← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2019:3537

GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.233.178/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/508681 /HA ZA 16-411 Arrest van 24 december 2019 inzake Koninklijke Philips N.V. gevestigd te Eindhoven, appellante, hierna te noemen: Philips, advocaat: mr. B.J. van den Broek, tegen WIKO SAS gevestigd te Marseille (Frankrijk), geïntimeerde, hierna te noemen: Wiko, advocaat: mr. R.E. Ebbink. 1Het geding 1.1 Bij exploot van 21 december 2017 is Philips in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 18 oktober

  1. Bij memorie van grieven tevens akte houdende wijziging van grondslag van eis en akte houdende overlegging producties (MvG) heeft Philips twintig grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties (MvA) heeft Wiko de grieven bestreden. Mede naar aanleiding van de door partijen gevoerde correspondentie heeft het hof bij tussenarrest van 20 februari 2018 een comparitie van partijen gelast teneinde de verdere procesgang te bespreken. Deze comparitie is gehouden op 18 mei
  2. Daarna hebben partijen nog aktes houdende overlegging producties genomen. 1.2 Ter zitting van 27 mei 2019 hebben partijen de zaak (met uitzondering van het Frand-verweer) doen bepleiten, aan de zijde van Philips door mr. B.J. van den Broek, mr. R. van Kleeff en R.J.F. Grijpink, advocaten te Amsterdam, en aan de zijde van Wiko door mr. Ebbink voornoemd en diens kantoorgenoten, mr. G.D.G.M.G. Béquet en mr. ir. R. Broekstra, advocaten te Amsterdam, bijgestaan door mr. ir. F.A.T. van Looijengoed, octrooigemachtigde, aan beide zijden aan de hand van overgelegde pleitnotities (PA). 1.3 Wiko heeft bij pleidooi bezwaar gemaakt tegen par. 23 PA van Philips, omdat daarin een nieuwe uitleg van het octrooi zou worden gegeven, zodat dit in strijd zou komen met de twee-conclusieregel. Dat bezwaar wijst het hof af. Hetgeen in die paragraaf door Philips is gesteld vloeit direct voort uit en komt – in andere bewoordingen – overeen met hetgeen Philips reeds eerder (par. 46 dagvaarding eerste aanleg, par. 17 t/m 25 pleidooi in eerste aanleg en in het bijzonder ook par. 37 t/m 49 MvG, resp. par. 182 conclusie van antwoord in reconventie in eerste aanleg) heeft aangevoerd, zodat dit geen nieuwe stelling betreft. Het standpunt van Wiko, dat Philips in par. 132 MvG een ander standpunt zou hebben ingenomen, berust op een onjuiste lezing van hetgeen daar is gesteld en wordt verworpen. 1.4 Partijen hebben op 28 mei 2019 in alle tussen partijen aanhangige zaken, waaronder onderhavige zaak en de zaak met rolnummer 200.219.487/01 (hierna: de EP 511-zaak) over het Frand-verweer in die zaken gepleit, onder overlegging van pleitnotities (PA Frand). Afgesproken is dat de op het Frand-verweer betrekking hebbende stellingen en stukken in de EP 511-zaak, tevens geacht moeten worden deel uit te maken van onderhavige zaak. Bij arrest van 2 juli 2019 heeft het hof in de EP 511-zaak (onder meer) op het Frand-verweer beslist (hierna het EP 511-arrest). 1.5 Ten slotte is arrest bepaald. 2De feiten de partijen 2.1 Philips houdt zich bezig met de ontwikkeling en verkoop van producten op diverse terreinen en beschikt over een uitgebreide octrooiportefeuille, waaronder op het terrein van de (draadloze) communicatie. 2.2 Wiko houdt zich (onder meer) bezig met het in Nederland verhandelen van mobiele telefoons die worden geproduceerd door Shenzhen Tinno Mobile Technology Corp. . het octrooi 2.3 Philips is houdster van het Europese octrooi 1 440 525 (hierna: het octrooi of EP 525) met de titel “Radio Communication System”, verleend op 9 mei 2012 op een aanvraag van 15 oktober 2002, met een beroep op prioriteitsdata 19 oktober 2001 en 5 november 2001 van respectievelijk GB 0125175 en GB
  3. Het octrooi kent 15 conclusies, waarvan conclusies 1 t/m 4 betrekking hebben op een ‘radio communication system’, conclusies 5 t/m 9 op een ‘primary station’, conclusies 10 t/m 14 op een ‘secundary station’ en conclusie 15 een ‘method of operating a radio communication system’ betreft. De conclusies luiden in de oorspronkelijke Engelse taal:
  4. A radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from a primary station

(100)to a secondary station
(110)the secondary station having receiving means for receiving a data packet
(202)and acknowledgement means for transmitting a signal to the primary station to indicate the status of a received data packet, which signal is selected from a set of at least two available signal types (204,206) wherein the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type and in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signaled from the primary station to the secondary station.
  1. A system as claimed in claim 1, characterized in that the available signal types include signals indicating positive and negative acknowledgements.
  2. A system as claimed in claim 2, characterized in that the available signal types further include a revert signal indicating a request for retransmission of a packet received before the packet just received.
  3. A system as claimed in claim 3, characterized in that the revert signal is identical to the negative acknowledgement signal but is transmitted at a higher power.
  4. A primary station
(100)for use in a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from the primary station to a secondary station
(110), wherein means are provided for transmitting a data packet to the secondary station and for receiving a signal from the secondary station to indicate the status of a received data packet
(202), which signal is selected from a set of at least two available signal types and is transmitted with a power level selected depending on its type (204,206), and wherein means are provided for signaling to the secondary station an indication on how the power level at which the secondary station transmits each type of signal depends on the type of the signal.
  1. A primary station as claimed in claim 5, characterized in that means are provided for determining the type of the received signal depending on its received power level.
  2. A primary station as claimed in claim 5 or 6, characterized in that the indication comprises an instruction to the secondary station to transmit at least two types of signals at different powers.
  3. A primary station as claimed in claim 5 or 6, characterized in that the indication informs the secondary station of the transmission power that it should use for at least one of the available signal types.
  4. A primary station as claimed in claim 5, 6 or 8, characterized in that the indication informs the secondary station of a required power difference between two different types of signals.
  5. A secondary station
(110)for use in a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from a primary station
(100)to the secondary station, wherein receiving means are provided for receiving a data packet
(202)from the primary station and acknowledgement means are provided for transmitting a signal to the primary station (204, 206) to indicate the status of a received data packet, which signal is selected from a set of at least two available signal types, wherein the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type and in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signaled from the primary station to the secondary station.
  1. A secondary station as claimed in claim 10, characterized in that the signal types include signals indicating positive and negative acknowledgements and in that the acknowledgement means transmits negative acknowledgements at a higher power than positive acknowledgements.
  2. A secondary station as claimed in claim 11, characterized in that the acknowledgement means only transmits negative acknowledgements at a higher power than positive acknowledgements if a time-averaged ratio of positive acknowledgements to negative acknowledgements is greater than a predetermined value.
  3. A secondary station as claimed in claim 10 or 11, characterized in that the available signal types include signals conveying information relating to prevailing radio conditions other that the status of the received data packet.
  4. A secondary station as claimed in claim 10, characterized in that the indication informs of an offset value of the power level at which the signal is transmitted.
  5. A method of operating a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from a primary station
(100)to a secondary station
(110)the method comprising the secondary station receiving a data packet
(202)and transmitting an acknowledgement signal (204,206) to the primary station to indicate the status of a received data packet, which signal is selected from a set of at least two available signal types, the method comprising selecting the power level at which the signal is transmitted depending on its type and in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signaled from the primary station to the secondary station. 2.4 In de onbestreden Nederlandse vertaling luiden deze conclusies: 1. Radiocommunicatiesysteem met een communicatiekanaal voor de overdracht van gegevenspakketten van een primair station
(100)naar een secundair station
(110), waarbij het secundaire station ontvangmiddelen heeft voor het ontvangen van een gegevenspakket
(202)en bevestigingsmiddelen voor het overdragen van een signaal naar het primaire station om de status van een ontvangen gegevenspakket aan te duiden, waarbij het signaal is gekozen uit een reeks van ten minste twee beschikbare signaaltypes (204, 206), waarbij het bevestigingsmiddel is ingericht om het vermogensniveau te kiezen waarbij het signaal wordt overgedragen afhankelijk van zijn type en afhankelijk van een aanduiding van het vermogensniveau waarbij elk type signaal wordt overgedragen, waarbij de aanduiding uit het primaire station naar het secundaire station wordt overgeseind.
  1. Systeem volgens conclusie 1, met het kenmerk, dat de beschikbare signaaltypes signalen omvatten die positieve en negatieve bevestigingen omvatten.
  2. Systeem volgens conclusie 2, met het kenmerk, dat de beschikbare signaaltypes verder een teruggekeerd signaal omvatten dat een vraag aanduidt voor heroverdracht van een pakket ontvangen vóór het pakket dat net werd ontvangen.
  3. Systeem volgens conclusie 3, met het kenmerk, dat het teruggekeerde signaal identiek is aan het negatieve bevestigingssignaal, maar bij een hoger vermogen wordt overgedragen.
  4. Primair station
(100)voor gebruik in een radiocommunicatiesysteem met een communicatiekanaal voor de overdracht van gegevenspakketten uit het primaire station naar een secundair station
(110), waarbij middelen worden voorzien voor het overdragen van een gegevenspakket naar het secundaire station en voor het ontvangen van een signaal uit het secundaire station om de status van een ontvangen gegevenspakket
(202)aan te duiden, waarbij het signaal is gekozen uit een reeks van ten minste twee beschikbare signaaltypes en wordt overgedragen met een vermogensniveau gekozen afhankelijk van zijn type (204, 206), en waarbij middelen worden voorzien voor het overseinen naar het secundaire station van een aanduiding over hoe het vermogensniveau waarbij het secundaire station elk type signaal overdraagt, van het type van het signaal afhangt.
  1. Primair station volgens conclusie 5, met het kenmerk, dat middelen worden voorzien voor het bepalen van het type van het ontvangen signaal afhankelijk van zijn ontvangen vermogensniveau.
  2. Primair station volgens conclusie 5 of 6, met het kenmerk, dat de aanduiding een instructie voor het secundaire station omvat voor het overdragen van ten minste twee types signalen bij verschillende vermogens.
  3. Primair station volgens conclusie 5 of 6, met het kenmerk, dat de aanduiding het secundaire station op de hoogte stelt van het overdrachtsvermogen dat het zou moeten gebruiken voor ten minste één van de beschikbare signaaltypes.
  4. Primair station volgens conclusie 5, 6 of 8, met het kenmerk, dat de aanduiding het secundaire station op de hoogte stelt van een vereist vermogensverschil tussen twee verschillende types signalen.
