behoort bij het perceel [adres 2] (hierna: de steeg). Daarnaast is het alleen mogelijk om het pand aan [adres 1] te verlaten via de winkelruimte. Van 7 oktober 1983 tot 8 mei 2008 waren de heer [X] (hierna: [X] ) en zijn echtgenote [Y] (hierna gezamenlijk met [X] : [X] c.s.) eigenaar van het perceel [adres 1] . Daarvoor was de heer [Z] eigenaar van het perceel. [X] c.s. dreef vanaf eind 1958 tot 1 september 1994 een schoenenwinkel in het pand en woonde boven de winkelruimte vanaf eind 1958 tot medio 1967. CDI c.s. is sinds 1998 gezamenlijk eigenaar van het perceel [adres 2] / [adres 3] / [adres 4] / [adres 5] (hierna: [adres 2] ). Op de begane grond is een boekwinkel gevestigd. Op de bovenverdiepingen zijn vanaf 1999 twee appartementen. De bewoners van de [adres 2] bereiken hun appartementen via de steeg. De steeg is afgesloten met een poort, die van binnenuit zonder sleutel te openen is. Rovast Real Estate Fund Management B.V. (hierna: Rovast) beheert het perceel [adres 2] voor CDI c.s. Bij brief van 28 september 1999 heeft Rovast aan [X] c.s. het volgende bericht: “(…) Hierbij refereer ik aan ons telefonisch onderhoud van 21 september jongstleden waarin wij spraken over de achter uw pand aan [adres 1] te [plaatsnaam] gelegen steeg. Wij zijn voornemens woningen te ontwikkelen boven de winkelruimte aan de [adres 2] waarvan de entree via voornoemde steeg zal plaatsvinden. Ik sprak met u af dat de in de steeg geplaatste fietsenstalling in overleg met u gezamenlijk zal worden verwijderd. U berichtte mij dat u uw huurders van voornoemde plannen op de hoogte zult stellen. Zodra de startdatum van de werkzaamheden bij ons bekend is, zullen wij u nader informeren. (…)”. Een brief gedateerd 4 oktober 1999 van [X] aan Rovast vermeldt het volgende: “(…) meldde U mij uw voornemen tot verbouwing van [adres 2] te [plaatsnaam] . U meldde mij dat deze verbouwing plaats zal vinden via de achteringang van de panden [adres 2] en [adres 1] en ook dat de entrée van deze te bouwen woningen via de achterkant aan de [straatnaam 2] zal gaan. Hiertoe heb ik als goede buur mijn medewerking toegezegd, maar ik heb U er toen ook op gewezen dat wij al gedurende ruim veertig (…) jaren, vanaf Oktober 1958, het recht van overpad hebben en dat er al die jaren enkele fietsen (bromfietsen) in die gang geplaatst zijn van mensen die in de panden [adres 2] en [adres 1] wo(o)n(d)en of werk(t)en. U zult nu ook begrijpen dat dit voor de bewoners van en of werkenden in pand [adres 1] een door de jaren heen verworven recht is waar ik aan vast wens te houden omwille van bovenvermelde personen. Over het verwijderen van een fietsenstalling heb ik niet met u gesproken, laat staan dat ik U iets toegezegd kan hebben over dit onderwerp. (…)”. Bij brief van 22 oktober 1999 heeft [X] [naam B.V.] in het bezit gesteld van afschriften van de twee voornoemde brieven, waarbij hij mededeelde: “(…) Ter aanvulling moeten wij melden dat wij op 19-10 jl. telef. contact met de Hr. [naam medewerker] van ROVAST hebben gehad waarbij is afgesproken dat wij tijdens de bouw een oplossing zullen vinden voor het stallen van de fietsen van bewoners van [adres 2] en gebruikers van pand [adres 1] (…)”. In een door [X] c.s. ondertekende verklaring “t.b.v. potentiële kopers van het pand [adres 1] te [plaatsnaam]” gedateerd 24 april 2008 is het volgende opgenomen: “(…) [X] en [Y] , verklaren: (…) [X] en [Y] tussen eind 1958 en medio 1967 in de toenmalige bovenwoning van het pand hebben gewoond en in het pand hebben gewerkt; dat er een paadje achter het pand loopt waarop een achterdeur van het pand uitkomt; (…) dat het paadje zelf altijd afgesloten is geweest met een deur; dat het paadje vanaf medio 1958 als achteringang is gebruikt t.b.v. de winkel die in het pand is gevestigd; dat zij vanaf 1958 tot 1967 gebruik hebben gemaakt van dit paadje om toegang te krijgen tot de bovenwoning via de achterdeur van het pand. (…)”. In een door [naam directeur] Schoenmode ondertekende verklaring “t.b.v. potentiële kopers van het pand [adres 1] te [plaatsnaam] ” gedateerd 29 april 2008 is het volgende opgenomen: “(…) De heer [naam directeur] (…), directeur [naam B.V.] (…), verklaart