  5. Secundair station
(110)voor gebruik in een radiocommunicatiesysteem met een communicatiekanaal voor de overdracht van gegevenspakketten uit een primair station
(100)naar het secundaire station, waarbij ontvangstmiddelen worden voorzien voor het ontvangen van een gegevenspakket
(202)uit het primaire station en bevestigingsmiddelen worden voorzien voor het overdragen van een signaal naar het primaire station (204, 206) om de status van een ontvangen gegevenspakket aan te duiden, waarbij het signaal is gekozen uit een reeks van ten minste twee beschikbare signaaltypes, waarbij het bevestigingsmiddel wordt ingericht voor het kiezen van het vermogensniveau waarbij het signaal wordt overgedragen afhankelijk van zijn type en afhankelijk van een aanduiding van het vermogensniveau waarbij elk type signaal wordt overgedragen, waarbij de aanduiding van het primaire station naar het secundaire station wordt overgeseind.
  1. Secundair station volgens conclusie 10, met het kenmerk, dat de signaaltypes signalen omvatten die positieve en negatieve bevestigingen aanduiden en dat het bevestigingsmiddel negatieve bevestigingen bij een hoger vermogen dan positieve bevestigingen overdraagt.
  2. Secundair station volgens conclusie 11, met het kenmerk, dat het bevestigingsmiddel enkel negatieve bevestigingen bij een hoger vermogen dan positieve bevestigingen overdraagt, indien een tijdgemiddelde verhouding van positieve bevestigingen tot negatieve bevestigingen groter is dan een vooraf bepaalde waarde.
  3. Secundair station volgens conclusie 10 of 11, met het kenmerk, dat de beschikbare signaaltypes transportinformatie met betrekking tot geldende radiovoorwaarden verschillend van de status van het ontvangen gegevenspakket omvatten.
  4. Secundair station volgens conclusie 10, met het kenmerk, dat de aanduiding op de hoogte stelt van een offsetwaarde van het vermogensniveau waarbij het signaal wordt overgedragen.
  5. Werkwijze voor het laten werken van een radiocommunicatiesysteem met een communicatiekanaal voor de overdracht van gegevenspakketten uit een primair station
(100)naar een secundair station
(110), waarbij de werkwijze omvat dat het secundaire station een gegevenspakket
(202)ontvangt en een bevestigings-signaal (204, 206) naar het primaire station overdraagt om de status van een ontvangen gegevenspakket aan te duiden, waarbij het signaal is gekozen uit een reeks van ten minste twee beschikbare signaaltypes, waarbij de werkwijze het kiezen omvat van het vermogensniveau waarbij het signaal wordt overgedragen afhankelijk van zijn type en afhankelijk van een aanduiding van het vermogensniveau waarbij elk type signaal wordt overgedragen, waarbij de aanduiding van het primaire station naar het secundaire station wordt overgeseind. . 2.5 Philips heeft twee hulpverzoeken voorgesteld. In het eerste hulpverzoek is aan het slot van conclusie 1 en van conclusies 10 en 15 van EP 525 (in het hulpverzoek omgenummerd naar conclusie 9 respectievelijk 13 omdat verleende conclusies 2 en 14 wegvallen) het volgende kenmerk toegevoegd: “wherein the available signal types are signals indicating positive and negative acknowledgements, and wherein the indication specifies the power level relative to the pilot bits on the uplink dedicated control channel.” Voorts is in conclusie 11 (in het hulpverzoek omgenummerd naar 10) verwezen naar (nieuwe) conclusie 9 en is de zinsnede “the signal types include signals indicating positive and negative cknowledgements and in that” geschrapt. Het tweede hulpverzoek ziet op de (verdere) toevoeging van “UMTS” aan het “radio communication system” in de aanhef van conclusies 1, 10 en 15 (resp. 1, 9 en 13). 2.6 In de beschrijving van EP 525 zijn onder meer de volgende passages opgenomen: Technical Field [0001] The present invention relates to a radio communication system and further relates to primary and secondary stations for use in such a system and to a method of operating such a system. While the present specification describes a system with particular reference to the Universal Mobile Telecommunication System (UMTS), it is to be understood that such techniques are equally applicable to use in other mobile radio systems. Background Art [0002] There is a growing demand in the mobile communication area for a system having the ability to download large blocks of data to a Mobile Station (MS) on demand at a reasonable rate. Such data could for example be web pages from the Internet, possibly including video clips or similar. Typically a particular MS will only require such data intermittently, so fixed bandwidth dedicated links are not appropriate. To meet this requirement in UMTS, a High-Speed Downlink Packet Access (HSDPA) scheme is being developed which may facilitate transfer of packet data to a mobile station at up to 4Mbps. [0003] A conventional component of a packet data transmission system is an ARQ (Automatic Repeat reQuest) process, for handling data packets received in error. For example, consider downlink packet transmission from a Base Station (BS) to a Mobile Station (MS) in HSDPA. When the MS receives a data packet it determines whether the packet has been corrupted, for example using Cyclic Redundancy Check (CRC) information. It then transmits a codeword to the BS, with a first codeword used as an acknowledgement (ACK), to indicate that the packet was successfully received, and a second codeword used as a negative acknowledgement (NACK), to indicate that the packet was received but corrupted. Since packet transmission is typically intermittent, discontinuous transmission (DTX) is normally employed, so that nothing is transmitted by the MS unless a data packet has been received. [0004] A problem with such an ARQ scheme is that the consequences of errors in the ACK and NACK are significantly different. Normally the BS would re-transmit a packet if a NACK were received. If the BS receives a NACK when a ACK was sent, then the packet is re-transmitted anyway, which only wastes a little system resource. If a NACK is sent, but received as a ACK, then no re-transmission is made. Without special physical layer mechanisms, this situation can only be recovered from by using higher layer processes, which adds delay and is a significant waste of system resources. Hence, the cost of an error in a NACK is much more serious than the cost of an error in a ACK. [0005] In order to optimise system performance, it is desirable to control the relative probabilities of errors in decoding ACKs and NACKs. In one UMTS embodiment this is done by setting different detection thresholds at the BS, which requires the MS to transmit the ACK/NACK codeword with a specific power level (e.g. relative to uplink pilot power). This power level and the detection threshold can therefore be chosen to balance costs of ACK/NACK errors, interference generated by the MS, and battery power used by the MS. With DTX, the situation is a little more complex. However, the BS, as the source of the packet, is aware of when a ACK/NACK should be sent by the MS and it should therefore not normally be necessary to specifically detect the DTX state. [0006] In our co-pending German patent application DE10132577 a physical layer mechanism for recovering from the case where the BS misinterprets a NACK as an ACK is disclosed. This mechanism makes use of an additional codeword, REVERT, which informs the BS that the MS has received a transmission of a new packet when it was expecting retransmission of the previous packet. In a variation on this scheme two REVERT codewords are used, to provide in addition a NACK or an ACK in respect of the new packet. [0007] US 4888767 discloses a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from a primary station to a secondary station, the secondary station having receiving means for receiving a data packet and acknowledgement means for transmitting a signal to the primary station to indicate the status of a received data packet. In more details, the secondary station transmits a repeat request signal to indicate that the status of the data packet is erroneous, and does not transmit a signal if the status of the data packet is correct. [0008] US 5517507 discloses subject matter similar to US 4888767. In more details, a NACK/ACK signal is transmitted, a NACK signal being represented by an energy burst and an ACK signal being no burst (which is equivalent, according to the examiner, to the transmission of a signal having a power level of zero). Disclosure of Invention [0009] An object of the present invention is to improve the efficiency of a packet data transmission system. [0010] According to a first aspect of the present invention there is provided a radio communication system having a communication channel for the transmission of data packets from a primary station to a secondary station, the secondary station having receiving means for receiving a data packet and acknowledgement means for transmitting a signal to the primary station to indicate the status of a received data packet, which signal is selected from a set of at least two available signal types, wherein the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type. [0011] By transmitting different acknowledgement signals at different power levels, the probability of the primary station correctly interpreting signals of different types can be manipulated to improve total system throughput and capacity. In one embodiment negative acknowledgements are transmitted at a higher power level than positive acknowledgements to increase the probability of the primary station retransmitting a data packet when necessary. In another embodiment an additional revert signal type is provided, which requests the primary station to retransmit a data packet initially transmitted prior to the current data packet and which was not correctly received. The revert signal may be identical to the negative acknowledgement signal but transmitted at a higher power level. (…) [0023] It is likely for most applications that DTX would be applied for most of the time, given the typically intermittent nature of packet data transmission. In addition, for a well configured system, NACKs 204 should be sent significantly less often than ACKs 206. Hence, in a system made in accordance with the present invention a NACK 204 is transmitted at a higher power level than an ACK 206. This power offset is advantageous because it reduces the error probability for the NACK 204 without increasing the power transmitted for the ACK 206. It is particularly advantageous if the probability of a MS 110 missing a packet is very small, so there is no need to consider optimum setting of BS detection thresholds to differentiate NACK from DTX. Hence, any given error performance targets could be achieved with minimum average power transmitted by the-MS 110. [0024] It will be recognised that if a MS 110 is transmitting more NACKs 204 than ACKs 206, this proposed strategy would result in an increase in average uplink interference rather than the desired decrease. Therefore, in one embodiment of the present invention, the MS 110 is forbidden from applying the power offset unless it has previously positively acknowledged more than a certain proportion of packets (e.g. 50%). This prevents the power offset from causing an undue increase in uplink interference in poor downlink channel conditions. [0025] In another embodiment of the present invention, the relative power levels of ACKs 206 and NACKs 204 are modified depending on the proportion of ACKs and NACKs sent. For example, this adaptation could be controlled by a time-weighted average of the proportion of ACKs 206 sent. The detection threshold at the BS 100 could adapted in a similar way based on the proportion of ACKs 206 received. It is apparent that such processes would converge, even in the presence of errors. [0026] In another embodiment of the present invention, instead of being predetermined the ACK/NACK power offset (or maximum offset) could be signalled by the BS 100 depending on the type of service being conveyed to the MS 110 via the data packets 202. For example, in a real-time streaming service with strict timing constraints, a packet which is lost due to a wrongly-detected NACK 204 may simply be ignored by the application if there were not enough time even for a physical layer retransmission. However, for a data service where correct receipt of packets was essential, an ACK/NACK power offset could be signalled. The offset might also be useful in streaming services with slightly less strict timing requirements, where there was insufficient time for a higher-layer retransmission, but a NACK power offset would increase the chance of an erroneous packet being rectified by means of fast physical layer retransmission. It would therefore be beneficial to allow a different offset value to be signalled for each downlink transport channel. [0027] This approach can be further developed by assigning different offset values to the ACK/NACKs for different packets of the same transport channel. For example, in an MPEG stream it is very important to receive the I-frames correctly to avoid errors in subsequent frames. An ACK/NACK power offset could therefore be applied for acknowledgement of packets containing I-frame data while a smaller (or zero) offset is applied for acknowledgement of other packets. Some special signalling could be required, such as a physical layer tag or a particular sequence number on the packets 202, to indicate which packets contained the I-frame data. [0028] In a further development of this approach, other information, such as channel quality, could be signalled by the use of different codewords in the data field reserved for ACK/NACK messages, as disclosed in our co-pending International patent application WO 02067618 (applicant's reference PHGB 010069). In general it is likely that there are different costs of errors in detecting the different information possibilities. Therefore, there could be different power levels applied to the transmission of different subsets of codewords. Furthermore, this approach could be combined with design of the codeword distances to reach specified performance targets. As an example, if NACK is 0000, then ACK might be 1110, and sending ACK together with an indication of high channel quality might be 1111. [0029] In one preferred embodiment, particularly suitable for UMTS HSDPA, the ACK/NACK power offset used by the MS 110, as well as the ACK power level would be determined by higher layer signalling from the network. Alternatively, the offset could be signalled using a single information bit, signifying "no offset" (i.e. equal transmit power for ACK 206 and NACK 204) or "use offset", signifying the use of a pre-determined value of power offset. More signalling bits could be used to indicate a larger range of values of offset. [0030] The BS 100 (knowing the power levels used by the MS 110) would use a detection threshold adjusted to optimise system performance (although the BS 100 would not necessarily have to know the power levels used by the MS 110, as a "neutral" threshold could be set based on the received uplink pilot information). An optimised threshold could be set by the Radio Network Controller (RNC) or other means. (…) [0036] In embodiments of the present invention, the power level for the ACK/NACK/ REVERT codewords can be sent to the MS 110 by higher layer signalling. Some possibilities are: • the power level for the REVERT could be implied by the power for the ACK/NACK (i.e. fixed offset); • the power level for REVERT could be signalled explicitly; and • the power levels for ACK, NACK and REVERT could be signalled as independent parameters. (…) [0038] The selected power levels could be tailored to achieve desired error probabilities for each of the signals. (…). [0040] In the second embodiment, DTX and NACK sent with same (zero) - power, while REVERT sent as a different codeword to ACK but with the same power. (…) [0048] In general, the power levels at which the ACK/NACK and/or REVERT commands are transmitted may be adjusted in order to achieve a required level of reliability. These power levels could be controlled by messages sent from the BS 100 to the MS 110. These could specify the power level relative to the pilot bits on the uplink dedicated control channel, or relative to the current power level for the channel quality metric. In the case of the dedicated control channels of one MS 110 being in soft handover with more than one BS 100 the power of the uplink dedicated control channel is not likely to be optimal for all the BSs 100 involved. Therefore, a different power level, preferably higher, may be used for sending the ACK/NACK and/or REVERT commands. This power difference could be fixed, or determined by a message from a BS 100. When the transmission of ACK/NACK and/or REVERT is directed to a particular BS 100, the power level may be further modified to take into account the quality of the radio channel for that transmission. For example, if the best radio link from the active set is being used, the power level may be lower than otherwise. (…) 2.7 Bij EP 525 hoort onder meer de navolgende figuur: Technische achtergrond / stand van de techniek vermogensbesturing 2.8 De uitvinding volgens het octrooi ligt op het gebied van de communicatie tussen basisstations en mobiele stations in een draadloos (mobiel) telecommunicatienetwerk. Een basisstation kan communiceren met verschillende mobiele stations, wanneer deze zich binnen het bereik van het basisstation bevinden. Het basisstation verbindt de mobiele stations met een achterliggend netwerk, zoals bijv. het vaste telefoonnet of het internet. 2.9 In een CDMA (Code Division Multiple Access)-systeem worden de signalen van verschillende mobiele stations op dezelfde frequentie verzonden en worden deze gescheiden door middel van ‘spreading codes’. Daardoor kunnen verschillende mobiele stations in eenzelfde frequentieband tegelijkertijd signalen naar en van een basisstation zenden en ontvangen. De tijdsduur waarbinnen de datablokken worden verzonden wordt aangeduid als ‘frame’ of ‘dataframe’. Een frame is opgedeeld in kleinere tijdseenheden, aangeduid als ‘slots’. 2.10 Een signaal van een mobiel station dat zich verder van het basisstation bevindt zal meer vermogen verliezen op weg naar het basisstation dan een signaal van een ander mobiel station dat zich dichter bij het basisstation bevindt. Indien de signalen door beide mobiele stations met hetzelfde vermogen zouden worden verzonden zou het verschil in afstand daarom tot gevolg hebben dat het signaal van het ene verderaf bevindende mobiele station zwakker is bij ontvangst door het basisstation dan dat van het andere. Het gevaar bestaat dat interferentie optreedt; het signaal van het ene verderaf bevindende mobiele station zal worden ‘overschreeuwd’ door dat van het andere mobiele station.. 2.11 Om dit te voorkomen, is het van belang om ervoor te zorgen dat de signalen van de verschillende mobiele stations met vergelijkbare sterkte bij het basisstation binnenkomen. De sterkte van het door het basisstation ontvangen signaal van een mobiel station varieert door fluctuaties van de kanaalkwaliteit, bijvoorbeeld door verandering van de afstand of het verschijnen / verdwijnen van obstakels op het transmissiepad. Teneinde toch steeds een evenwicht in signaalsterkte te bereiken wordt het transmissievermogen (ook aangeduid als zendvermogen) van de verschillende mobiele stations zodanig bestuurd dat deze bij ontvangst door het basisstation zo constant mogelijk blijven. Daartoe wordt in het op de prioriteitsdatum bekende ‘conventionele vermogensbesturingsschema’ het transmissievermogen waarmee de data door het mobiele station naar het basisstation worden gezonden verhoogd als de kanaalkwaliteit verslechtert, en wordt het transmissievermogen verlaagd als de kanaalkwaliteit verbetert. 2.12 In het conventionele vermogensbesturingsschema vindt de vermogensbesturing van de signalen van het mobiele station aan het basisstation in het algemeen plaats in een gesloten lus (‘closed loop’) en wordt dan ook wel aangeduid als ‘closed loop power control scheme’. Het basisstation meet hierbij de zgn. ‘signal-to-interference ratio’ (SIR, ook wel aangeduid als ‘signal to noise ratio’ SNR) van het door het mobiele station verzonden ‘pilot signal’ en vergelijkt het basisstation het resultaat hiervan met een bepaalde drempelwaarde (‘target SIR’). Indien de gemeten waarde lager is dan de drempelwaarde, instrueert het basisstation het mobiele station om het transmissievermogen te verhogen; indien de gemeten waarde hoger is dan de drempelwaarde, instrueert het basisstation het mobiele station om het transmissievermogen te verlagen. De instructie die het basisstation aan het mobiele station verzendt, en door het mobiele station wordt opgevolgd, worden aangeduid met de term ‘power control command’ (in UMTS als TPC (Transmit Power Control) commando en in de 3GPP2-standaard als ‘power control bit’). Dit proces vindt plaats in ieder slot. UMTS-standaard 2.13 UMTS (‘Universal Mobile Telecommunications System’) is een draadloos telecommunicatiesysteem. De UMTS-standaard wordt met name in Europa toegepast en wordt gepubliceerd door de standaardisatie organisatie 3GPP. UMTS maakt gebruik van CDMA-techniek. De standaard bestaat uit verschillende specificaties, waaronder TS 125 214 v6.11.0 (2006-12) dat de noodzakelijke vereisten met betrekking tot de ‘transmission power’ beschrijft (TS 125 214). Tot de UMTS-standaard behoren ook de technische specificatie TS 25.214 V3.2.0 (2000-03) (hierna: TS 25.214) en het technisch rapport van de 3GPP HSDPA norm, TR 25.855 V1.1.0_draft (2001-07) (TR 25.855). Deze laatste ziet op de HSDPA-functionaliteit bij de UMTS-standaard. 