ten aanzien van het gebruik van overpad over het paadje achter pand [adres 1] , het volgende: [naam B.V.] is huurder van het pand [adres 1] sinds augustus 1994. Achter het door hen/ons gehuurde en gebruikte winkelpand [adres 1] loopt een pad dat, behalve onze winkel, ook naburig pand, [adres 2] verbindt met een zijstraat van de [straatnaam 1] , de [straatnaam 2] , tot welke middels een poort met deur de toegang wordt verschaft. Deze doorgang is een cruciale (nood)uitgang, omdat anders alleen de voordeur van de winkel aan de [straatnaam 1] een uitgang voor medewerkers en klanten biedt bij calamiteiten. Tevens wordt het pad en de toegangen voor aan en afvoer van goederen van en naar ons pand en als stalling voor rijwielen van medewerkers benut. Ook worden regelmatig zaken tijdelijk gestald op dit paadje, zoals oud papier en winkelinrichtings- en decoratie-onderdelen, die gereed worden gezet voor transport, die over het pad en via het poortje aan de [straatnaam 2] worden in en uitgeladen. In 2006 is een nieuwe poort tussen het overgangspaadje en de straat [straatnaam 2] gemaakt. Tijdens deze bouw is ook het paadje geplaveid. Alles is gebeurd op kosten van de eigenaar van [adres 2] , de buurman, zijnde de firma Rovast te Amsterdam. Dit is in goed overleg gegaan met de bedrijfsleider van onze winkel. (…) Men heeft toen ook een overkapping/afdakje aangebracht, tegen de muur, die oorspronkelijk boven de achterdeur van de winkel [naam B.V.] zat, opdat de fietsen en bromfietsen van werknemers van huurder van de winkel onder die overkapping gezet kunnen worden. Deze vervoersmiddelen worden al sinds jaar en dag op het paadje gestald zonder enige probleem met eigenaar/buurman. (…)”. i. Op 27 maart 2015 is aan de heer [naam directeur] ten aanzien van het perceel [adres 1] door de gemeente [plaatsnaam] een omzettingsvergunning verstrekt, waarin het volgende is verwoord: “(…) Aan deze vergunning zijn de volgende voorschriften verbonden: (…) 5. In het pand mogen 3 kamers worden verhuurd en maximaal 3 personen worden gehuisvest. Alle bewoners dienen op betreffend adres ingeschreven te staan in de Gemeentelijke Basisadministratie. (….)”. Bij e-mailbericht van 19 april 2015 hebben [bewoner 1] en [bewoner 2] aan Rovast het volgende bericht: “(…) Wij wonen op de [adres 4] en onze buurman (de eigenaar van schoenwinkel [naam directeur] ) is begonnen aan een verbouwing van de bovenwoning. Er worden appartementen gebouwd waar, naar zijn zeggen, 3-4 personen komen wonen. Voor de verbouwing gebruikt hij de toegang van-, en de doorloop naar appartementen [adres 4] en [adres 5] . Wij waren hier niet van op de hoogte, totdat onze toegang verhinderd werd door bouwmateriaal. Ook is er schade aan de brievenbus en het slot op de voordeur, wordt de voordeur niet afgesloten na vertrek en worden onze bezittingen zonder overleg verplaatst. De heer in kwestie sprak over het afbreken van de fietsenstalling van het appartement [adres 5] en de ombouwing om de meterkasten (omdat deze tegen zijn gevel aan staan). Zijn plan is om hier een grote overkapping te maken zodat er meer fietsen gestald kunnen worden. De nieuwe bewoners zouden dan ook gebruik gaan maken van de groene toegangsdeur incl. gangetje en hier dus ook hun fietsen stallen. Wij waren altijd in de veronderstelling dat de ingang alleen voor de appartementen [adres 4] en [adres 5] waren en we zijn erg verbaasd dat wij niet op de hoogte gesteld zijn van deze verandering. (…) We wonen al 5 jaar met plezier in dit appartement en hopen dat in de toekomst te kunnen blijven doen. (…)”. Bij brief van 20 april 2015 is door een advocaat namens CDI c.s. het volgende aan BE Vastgoed bericht: “(…) Rovast (…), optredend als lasthebber van eigenaar, heeft zich tot mij gewend in verband met ernstige schending van het eigendomsrecht. (…) Op dit moment worden er, naar wij hebben vernomen in uw opdracht, bouwwerkzaamheden uitgevoerd boven [naam B.V.] . De aannemer heeft zich al dan niet in uw opdracht de toegang verschaft tot en maakt gebruik van het perceel van cliënte (zijnde ook de doorgang naar de appartementen [adres 4] en [adres 5] ). Daarbij is het slot van de voordeur