2.14 In de UMTS-standaard wordt communicatie van het basisstation (BS, in de UMTS-standaard aangeduid als ‘Node B’, in het octrooi aangeduid als ‘primair station’, 100 in figuur 1) naar het mobiele station (MS, in de UMTS standaard aangeduid als ‘user equipment’ of ‘UE’, in het octrooi aangeduid als ‘secundair station’, 110 in figuur 1) aangeduid als communicatie in de downlink richting (122 in figuur 1). Communicatie van het mobiele station naar het basisstation wordt aangeduid als communicatie in de uplink richting (124 in figuur 1). 2.15 In zowel de uplink- als de downlink-richting van het UMTS-systeem worden meerdere soorten gegevens verstuurd. Naast de gebruikersgegevens (zoals spraak-, beeld-, of videogegevens) verzendt en ontvangt het mobiele station ook besturingsgegevens of control information (met betrekking tot de communicatieverbinding zelf). Gebruikersgegevens en besturingsgegevens kunnen over verschillende kanalen worden verstuurd; besturingsgegevens via besturingskanalen (‘control channels’) en gebruikersgegevens via gegevenskanalen (‘data channels’). Te verzenden data worden doorgaans opgedeeld in datapakketten. 2.16 Teneinde grotere hoeveelheden data (zoals internetpagina’s e.d.) in mobiele communicatienetwerken te kunnen verzenden, met name in de downlink-richting, is in 2002 het zogenoemde HSDPA (‘High Speed Downlink Packet Access’)-protocol geïntroduceerd als onderdeel van de UMTS-technologie. Daarvan maken de volgende kanalen deel uit: - HS-PDSCH: het ‘High Speed Physical Downlink Shared Channel’; een downlink-kanaal waarop door het basisstation gebruikersgegevens in de vorm van datapakketten worden verzonden aan de mobiele stations; - HS-SCCH: het ‘High Speed Shared Control Channel’; een downlink-besturingskanaal (control channel). Op dit kanaal kondigt het basisstation aan de mobiele stations de verzending aan van datapakketten met gebruikersgegevens op de HS-PDSCH en verschaft het de informatie die nodig is om de datapakketten te decoderen; - HS-DPCCH: het ‘High Speed Dedicated Physical Control Channel’; het enige uplink-kanaal binnen het HSDPA-protocol. Dit kanaal wordt door de mobiele stations onder meer gebruikt om bevestigingssignalen (ACK- en NACK-signalen) te versturen aan het basisstation en om feedback te geven met betrekking tot de kwaliteit van het kanaal. 2.17 Aangezien een verzonden signaal tijdens transmissie verandering kan ondergaan, bijvoorbeeld door interferentie met andere mobiele stations of door obstructies op het transmissiepad (tunnels, hoge gebouwen e.d.), zal het ontvangen signaal moeten worden geïnterpreteerd. Daarbij kunnen fouten optreden. Ten behoeve van het opsporen en elimineren van fouten in de gebruikersgegevens bevatten de datapakketten additionele bits die het mobiele station in staat stellen om direct na ontvangst van het datapakket fouten te detecteren. Dit kan worden gedaan door middel van een zgn. ‘Cycle Redundancy Check’ of ‘CRC’. Op basis hiervan is het mobiele station in staat om vast te stellen of het datapakket goed of met fouten is ontvangen en kan het aan het basisstation (in de uplink-richting) vervolgens een positief of negatief bevestigingssignaal verzenden. 2.18 Als het pakket goed is ontvangen, dan stuurt het mobiele station aan het basisstation een positief bevestigingssignaal, een ACK-signaal (‘Acknowledgement’). Na ontvangst daarvan stuurt het basisstation het volgende datapakket. Indien het pakket onherstelbaar beschadigd (‘corrupted’) is ontvangen, dan stuurt het mobiele station aan het basisstation een negatief bevestigingssignaal, een NACK-signaal (‘Negative Acknowledgement’). Dan stuurt het basisstation het datapakket opnieuw. Dit proces wordt ook wel aangeduid met de term ‘ARQ’ (‘Automatic Repeat reQuest’). 2.19 Het is mogelijk dat het basisstation een bevestigingssignaal verkeerd interpreteert. Wanneer het mobiele station een ACK-signaal aan het basisstation verzendt (ter bevestiging van de goede ontvangst van het datapakket) en het basisstation interpreteert dit signaal als een NACK-signaal, dan zal het basisstation het betreffende datapakket ten onrechte opnieuw aan het mobiele station verzenden. Dat resulteert in onnodig gebruik van systeem capaciteit. Wanneer het basisstation een door het mobiele station verzonden NACK-signaal interpreteert als een ACK-signaal, neemt het basisstation ten onrechte aan dat een foutloze ontvangst van het datapakket heeft plaatsgevonden en zal het zonder aanvullende maatregelen geen vervangend datapakket aan het mobiele station verzenden (hoewel het door het mobiele station ontvangen datapakket dus in werkelijkheid ‘corrupted’ was). Dan moet gebruik worden gemaakt van hogere niveaus in de infrastructuur van het systeem (‘higher layer’) om deze informatie alsnog te verzenden, wat vertraging veroorzaakt en aanzienlijk meer systeemcapaciteit vergt dan het direct opnieuw verzenden van een datapakket als het basisstation een ACK-signaal onjuist interpreteert als een NACK-signaal.. Op de prioriteitsdatum werden de gevolgen van een onjuiste interpretatie van een NACK-signaal (hierna ook wel ‘false ACK’) derhalve als problematischer beschouwd dan die van een onjuiste interpretatie van een ACK-signaal (hierna ook wel ‘false NACK’). 2.20 Door veranderingen die (het voltage van) een signaal tijdens transmissie ondergaat (zie r.o. 2.17 hiervoor) worden de ACK- en NACK-signalen met een ander vermogen ontvangen dan waarmee ze waren verzonden en moet het basisstation ontvangen signalen interpreteren. Zoals beschreven in par. 5 van de beschrijving van EP 525 werd in de stand van de techniek gebruik gemaakt van een in het basisstation ingestelde drempelwaarde (‘decision threshold’, in de hieronder afgebeelde figuur aangeduid met ‘z’) om de kans op foutieve interpretatie van ACK- en NACK-signalen te beïnvloeden. Indien het voltage van het ontvangen signaal onder drempelwaarde “z” ligt (in het rood gekleurde NACK gebied), dan interpreteert het basisstation dit signaal als een NACK; ligt het voltage boven de drempelwaarde (in het geel gekleurde ACK gebied), dan interpreteert het basisstation het signaal als een ACK. 2.21 Omdat de gevolgen van een false ACK als ernstiger werden beschouwd dan de gevolgen van een false NACK, werd in systemen uit de stand van de techniek de maximaal toelaatbare kans op een false ACK (aangeduid met PfACK) lager gesteld (bijv. op 10-5) dan de maximaal toelaatbare kans op een false NACK (aangeduid met PfNACK) (bijv. op 10-2). Die verschillende foutkansen kunnen worden gerealiseerd door de drempelwaarde te positioneren in de richting van het ACK-signaal (‘biased’ instelling), zoals hierna getoond. 2.22 Het gevolg hiervan is dat het (rood gekleurde) NACK gebied wordt vergroot, waardoor meer ontvangen signalen worden aangemerkt als een NACK en de kans op een false ACK vermindert. Anderzijds wordt door de verschuiving van de drempelwaarde in de richting van ACK, het (geel gekleurde) ACK gebied kleiner, waardoor minder ontvangen signalen worden aangemerkt als een ACK en de kans op een false NACK hoger wordt. De kans op een false ACK of false NACK wordt ook wel aangeduid als ‘error probability’ of ‘foutkans’. Een en ander kan ook als volgt worden geïllustreerd: CDMA2000 standaard 2.23 CDMA2000 is een telecommunicatiesysteem dat met name in Amerika en delen van Azië en Afrika wordt toegepast. De CDMA2000-standaard bestaat uit verschillende deel-standaards (waaronder C.S0001 t/m C.S0006), die zijn ontwikkeld en gepubliceerd door de standaardisatie organisatie 3GPP2. Een kort voor de prioritietsdatum vastgestelde additionele standaard, ter verbetering van de functionaliteit van CDMA2000 betrof de “cdma2000 High Rate Packet Data Air Interface Specification”, 3GPP2 C.S0024, versie 2.0 van 27 oktober 2000 (hierna: de EV-DO Standaard). 2.24 Volgens de CDMA2000-standaard vindt communicatie van het mobiele station naar het basisstation (aangeduid als ‘reverse link’) plaats over het Reverse CDMA Channel. Communicatie door het basisstation aan een mobiel station wordt in de 3GPP2-standaard aangeduid als ‘forward link’ en vindt plaats over het Forward CDMA Channel. In de CDMA2000-standaard wordt ook gebruik gemaakt van de ARQ-procedure (zie r.o. 2.18). ACK- en NACK-signalen worden verstuurd over het ACK-kanaal. Voor de besturing daarvan wordt gebruik gemaakt van closed loop power control (zie hierboven r.o. 2.12). Dat gebeurt doordat het relatieve vermogen daarvan (ten opzichte van het pilotkanaal) wordt bepaald door de ACKChannelGain (de offset waarde) die door het basisstation aan het mobiele station wordt gezonden. overige aangevoerde stand van de techniek 2.25 Op de prioriteitsdatum behoorden de volgende handboeken tot de stand van de techniek: - Digital Communications, John G. Proakis, 4th edition 2000 (Proakis) - Signal Detection & Estimation, M. Barkat, 1991 (Barkat) - Detection, Estimation, and Modulation Theory Part I, Harry L. van Trees, 2001 (Van Trees) 2.26 Tot de stand van de techniek op de prioriteitsdatum van het octrooi behoorden ook de volgende documenten: 2.26.1 Een bijdrage van Motorola ten behoeve van een 3GPP2 werkgroepbijeenkomst op 9 juli 2001, met de titel “Optimal Antipodal Signaling” (Shad); 2.26.2 Een slide (nummer 39) uit een presentatie gehouden door de heren Shad en Derryberry kort voorafgaand aan Shad, met als opschrift “Unequal Gain Signalling for H-ARQ ACKs” (Shad Derryberry); 2.26.3 US 5 918 174, gepubliceerd op 29 juni 1999 (US 174); 2.26.4 De PCT-aanvrage WO 01/80477 A1, aangevraagd op 13 april 2001 onder inroeping van prioriteit van 14 april 2000 en gepubliceerd op 25 oktober 2001 (WO 477). Dit document behoort tot de fictieve stand van de techniek (art. 54 lid 3 Europees Octrooiverdrag); 2.26.5 De PCT-aanvrage WO 01/78252 A1, gepubliceerd 18 oktober 2001 (WO 252); 2.26.6 Een bijdrage van Motorola voor de 3GPP-vergadering van de TSG-RAN Working Group 1 en 2 Adhoc (genummerd TSGR1/R2-12A010021) op 5-6 april 2001 in Sophia Antipolis, Frankrijk, met de titel “Control Channel Structure for High Speed DSCH (HS-DSCH)” (Motorola 021); en 2.26.7 Een ander HSDPA-standaardisatievoorstel van Motorola aan de TSG-RAN Working Group 1 #21 (genummerd R1-01-0744) op 26-28 juni, 2001 in Korpilampi, Finland, met de titel “ACK/NACK Control Channel Reliability for High Speed Downlink Packet Access (HSDPA)” (Motorola 744). achtergrond van het geschil 2.27 Philips heeft (onder meer) EP 525 en twee andere octrooien (EP 1 623 511 (EP 511) en EP 1 685 659 (EP 659) waarover eveneens procedures tussen partijen aanhangig zijn of waren), aangemeld als essentieel voor (het HSDPA/HSUPA-protocol van) de UMTS-standaard (ook wel aangeduid met 3.5G of 3G+) en voor de LTE (Long-Term Evolution)-standaard (4G) voor mobiele communicatie. Philips heeft zich er schriftelijk toe verbonden deze octrooien op eerlijke, redelijke en niet-discriminerende (FRAND) voorwaarden in licentie te geven, overeenkomstig ETSI’s IPR Policy. 2.28 Bij brief van 13 oktober 2014 heeft Philips haar UMTS- en LTE-octrooiportfolio en licentieprogramma bij Wiko onder de aandacht gebracht, zich daarbij op het standpunt stellend dat Wiko diverse mobiele communicatie-apparaten fabriceert of verhandelt die inbreuk maken op één of meer van haar UMTS/LTE-octrooien. Een licentieovereenkomst is niet tot stand gekomen. 2.29 Philips heeft ook in Duitsland en Frankrijk inbreukprocedures tegen (groepsmaatschappijen van) Wiko aanhangig gemaakt, ook op basis van andere octrooien. In Engeland heeft Philips ter zake van inbreuk op EP 525 een procedure aanhangig gemaakt tegen diverse Asus- en HTC-vennootschappen. In die procedure is op 23 mei 2018 uitspraak gedaan door de High Court. De Engelse rechter achtte EP 525 nieuw en inventief in het licht van Motorola 021 en Shad. In Duitsland heeft het Bundespatentgericht op 25 maart 2019 geoordeeld dat EP 525 niet geldig is wegens gebrek aan inventiviteit gelet op Shad en de CDMA2000-standaard. In Nederland is een parallelle procedure aanhangig tussen Philips en Asus. Daarin wordt eveneens heden arrest gewezen. 3Het geschil in eerste aanleg en in hoger beroep 3.1 In eerste aanleg vorderde Philips, kort weergegeven, een inbreukverbod (ook provisioneel), een verklaring voor recht dat de producten van Wiko onder de beschermingsomvang van EP 525 vallen, opgave van afnemers, recall, vernietiging van voorraad en promotiemateriaal, opgave van behaalde winst, een en ander op straffe van een dwangsom, schadevergoeding en/of winstafdracht en veroordeling van Wiko in de volgens artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te begroten proceskosten, alles voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad verklaring. 3.2 Philips legde aan haar vorderingen samengevat ten grondslag dat Wiko, door het in Nederland aanbieden van mobiele telefoons, smartphones en tablets die voldoen aan het HSDPA-protocol van de UMTS-standaard, inbreuk maakt op de conclusies 10, 11 en 14 en indirecte inbreuk op conclusies 1, 2 en 15 van EP 525, subsidiair op (vernummerde) conclusies 1, 9, 10, en 13 volgens de hulpverzoeken, nu die conclusies in dat protocol van de UMTS-standaard worden toegepast. 3.3 Wiko heeft de inbreuk bestreden. In reconventie heeft Wiko gevorderd dat EP 525, althans de door Philips ingeroepen conclusies daarvan, wordt vernietigd, alles met veroordeling van Philips in de proceskosten volgens 1019h Rv, uitvoerbaar bij voorraad. 3.4 De rechtbank heeft de vorderingen van Philips in conventie afgewezen en in reconventie het Nederlandse deel van EP 525 vernietigd, met veroordeling van Philips in de proceskosten ex artikel 1019h Rv (in conventie en reconventie). De rechtbank oordeelde dat de uitvinding volgens EP 525, uitgaande van de EV-DO Standaard in combinatie met Shad en algemene vakkennis, voor de hand lag. 3.5 Philips komt in beroep van deze beslissingen van de rechtbank en vordert vernietiging van het vonnis en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar vorderingen alsnog toe te wijzen en de vorderingen van Wiko alsnog af te wijzen, met veroordeling van Wiko in de kosten van beide instanties overeenkomstig artikel 1019h Rv. Zij stelt in hoger beroep dat Wiko tevens indirecte inbreuk maakt op conclusies 5, 7 en 9 van het octrooi, die betrekking hebben op een basisstation en overeenkomen met de op een mobiel station betrekking hebbende conclusies 10, 11 en 14. 3.6 Wiko heeft de gestelde inbreuk en de geldigheid van de door Philips ingeroepen conclusies (ook die volgens het eerste en tweede hulpverzoek) bestreden. Daartoe heeft zij, voor zover van belang, aangevoerd dat (
  1. i)de conclusies van EP 525 niet nieuw en/of niet inventief zijn in het licht van: (
  2. a)algemene vakkennis, kenbaar uit de handboeken van Proakis, Barkat en Van Trees, (
  3. b)Shad; (
  4. c)de EV-DO standaard in combinatie met algemene vakkennis en/of Shad of Shad Derryberry; (
  5. d)TR 25.855 in combinatie met algemene vakkennis en/of Shad of Shad Derryberry; (
  6. e)Motorola 744; (
  7. f)Motorola 021 in samenhang met TS 25.214 (
  8. g)WO 252; (
  9. h)US 174; (
  10. i)WO 477. (
  11. ii)de conclusies toegevoegde materie bevatten. 3.7 Wiko heeft voorts een Frand-verweer gevoerd, inhoudende dat Philips geen recht heeft op een inbreukverbod, ook als wel inbreuk zou worden gemaakt op een geldig octrooi, omdat Philips EP 525 heeft aangemeld als standaard-essentieel voor de UMTS-standaard en zij de daaraan verbonden contractuele en mededingingsrechtelijke verplichtingen niet is nagekomen. 4De beoordeling gemiddelde vakman 4.1 Er is geen wezenlijk verschil van mening over de voor het onderhavige octrooigeschil relevante gemiddelde vakman. Hij kan worden omschreven als een elektrotechnisch ingenieur op het gebied van telecommunicatie die kennis heeft op het gebied van het draadloze deel van een telecommunicatienetwerk en de wijze van communicatie tussen een basisstation en een mobiele telefoon. De op de prioriteitsdatum gepubliceerde op draadloze telecommunicatienetwerken betrekking hebbende standaarden waaronder de UMTS- en CDMA2000-standaarden behoren tot zijn algemene vakkennis. Of de EV-DO standaard tot de algemene vakkennis behoorde, zoals Wiko stelt, maar Philips heeft bestreden, kan gelet op hetgeen hierna wordt overwogen in het midden blijven. EP 525 4.2 Partijen verschillen van mening over de uitleg van conclusie 10 en (daarmee) de beschermingsomvang van die conclusie. Het gaat daarbij meer in het bijzonder om de betekenis van het deelkenmerk dat ‘het signaal wordt overgedragen afhankelijk van zijn type en afhankelijk van een aanduiding van het vermogensniveau waarbij elk signaal wordt overgedragen, waarbij de aanduiding van het primaire station naar het secundaire station wordt overgeseind’. De beschermingsomvang van een octrooi wordt bepaald door de conclusies, waarbij de beschrijving en de tekeningen dienen tot uitleg daarvan. In onder meer zijn arrest van 4 april 2014 inzake Abbott / Medinol (ECLI:NL:HR:2014:816) heeft de HR in het kader van deze uitlegregel, voor zover hier van belang, onder meer overwogen dat de achter de bewoordingen van de conclusies liggende uitvindingsgedachte dient als een gezichtspunt, tegenover de letterlijke tekst van de conclusies, hetgeen met zich brengt dat tot een uitleg kan worden gekomen die beperkter is dan waartoe de letterlijke tekst van de conclusies ruimte laat. Philips heeft zich met name beroepen op het inzicht dat de uitvinders van EP 525 hebben gehad, en daarmee op de uitvindingsgedachte. Wiko heeft er op gewezen dat de conclusies ook uitvoeringsvormen dekken waarin dat door Philips gestelde inzicht niet wordt toegepast. Zij heeft daarbij onder meer verwezen naar Shad (zie rov. 2.26.1 hiervoor). Dat alles in aanmerking genomen overweegt het hof omtrent de uitleg van EP 525 als volgt. 4.3 Volgens par. 9 van de beschrijving van EP 525 is het doel van de geoctrooieerde uitvinding om de efficiëntie van de transmissie van datapakketten te verbeteren (“to improve the efficiency of a packet data transmission system”). Daarbij richt het octrooi zich vooral op de overdracht van bevestigingssignalen van de goede of foute ontvangst van datapakketten, zoals ACK- en NACK-signalen. De beoogde verbetering van de efficiëntie wordt volgens de uitvinding van EP 525 bereikt doordat het mobiele station in staat is om het vermogensniveau van het te verzenden bevestigingssignaal (zoals een ACK- of NACK-signaal) te selecteren op basis van het signaaltype (ACK of NACK). In par. 10 van de beschrijving (onder het kopje ‘Disclosure of Invention’) is dat als volgt verwoord: “According to a first aspect of the invention (…) the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type.” In par. 11 van de beschrijving is het effect daarvan als volgt beschreven: “By transmitting different acknowledgement signals at different power levels, the probability of the primary station correctly interpreting signals of different types can be manipulated to improve total system throughput and capacity.” 4.4 In een in par. 11 van het octrooischrift beschreven uitvoeringsvorm worden NACK-signalen met een hoger vermogen verstuurd dan ACK-signalen, teneinde de kans dat het basisstation, indien nodig, een datapakket opnieuw verstuurt, te verhogen. In par. 23 van de beschrijving (onder het kopje ‘Modes for Carrying Out the Invention’) is verduidelijkt dat dit niet gepaard gaat met een verhoging van het vermogen waarmee een ACK-signaal wordt verzonden: “Hence, in a system made in accordance with the present invention a NACK 204 is transmitted at a higher power level than an ACK 206. This power offset is advantageous because it reduces the error probability for the NACK 204 without increasing the power transmitted for the ACK 206.”. Daaruit zal de gemiddelde vakman begrijpen dat de zendvermogens van ACK- en NACK-signalen niet alleen verschillend kunnen zijn, maar ook afzonderlijk – onafhankelijk van elkaar – kunnen worden gevarieerd en dat daarmee de kans op een (on)juiste interpretatie van het desbetreffende signaal kan worden beïnvloed. Anders dan bij systemen volgens de stand van de techniek, gaat vergroting van het gebied waarbinnen signalen als een NACK bericht worden geïnterpreteerd, dus niet gepaard met verkleining van het ACK gebied (vgl. de in r.o. 2.21 weergegeven figuur). Dat kan als volgt worden weergegeven: 4.5 De door het octrooi nagestreefde verbetering van de efficiëntie wordt verder bereikt doordat het zendvermogen per type signaal niet vooraf is vastgelegd, maar afhankelijk is van een door het basisstation overgeseinde indicatie van het zendvermogen voor elk signaaltype. In par. 13 (onder het kopje ‘Disclosure of Invention’) is dat als volgt verwoord: “According to a third aspect of the invention there is provided a primary station (…) wherein means are provided for signalling to the secondary station an indication of how the power level at which the secondary station transmits the signal depends on the type of the signal.”