geforceerd en schade ontstaan aan de brievenbus. (…) Dit alles zou plaatsvinden op het perceel van cliënte en is volledig buiten cliënte om gegaan. Er heeft geen enkele vorm van overleg plaatsgevonden, laat staan dat toestemming is verleend. Ook de huurders wisten van niets. U heeft geen enkel recht om wat dan ook uit te voeren op het perceel van cliënte. (…) Er wordt ernstige inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van cliënte en haar eigendom wordt bovendien beschadigd. (…)”. Bij e-mailbericht van 23 april 2015 heeft [naam B.V.] hierop als volgt gereageerd: “(…) 1 Er is geen slot geforceerd , er is niets gedaan met de deur. Het verwijt wijzen wij van de hand! De klink van de deur is al een tijdje kapot van voor de verbouwing, dat hebben onze medewerkers voor die tijd vastgesteld! DE aannemer had ook gewoon een sleutel, er was geen enkele reden tot forceren. 2 Overlast vanwege de bouwmaterialen is na een klacht van de huurder direct wat aan gedaan. De materialen zijn tegen de achterkant van os [ons] pand gezet. Zelfs heeft de mevr in de winkel [naam B.V.] (huurder van ons pand) de containers die normaal in de steeg staan in de winkel laten staan om terwille te zijn. (…) 3. Leveranciers die de doorgang gebruiken dat doen we al jaren, dat geld dan ook voor een aannemer. (…)”. Bij brief van 3 juni 2015 heeft de advocaat van CDI c.s. namens geïntimeerde sub 1 aan BE Vastgoed het volgende bericht: “(…) Cliënte heeft (evenals haar rechtsvoorgangers) jarenlang beperkt gebruik van het pad door de gebruiker van [adres 1] gedoogd. Dat gedogen is altijd een kwestie geweest van goed nabuurschap, en van het pad werd slechts in beperkte mate gebruik gemaakt doordat de bovenverdiepingen van [adres 1] niet werden bewoond. (…) (…) U bezit geen recht van overpad. Uit het kadaster blijkt niet van het bestaan van een dergelijk recht. (…) Ook van verkrijging door verjaring is echter een sprake geweest. (…) Cliënte is niet alleen verontrust door de recentelijk veroorzaakte overlast en aangerichte schade, maar ook door het feit dat u de bovenverdiepingen van [adres 1] kennelijk hebt verbouwd met het oog op ingebruikgeving aan meerdere derden (…). Dat is – indien cliënte ander gebruik van het pad dan gebruik als noodweg zou dulden – evident nadelig voor de gebruikers van [adres 2] , onder meer om de volgende redenen. de drukte op het pad zou sterk toenemen; het risico dat gebruikers van [adres 1] zaken op het pad plaatsen zou toenemen; de veiligheid voor de gebruikers van [adres 2] zou afnemen, onder meer doordat er meer sleutels van de poort in omloop zouden komen. Vanaf nu staat cliënte tot nader order dan ook alleen gebruik van het pad als noodweg toe, overeenkomstig uw verklaring van 29 april 2008 (‘Deze doorgang is een cruciale (nood)uitgang, omdat anders alleen de voordeur van de winkel aan de [straatnaam 1] een uitgang voor medewerkers en klanten biedt bij calamiteiten’). Ook dit is een kwestie van goed nabuurschap. Van een echte noodweg is immers geen sprake, omdat daar geen behoefte aan bestaat gelet op het feit dat het pand [adres 2] aan de [straatnaam 1] over een behoorlijke toegang tot de openbare weg beschikt. Cliënte behoudt zich dan ook nadrukkelijk het recht voor om haar toestemming voor gebruik als noodweg in te trekken indien de gebruikers van [adres 2] ook bij afwezigheid van calamiteiten gebruik blijken te maken van het pad en de poort van cliënte. Omdat u kennelijk een sleutel van de poort hebt bemachtigd, zal cliënte het slot van de poort binnenkort doen vervangen. De poort zal vanaf de padzijde zonder sleutel geopend kunnen blijven worden met het oog op het tot nader order toegestane gebruik van het pad als noodweg. (…)” Vervolgens hebben partijen in de periode tot 13 november 2015 met elkaar verder gecorrespondeerd over de ontstane situatie en mogelijke oplossingen. Het geding in eerste aanleg 3. BE Vastgoed vorderde in eerste aanleg (samengevat weergegeven): primair: een verklaring voor recht dat ten laste van het perceel [adres 2] , voor wat betreft de steeg vanaf de achterkant van het perceel [adres 1] tot aan de [straatnaam 2] , ten gunste van het perceel [adres 1] door