. Die maatregel maakt het mogelijk dat het zendvermogen niet alleen per type signaal afzonderlijk kan worden geselecteerd, maar dat die vermogensniveaus bovendien ook variabel (afhankelijk van de omstandigheden) kunnen zijn, doordat deze niet vooraf zijn vastgesteld maar door het basisstation worden overgeseind. Daaraan ligt het inzicht ten grondslag dat een false ACK niet onder alle omstandigheden problematischer is dan een false NACK, waar in de stand van de techniek nog van werd uitgegaan. In par. 26 van de beschrijving wordt als voorbeeld genoemd dat er bij ‘real time streaming service’ onvoldoende tijd is voor het opnieuw verzenden van een ‘corrupted’ontvangen datapakket, zodat een hoger zendvermogen van een NACK-bericht om een false ACK te voorkomen daarbij weinig zinvol is. Het in dergelijke gevallen juist wel achterwege laten van een verschillend zendvermogen (volgens de stand van de techniek NACK hoger dan ACK) draagt bij aan systeemefficiëntie. Voor verzending van andersoortige data is goede ontvangst daarentegen wel essentieel en wegen de voordelen van verhoging van het zendvermogen van een NACK-signaal wel op tegen het nadeel van de ermee gepaard gaande verhoogde interferentie en energieverbruik. 4.6 In de beschreven uitvoeringsvormen van de uitvinding worden verschillende typen door het basisstation overgeseinde indicaties – waarmee de zendvermogens afzonderlijk van elkaar kunnen worden ingesteld en aldus ten opzichte van elkaar kunnen worden gevarieerd – genoemd, zoals de toepassing van een offset (par. 26, 36, 48), een indicatie om al dan niet een (vooraf vastgestelde) offset te gebruiken (par. 29) of een indicatie van het specifieke toe te passen vermogensniveau (par. 29, 36). 4.7 De door EP 525 onder bescherming gestelde uitvinding maakt het derhalve mogelijk om per mobiel station het zendvermogen voor ieder type signaal afzonderlijk, onafhankelijk van het vermogen van het andere type signaal, variabel (dat wil zeggen afhankelijk van de omstandigheden), aan te passen conform de daartoe door het basisstation overgeseinde indicatie. Doordat afhankelijk van de omstandigheden per signaaltype het optimale (zo laag mogelijke) zendvermogen kan worden gekozen en door het basisstation overgeseind, wordt een verbetering van de systeem-efficiëntie bereikt. In vergelijkbare zin overwoog de Engelse High Court over de door de uitvinding volgens het octrooi geboden voordelen: “(…) the scheme is a flexible one that permits the powers of the ACKs and NACKs to be modified independently, allowing error performance targets to be achieved at lower average power and different data services to be handled differently; and it facilitates soft handover in the uplink when using HSDPA in the downlink. This is achieved with only a modest increase in system complexity.” 4.8 Gelet op het voorgaande zal naar het oordeel van het hof de gemiddelde vakman die de conclusies van EP 525 leest begrijpen dat de achter de uitvinding gelegen uitvindingsgedachte is dat – in plaats van het systeem volgens de stand van de techniek, waarin sprake is van gefixeerde, vooraf vastgestelde, maximale foutkansen voor op gelijk vermogensniveau verzonden ACK- en NACK-signalen, waaraan kan worden voldaan door instelling van de drempelwaarde – het vermogensniveau van de onderscheiden signalen per type signaal afzonderlijk kan worden aangepast, onafhankelijk van het zendvermogen van een ander signaal, teneinde de foutkansen per type signaal voor de omstandigheden van het geval optimaal in te stellen op basis van een door het basisstation overgeseinde indicatie. De daarmee verkregen flexibiliteit leidt tot verbeterde systeemefficiëntie omdat onder alle omstandigheden een zo laag mogelijk vermogensniveau voor verzending van de ACK- en NACK-signalen kan worden gehanteerd. Dat van die flexibiliteit niet onder alle omstandigheid gebruik zou worden gemaakt, zoals Wiko heeft gesteld, doet er niet aan af dat geboden flexibiliteit wordt bereikt. 4.9 Dat in par. 25 en 30 van de beschrijving de mogelijkheid wordt genoemd dat náást de vaststelling van de foutkansen volgens de uitvinding óók gebruik wordt gemaakt van een drempelwaarde, waarop Wiko heeft gewezen, maakt dat niet anders. In het geval beschreven in par. 25 wordt een lagere power offset toegepast voor de NACK-signalen indien de frequentie NACK-signalen een bepaald percentage overstijgt (bij slechte kanaalcondities) ter voorkoming van interferentie. Dat is hieronder geïllustreerd. Om er dan toch voor te zorgen dat het NACK-gebied groot genoeg blijft kan dan de uit de stand van de techniek bekende maatregel van het verschuiven van de drempelwaarde richting ACK worden toegepast, zoals hierna geïllustreerd. Dat laat onverlet dat sprake is van afzonderlijke instelling van het vermogensniveau van het NACK-signaal, ter beïnvloeding van de foutkansen van dat signaal, afhankelijk van de gegeven omstandigheden. 4.10 De in par. 25 van de beschrijving geopenbaarde uitvoeringsvorm is ook iets anders dan wat de gemiddelde vakman in Shad leest. Zoals hierna (in r.o. 4.54 e.v.) uiteengezet zal worden is daarin sprake van aanpassing van het zendvermogen van de ACK- en NACK-signalen afhankelijk van de frequentie om interferentie te minimaliseren en niet afhankelijk van het type signaal om de foutkansen van die signalen te beïnvloeden. In die publicatie wordt (alleen) verschuiving van de drempelwaarde toegepast om te voldoen aan de maximale foutkansen voor beide signalen. Anders dan bij de uitvinding volgens het octrooi, staan in Shad de aanpassing van beide zendvermogens bovendien in vaste relatie tot elkaar en zijn deze niet afzonderlijk, onafhankelijk van het andere type signaal, instelbaar. De gemiddelde vakman zal dan ook begrijpen dat de uitvinding volgens EP 525 op een ander inzicht berust dan hetgeen in Shad is geopenbaard. Evenmin is par. 25 van de beschrijving hetzelfde als hetgeen Shad Derryberry de gemiddelde vakman leert, onder meer omdat – zoals hierna in r.o. 4.83 e.v. wordt overwogen – daarin, net zo min als bij Shad, sprake is van aanpassing van de zendvermogens van ACK- en NACK-signalen onafhankelijk van elkaar. 4.11 Het standpunt van Wiko dat het probleem waarvoor het octrooi een oplossing beoogt te bieden is gelegen in de ernstiger gevolgen van een false ACK dan een false NACK en de uitvinding (slechts) ziet op verzenden van NACK-signalen met hoger niveau dan dat van ACK-signalen (par. 29-31, 36 conclusie van antwoord in eerste aanleg), wordt verworpen. Deze door Wiko verdedigde uitleg van het octrooi volgt niet uit par. 11 van de octrooibeschrijving, zoals zij stelt. De tweede zin, waarop zij zich beroept, betreft een uitvoeringsvoorbeeld zoals ook blijkt uit de zinsnede “In one embodiment” waarmee de zin aanvangt. Dat uitvoeringvoorbeeld wordt verder beschreven in par. 23 die is opgenomen onder het kopje ‘Modes for Carrying Out the Invention’ waaronder verschillende voorbeelden van toepassingen van de uitvinding worden gegeven. Par. 23 ziet op de uitvoeringsvorm die zal worden toegepast in de ‘normaalsituatie’ waarin het systeem goed functioneert en dus aanzienlijk minder NACK-signalen dan ACK-signalen zullen worden verzonden. Dan is het voordelig (alleen) het zendvermogen van de NACK-signalen te verhogen, zodat de foutkans voor een NACK-signaal afneemt, zonder noemenswaardig verhoging van interferentie, omdat het zendvermogen van een ACK-signaal wel gelijk blijft (en niet in gelijke mate als dat van het NACK-signaal wordt verhoogd). Par. 24 maakt echter duidelijk dat in een situatie waarin het systeem minder goed functioneert en er dus méér NACK-signalen worden verstuurd, de verhoging van het zendvermogen voor NACK-signalen achterwege moet blijven. Ook in andere gevallen – zoals bij het in par. 26 van de octrooibeschrijving gegeven voorbeeld van ‘real-time streaming service’ – wordt optimale systeemefficiëntie juist bereikt door géén verschillend vermogensniveau toe te passen. Dat levert een voordeel op ten opzichte van de algemeen toegepaste verschillende foutkansen voor ACK- en NACK-signalen en daarop gebaseerde biased drempelwaarde uit de stand van de techniek, op grond waarvan een signaal vaker als een NACK zal worden geïnterpreteerd en er dus vaker (en by real-time streaming service onnodig) datapakketten opnieuw zullen worden gezonden. Het standpunt van Wiko dat bij een gelijk zendvermogen het voordeel van de uitvinding (systeemefficiëntie) niet zou worden bereikt is derhalve evenzeer onjuist. De uitvinding ziet ook niet op het instellen van verschillende foutkansen. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen kan juist het (in afwijking van de stand van de techniek) hanteren van gelijke foutkansen een voordeel opleveren. 4.12 Het (alternatieve) standpunt van Wiko is dat het octrooi slechts vereist dat de zendvermogens van ACK- en NACK-signalen worden geselecteerd afhankelijk van het signaaltype en dus alleen dat die zendvermogens verschillend kunnen zijn. Daarmee laat Wiko ten onrechte het deelkenmerk “in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signalled from the primary station to the secondary station” buiten beschouwing. Alle deelkenmerken in onderlinge samenhang beschouwd leiden tot de uitleg zoals hiervoor uiteengezet. 4.13 Wiko heeft verder gesteld (par. 71 MvA) dat – anders dan de rechtbank heeft vastgesteld – conclusie 10 niet vereist dat voor elk type signaal apart een indicatie van het vermogensniveau door het basisstation aan het mobiele station wordt verzonden. Zij leidt dat af uit het feit dat de conclusie “indication” in enkelvoud gebruikt en gelet op de uitvoeringsvoorbeelden waarin sprake is van één indicatie voor beide vermogensniveaus. Volgens Wiko is daarom een signaal van een basisstation, dat een indicatie inhoudt van het zendvermogen van bevestigingssignalen zonder onderscheid te maken naar type signaal – zoals een TPC-commando uit de UMTS-standaard waardoor het zendvermogen van alle signalen die over een bepaald uplink-kanaal worden verstuurd wordt verhoogd of verlaagd, ongeacht het type signaal, of de AckChannelGain uit de EV-DO standaard waarmee het vermogen van het ACK-kanaal wordt verhoogd of verlaagd ongeacht of het signaal een ACK- of NACK-signaal is – ook een indicatie van het basisstation in de zin van het octrooi. Dat standpunt is onjuist. Uit de maatregelen “wherein the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type” en “in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signalled from the primary station to the secondary station” van conclusie 10 in onderlinge samenhang bezien en gelezen in het licht van de beschrijving (in het bijzonder par. 23 daarvan), kan deze conclusie niet anders worden begrepen dan dat met de door het basisstation doorgeseinde indicatie het zendvermogen per signaaltype afzonderlijk kan worden ingesteld, teneinde de foutkansen per signaaltype te bepalen, onafhankelijk van het zendvermogen en de foutkansen van het andere type signaal. 4.14 Zoals hiervoor overwogen (zie r.o. 4.6) kan een indicatie voor elk type signaal inhouden dat er bij twee signaaltypen ook twee aparte indicaties zijn. Echter, om het vermogensniveau voor elk signaal apart aan te duiden in de zin van conclusie 10 is het niet noodzakelijk dat er meer dan één (bericht inhoudende een) indicatie is. De beschrijving geeft verschillende voorbeelden van indicaties volgens conclusie 10 waarbij met één indicatie kan worden volstaan, bijvoorbeeld een indicatie bestaande uit een offsetwaarde, waarbij het vermogen van het ene signaaltype wordt bepaald relatief ten opzichte van dat van het andere signaaltype. Ook daarmee kunnen de vermogensniveaus (en daarmee de foutkansen) afzonderlijk van elkaar worden gevarieerd en is er dus sprake van een aparte indicatie voor elk signaaltype in de zin van conclusie 10. 4.15 Het standpunt van Wiko dat genoemde flexibiliteit geen technisch effect is van de maatregelen volgens conclusie 10 wordt verworpen. Zoals hiervoor overwogen, ziet de uitvinding niet alleen op de mogelijkheid van het verzenden van de verschillende bevestigingssignalen met verschillende vermogensniveaus als zodanig, maar met name ook op de aanpassing van het zendvermogen (en daarmee de foutkansen) per type signaal afzonderlijk, waarbij de indicatie die door het basisstation wordt doorgeseind aanpassing per type signaal afhankelijk van de omstandigheden mogelijk maakt. Juist dat levert flexibiliteit op – waarbij het bijvoorbeeld onder omstandigheden ook voordelig kan zijn dat juist géén verschillend vermogensniveau voor de verschillende bevestigingssignalen wordt toegepast – en worden de voordelen van de uitvinding bereikt (vgl. r.o. 4.11 hiervoor). 4.16 Anders dan Wiko heeft aangevoerd volgt de door de uitvinding geboden flexibiliteit niet alleen uit het in par. 26 gegeven uitvoeringsvoorbeeld. Alle uitvoeringvoorbeelden die in de beschrijving worden gegeven zijn toepassingen van de uitvinding volgens conclusie 10. Daarmee wordt verduidelijkt dat het vermogensniveau van de onderscheiden signalen afzonderlijk kan worden aangepast om de foutkansen van die signalen voor de omstandigheden van het geval optimaal in te stellen op basis van een door het basisstation overgeseinde indicatie. Duidelijk is dat deze flexibiliteit bij het vaststellen van de foutkansen door toepassing van verschillende vermogensniveaus per type signaal leidt tot verbeterde systeemefficiëntie ten opzichte van systemen volgens de stand van de techniek, waarin sprake is van vooraf vastgestelde maximale foutkansen voor ACK- en NACK-signalen, die niet onder alle omstandigheden optimaal kunnen zijn. 4.17 Gelet op al het voorgaande moet het in r.o. 4.2 genoemde kenmerk, ook al zou de letterlijke tekst daarvan wellicht een ruimere uitleg toelaten, zo worden uitgelegd dat de vermogensniveaus van de verschillende signalen afzonderlijk kunnen worden aangepast om de foutkansen van die signalen voor de omstandigheden van het geval optimaal in te stellen op basis van een door het basisstation overgeseinde indicatie. 4.18 Wiko heeft er verder op gewezen dat de High Court in Engeland (Justice Arnold) conclusie 10 ruimer heeft uitgelegd (waardoor volgens Wiko Shad nieuwheidsschadelijk zou zijn). Echter zij heeft er ook op gewezen dat de Engelse rechter heeft overwogen dat de argumenten van partijen in de Engelse procedure anders waren (“rather different” zoals in het vonnis staat) in vergelijking met de argumenten van partijen in de onderhavige procedure. Wiko heeft dat onderschreven. Dat de argumenten verschillend zijn geweest blijkt reeds uit het feit dat de overwegingen terzake van de uitleg van de conclusie in het Engelse vonnis worden voorafgegaan door “There is no dispute as to the interpretation of claim 10.”, waaruit volgt dat over de conclusie-uitleg in de Engelse procedure kennelijk overeenstemming bestond. In onderhavige procedure is daarvan geen sprake. Het hof heeft daarom geen aanleiding gezien aansluiting te zoeken bij de door de Engelse rechter gehanteerde conclusie-uitleg, maar de uitleg van conclusie 10 zelfstandig beoordeeld in aanmerking nemend hetgeen in deze procedure door partijen over en weer is aangevoerd. Gebrek aan nieuwheid / inventiviteit 4.19 Volgens Wiko was het voor de gemiddelde vakman op de prioriteitsdatum algemene vakkennis dat het vermogen van een signaal, afhankelijk van het type (bijvoorbeeld ACK of NACK), kon worden gevarieerd om zo de relatieve kansen op juiste ontvangst van de betreffende berichten te beïnvloeden (par. 6 MvA sub v), althans de gemiddelde vakman zou weten dat het mogelijk is om verschillende berichten van een signaal met een verschillend vermogen te verzenden. Als hij dan de goede ontvangst van ACK- en NACK-signalen wil beïnvloeden zou hij er zonder inventieve denkarbeid toe komen ACK- en NACK-berichten met een verschillend vermogen te verzenden. (par. 7 MvA). Volgens Wiko is signalering vanuit het basisstation bovendien ook ‘staande praktijk’ en zou het octrooi reeds daarom nietig zijn. Wiko heeft zich daarbij gebasserd op de diverse handboeken, op de prioriteitsdatum gepubliceerde telecomminicatiestandaarden en diverse publicaties. Het hof zal deze geldigheidsaanvallen hierna achtereenvolgens beoordelen. (
  12. a)algemene vakkennis 4.20 Naar het oordeel van het hof wordt in geen van de door Wiko aangehaalde handboeken geopenbaard dat ACK- en NACK-signalen met verschillend vermogen worden verzonden, evenmin dat dit per type signaal afzonderlijk zou kunnen. Daarin wordt ook niet geleerd of gesuggereerd dat daarmee de foutkansen van de ACK- en NACK-signalen kunnen worden beïnvloed. Evenzeer ontbreekt een openbaarmaking dat een indicatie per type signaal (apart) door het basisstation wordt overgeseind. 4.21 De passage uit Proakis onder het kopje 5-2-1 ‘Probability of Error for Binary Modulation’, waarop Wiko zich (mede) heeft beroepen, heeft betrekking op het gebruik van een ontvanger voor zogenaamde PAM (‘Pulse Amplitude Modulation’)-signalen. Dat zijn signalen waarbij de door het signaal overgebrachte informatie is vervat in de amplitude van het signaal (bij BPSK (‘Binary Phase Shift Keyed’) modulatie is de informatie vervat in de fase). Bij gebruik van twee signalen (M=2) is binary PAM gelijk aan BPSK; in beide gevallen worden de signalen met gelijke vermogens verzonden. Dat blijkt onder meer ook uit de passage op pag. 175 van Proakis: “In the special case of M = 2 signals, the binary PAM waveforms have the special property that s1(
  13. t)= -s2(t). Hence, these two signals have the same energy and a cross-correlation coefficient of -1, such signals are called antipodal.” In overeenstemming daarmee worden beide signalen volgens Proakis met dezelfde, maar tegenovergestelde energie verzonden, respectievelijk √Ɛb en -√Ɛb. 4.22 Philips heeft verder gewezen op de (hieronder weergegeven) figuur 5-2-4 ‘Probability of error for binary signals’ uit Proakis. Deze figuur (de linker curve, die ziet op antipodale signalen) is een weergave van de berekening van de gemiddelde kans op foute ontvangst van een antipodaal signaal (ongeacht of dit signaal s1 of s2 is), uitgedrukt als Pb, aan de hand van vergelijking (5-2-5): waarvan dus beide signalen s1 en s2 onderdeel uitmaken, bij diverse (gelijke) vermogens waarmee beide signalen worden verzonden. Deze figuur toont dus ook niet de toepassing van verschillende zendvermogens voor de onderscheiden signaaltypes s1 en s2. De figuur toont, in overeenstemming met de algemene vakkennis op de prioriteitsdatum, dat als het zendvermogen uitgedrukt als SNR per bit γb – horizontale as – toeneemt, de error probability Pb van een signaal – verticale as – afneemt. 4.23 Proakis omschrijft alleen de situatie waarin beide typen signalen s1 en s2 (bijvoorbeeld een ACK- en NACK-signaal) gelijk zijn (“equally likely”) en de drempelwaarde zich in het midden van beide signaaltypen bevindt. Dat wordt getoond in figuur 5-2-2 van Proakis: FIGURE 5-2-l C,onditional pdfs of two signals. waarbij ‘pdf’ staat voor ‘probability density function’, dus de kans dat een signaal met een bepaalde energiewaarde wordt ontvangen (waarbij de meeste signalen worden ontvangen op of rond het vermogen waarmee het werd verzonden en de afwijkingen worden veroorzaakt door noise). Te zien is dat beide signalen dezelfde amplitude hebben. 4.24 De stelling van Wiko dat de afstand tussen de twee signalen op twee manieren kunnen worden aangepast, namelijk door de piek van het signaal op te schuiven ten opzichte van de threshold (waarvan zij heeft toegelicht dat dit kan door het zendvermogen van dat signaal aan te passen), of de threshold op te schuiven ten opzichte van de piek van het signaal (par. 56 MvA), waarbij ook de kans op foute ontvangst van het ene signaal kan worden beïnvloed zonder dat van het andere te beïnvloeden (par. 57 MvA), is geen kennis die door de gemiddelde vakman uit Proakis kon of zou worden afgeleid. Proakis bevat daarvoor, gelet op hetgeen hiervoor is besproken, geen enkel aanknopingspunt. Anders dan Wiko suggereert (par. 60 MvA) worden in Proakis situaties waarin de foutkansen ongelijk zijn niet besproken en derhalve evenmin hoe dat kan worden beïnvloed. Toepassing van de drempelwaarde om dat bereiken wordt (naar Wiko zelf ook stelt) door Proakis niet besproken, maar ook niet – anders dan Wiko suggereert – dat de relatieve foutkansen kunnen worden beïnvloed door de aanpassing van de energiewaarde voor een signaal. Het ‘opschuiven van de curve’ zoals zij met diverse grafieken heeft uiteengezet (par. 48 MvA) is helemaal niet in Proakis geopenbaard, noch wordt dit gesuggereerd. 4.25 Proakis beschrijft alleen de kans op de foute ontvangst van gelijke antipodale signalen (“Let us assume that the two signals are equally likely”) en gaat uit van gelijke vermogens (binary PAM met 2 signalen). Er is uitsluitend geopenbaard dat toename van het zendvermogen voor beide signalen gelijkelijk leidt tot afname van de foutkansen (in figuur 5-2-4). Nergens in Proakis is een openbaarmaking of zelfs maar suggestie voor de toepassing van ongelijke zendvermogens voor de antipodale signalen. Proakis gaat dan ook expliciet uit van gelijke (maar tegenovergestelde) energiewaarden voor antipodale signalen:√Ɛb en -√Ɛb. Wiko heeft nog gewezen op de formule voor de berekening van de foutkans van signaal s1, waaruit afhankelijkheid van het zendvermogen is af te leiden. Geheel in overeenstemming met de uitgangspunten in Proakis geldt voor signaal s2 echter exact dezelfde formule. Aanpassing van de waarde voor Eb geldt dus gelijkelijk voor beide signalen. Toepassing van ongelijke vermogens om de relatieve error probabilities aan te passen is met de in Proakis gegeven formules dus niet eens mogelijk. 