verjaring een recht van erfdienstbaarheid is verkregen die inhoudt: het recht van overpad voor de eigenaar en gebruikers van [adres 1] ; het recht om maximaal twee containers tegen de achtergevel van [adres 1] aanwezig te hebben; het recht om aan de achtergevel van [adres 1] een afdak met maximale afmetingen 2 meter breed en 1 meter diep aanwezig te hebben en het recht om onder het afdak (brom)fietsen of andere zaken aanwezig te hebben, althans een zodanig recht van erfdienstbaarheid als de rechtbank in goede justitie bepaalt; althans subsidiair: een verbod aan CDI c.s. om BE Vastgoed het primair genoemde gebruik van de steeg te beletten, althans zodanig gebruik van de steeg als de rechtbank in goede justitie bepaalt; en daarnaast hoofdelijk veroordeling van CDI c.s. tot betaling aan BE Vastgoed van de buitengerechtelijke kosten ad € 2.775,-, de proceskosten en de nakosten, alles vermeerderd met de wettelijke rente. 4. De rechtbank heeft de primaire vordering gedeeltelijk toegewezen en voor recht verklaard dat ten laste van het perceel van CDI c.s. aan de [adres 2] voor wat betreft de steeg vanaf de achterkant van het perceel van BE Vastgoed aan [adres 1] tot aan de [straatnaam 2] te Amersfoort ten gunste van BE Vastgoed door verjaring een erfdienstbaarheid is verkregen die inhoudt: a. het recht van overpad door de gebruiker van de winkelruimte (eigenaar en personeel) aan [adres 1] ; b. het recht voor de gebruiker van de winkelruimte aan de [adres 1] om maximaal twee containers tegen de achtergevel van het pand aan [adres 1] aanwezig te hebben; c. het recht van de gebruiker van de winkelruimte om onder het aan het pand aan [adres 1] bevestigde afdak een of meerdere (brom)fietsen van de eigenaar of het personeel van de winkel aan [adres 1] aanwezig te hebben. De rechtbank heeft de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten afgewezen en de proceskosten gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hoger beroep Principaal appel 5. BE Vastgoed vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis en algehele toewijzing van haar vordering, met veroordeling van CDI c.s. in de kosten van beide instanties. 6. De grieven van BE Vastgoed houden, samengevat weergegeven, het volgende in. Met grief 1 betoogt BE Vastgoed dat er een erfdienstbaarheid door verkrijgende verjaring is ontstaan. Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen recht van erfdienstbaarheid is ontstaan voor zover dit ziet op het gebruik van de steeg en de poort door de bewoners van het pand [adres 1] . Met grief 3 voert BE Vastgoed aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruik door de kamerbewoners sinds 2015 wezenlijk anders is en hoe dan ook een intensivering betekent van het gebruik. Grief 4 komt op tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten en grief 5 tegen de compensatie van de proceskosten. Incidenteel appel 7. CDI c.s. vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis en afwijzing van de door BE Vastgoed in eerste aanleg ingestelde vorderingen, met veroordeling van BE Vastgoed in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. 8. De grief van CDI c.s. is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat ten laste van het perceel van CDI c.s. door verjaring de hiervoor onder 4. omschreven erfdienstbaarheid is verkregen. CDI c.s. voert hiertegen aan dat van bezit van een dergelijke erfdienstbaarheid nimmer sprake is geweest nu CDI c.s. en haar rechtsvoorgangers het gebruik van de steeg zoals onder 4. omschreven steeds als goede buren hebben gedoogd. 9. Tussen partijen staat vast dat er geen erfdienstbaarheid bij akte is gevestigd. In geschil is of er een erfdienstbaarheid door (verkrijgende of bevrijdende) verjaring is ontstaan en, zo ja, wat de inhoud van die erfdienstbaarheid is. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. 10. Voor het verkrijgen van een erfdienstbaarheid door verjaring is het (ondubbelzinnig) bezit van die erfdienstbaarheid gedurende het verloop van de verjaringstermijn vereist. BE Vastgoed heeft ten aanzien van dit bezit gesteld (par. 4.1.2. memorie van grieven) dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.