4.26 Voor zover Wiko zou willen betogen dat de gemiddelde vakman die mogelijkheid van toepassing van verschillend vermogen voor de signalen zou ‘inlezen” dan wel dat dit uitgaand van Proakis, gegeven de aanname dat false ACK ernstiger gevolgen heeft dan een false NACK, voor de hand zou liggen, moet dat worden verworpen. Daarvoor bestaat geen aanleiding, aangezien Proakis nu juist het hanteren van verschillende maximaal toelaatbare foutkansen voor de onderscheiden signaaltypen helemaal niet noemt en als gezegd uitgaat van signalen met gelijke amplitude. Niet valt in te zien en Wiko heeft ook niet toegelicht hoe de gemiddelde vakman dan uitgaand van Proakis tot de uitvinding volgens het octrooi zou komen. 4.27 Dat het algemene vakkennis zou zijn dat het zendvermogen van verschillende signalen afzonderlijk van elkaar kan worden aangepast om de kans op verkeerde detectie van die signalen te veranderen, blijkt ook niet uit Barkat of Van Trees, zoals Wiko stelt. 4.28 In Barkat wordt in paragraaf 8.2.2 de ‘optimum receiver’ besproken voor het detecteren van een binair signaal. De optimale ontvanger wordt getoond in figuur 8.6: Blijkens de passage direct onder het kopje “8.2.2 General Binary Detection” staan H1 en H0 voor de verzonden binaire signalen s1(
  14. t)en s0(t): “In this case, the transmitter sends the signal s1(
  15. t)under Hypoyhesis H1 and the signal s0(
  16. t)under hypothesis H0”. 4.29 Barkat beschrijft dat door wijziging van het signaal tijdens de verzending als gevolg van ‘noise’, het ontvangen signaal (aangeduid met y(t)) verschilt van het verzonden signaal. De ontvanger is bekend met de waarden voor verzonden signalen s1(
  17. t)en s0(
  18. t)en kan het ontvangen signaal daarmee vergelijken. De receiver gebruikt daarvoor de waarde s∆(
  19. t)(het verschil tussen s1 en s0). Het voltage van het ontvangen signaal ligt ergens tussen de waarden van s1(
  20. t)en s0(
  21. t)in. Aan de hand van vergelijking met de in de ontvanger (basisstation) ingestelde drempelwaarde γ1 bepaalt de receiver vervolgens of het ontvangen signaal moet worden aangemerkt als s1 of als s0. Dit is ook beschreven in Example 3.1 uit Barkat (waarin de signalen met random waarde worden aangeduid met H (van ‘hypothesis’): “Example 3.1 In a digital communication system, consider a source whose output under hypothesis H1 is a constant voltage of value m while its output under hypothesis H0 is zero. The received signal is corrupted by N an additive white Gaussian noise of zero mean and variance a2. (
  22. a)Set up the likelihood ratio test and determine the decision regions. (
  23. b)Calculate the probability of false alarm and the probability of detection. (…) the received observation is compared with the threshold γ. The decision regions are as shown in Figure 3.4. 4.30 De drempelwaarde γ1 kan worden vastgesteld volgens vergelijking (8.77) uit Barkat waarbij staat voor log Eta en Ɛ1 en Ɛ0 staan voor de energiewaarden van de signalen s1 en s0. De drempelwaarde wordt dus vastgesteld aan de hand van deze parameters. De energiewaarden Ɛ1 en Ɛ0 bepalen de afstand tussen de signalen s1 en s0. Hoe hoger de energie (het zendvermogen), hoe groter de afstand. Uit ½(Ɛ1 - Ɛ0) in deze formule volgt dat de waarden voor Ɛ1 en Ɛ0 tevens het midden tussen de signalen s1 en s0 bepalen. Bij log Eta gelijk aan nul is de drempelwaarde dus neutraal, in het midden van de beide signaaltypes, gepositioneerd. Daaruit volgt dat in deze vergelijking de waarde voor log Eta de waarde van γ1 – dus de verschuiving van de drempelwaarde richting s1 of s0 – bepaalt. Dat kan als volgt worden weergegeven: 4.31 Met een ROC (‘Receiver Operation Characteristic’)-grafiek worden de prestaties van een systeem getoond dat onderscheid moet maken tussen twee mogelijke interpretaties van een ontvangen signaal. In Barkat is in figuur 3.10 een ROC opgenomen, waarin PF staat voor ‘probability of false alarm’, overeenkomend met de kans op false ACK. De kans op false NACK (‘probability of miss’, ofwel PM) staat gelijk aan 1-PD (‘probability of detection’). Deze figuur is hieronder afgebeeld. 4.32 Voor ieder (voor beide signalen gelijkelijk) toegepast zendvermogen wordt de relatie weergegeven tussen de positie van de drempelwaarde in het basisstation en de resulterende foutkansen voor (bijvoorbeeld) ACK- en NACK-signalen. Ieder punt op de curve komt overeen met een bepaalde drempelwaarde en de daaruit resulterende foutkansen voor beide signaaltypen. De curve van boven naar beneden volgend wordt de drempelwaarde verder richting ACK verschoven en neemt de kans op false ACK af (PF, horizontale
  24. as)en neemt de kans op false NACK (1-PD, verticale
  25. as)toe. (Vgl. Barkat pag. 152: “The slope of the ROC at a particular point on the curve represents the threshold ƞ for the Neyman-Pearson test to achieve the PD and PF at that point.” en pag. 153: “The ROC is a plot of PD, the probability of detection, versus PF the probability of false alarm, with the threshold ƞ as a parameter.”) De in Barkat gegeven formules voor de berekening van PD en PF zijn achtereenvolgens: (8.76): (8.78): 4.33 In overeenstemming met vergelijking (8.77) wordt in Barkat voor de situatie waarin beide signalen een gelijke frequentie hebben (even vaak voorkomen) en even belangrijk worden gevonden, log Eta gelijk gesteld aan nul waardoor de drempelwaarde dus neutraal, in het midden, is gepositioneerd. Dat volgt uit de navolgende vergelijking: 4.34 Barkat vermeldt verder ook dat bij ongelijke frequentie en ongelijk belang van de signaaltypen de drempelwaarde niet op nul moet worden gesteld maar moet worden verschoven (op basis van log Eta): (pag. 122) “Thus, in practical situations where the a priori probabilities [frequentie – hof] and the cost [het belang – hof]] may change, only the threshold changes but the computation of the likelihood ratio is not affected.” en (pag. 153) “In the Bayes criterion the threshold η is determined by the a priori probabilities and the costs.” 4.35 Ook in Van Trees wordt aan de vereisten voor de verschillende foutkansen voor beide signalen voldaan door middel van positionering van de drempelwaarde, zoals onder meer volgt uit de daarin opgenomen figuur 2.8 in Van Trees: 4.36 In Van Trees is ook (in figuur 2.9 op pag. 38) een ROC afgebeeld: In deze figuur wordt met ‘increasing ƞ’ tot uitdrukking gebracht dat bij toename van log Eta de waarde van γ1 hoger wordt, PF (de kans op false ACK) afneemt en PM (1-PD) (de kans op false NACK) toeneemt. In de ROC worden curves getoond bij drie verschillende waarden ‘d’. Die waarde staat voor de afstand (‘distance’) tussen de twee signalen (zoals weergegeven in figuur 2.8). Deze afstand wordt bepaald door de energiewaarden Ɛ0 en Ɛ1. Hoe hoger de energiewaarde (het zendvermogen) van beide signalen (die immers met gelijke maar tegenovergestelde energiewaarde worden verzonden) hoe groter de afstand tussen beide signalen en daarmee hoe groter de kans dat de drempelwaarde in het basisstation zo kan worden gepositioneerd dat aan de vereiste maximaal toelaatbare foutkansen kan worden voldaan. De verschillende curves representeren dus de waarden die bij het gebruik van verschillende zendvermogens (gelijkelijk toegepast op beide signalen) worden verkregen. 4.37 Dat op de prioriteitsdatum gebruik werd gemaakt van ROC-curves om (ter voorkoming van interferentie) bij zo laag mogelijke (gelijke) zendvermogens te kunnen voldoen aan de (ongelijke) maximaal toelaatbare foutkansen voor beide signalen door positionering van de drempelwaarde blijkt ook uit Motorola 744, welke publicatie hierna (r.o. 4.96 e.v.) zal worden besproken. 4.38 De suggestie van Wiko dat in Barkat en Van Trees wordt geopenbaard dat de zendvermogens van de afzonderlijke signalen (kunnen) worden gebruikt om de foutkansen te beïnvloeden, wordt als onjuist van de hand gewezen. Aan Wiko kan worden nagegeven dat dit – theoretisch – kan worden bereikt door de drempelwaarde op nul te fixeren en vervolgens verschillende vermogensniveaus in te vullen in de vergelijkingen uit de diverse handboeken waarin de energiewaarden Ɛ0 en Ɛ1 zijn gegeven voor de signalen s0 en s1, met name vergelijkingen (8.76 – 8.78) (zie r.o. 4.30 en r.o. 4.32 hiervoor) en (8.40 – 8.41) uit Barkat en de formules voor de zendvermogens voor signalen s0 en s1 in Van Trees (√Et0 s0(
  26. t)en √Et1 s1(t)). 4.39 Wiko heeft er terecht op gewezen dat de afstand tussen de zendvermogens van beide signalen bepalend is voor de kans op (on)juiste detectie daarvan. Hoe groter de afstand tussen beide energiewaarden, hoe kleiner de kans op onjuiste detectie ervan. Dat is getoond in figuur 2.9 van Van Trees. Ook heeft Wiko er met juistheid op gewezen dat uit diverse vergelijkingen uit Barkat, onder meer (8.77 en de formules voor het vaststellen van PF en PD), volgt dat er een onderlinge relatie is tussen de drempelwaarde γ1 en de zendvermogens Ɛ0 en Ɛ1. Die relatie wordt bepaald door log eta, waarvan de waarde afhankelijk is van het (ongelijke) belang van juiste detectie van de onderscheiden signalen. De relatieve kans op (on)juiste detectie van de beide signalen wordt bepaald door de positionering van de beslisdrempel tussen beide energiewaarden. Dat is algemene vakkennis en volgt allemaal ook uit de in Barkat, Van Trees en Motorola 744 getoonde ROC-curves. Ook juist is dat die positionering (en daarmee de beïnvloeding van de foutkansen van beide signalen) op twee verschillende manieren kan worden bereikt, namelijk
(1)door de beslisdrempel te verschuiven in de richting van een beide energiewaarden en
(2)door de energiewaarden voor de signalen ten opzichte van elkaar te variëren. Niet juist is echter dat die tweede methode ook in Barkat (of ergens anders in de stand van de techniek) is geopenbaard. Die methode is het inzicht dat grondslag ligt aan de uitvinding volgens het octrooi. 4.40 De toepassing van ongelijke energieniveaus voor de onderscheiden signaaltypen, wordt nergens in de door Wiko aangehaalde handboeken besproken, al helemaal niet de aanpassing van het vermogensniveau van de verschillende signaaltypen onafhankelijk van elkaar, ter beïnvloeding van de foutkansen van die signalen. De energiewaarden worden daarin, in overeenstemming met de ook door Wiko genoemde algemene vakkennis, uitsluitend (voor beide signalen gelijkelijk) gevarieerd om de benodigde minimale afstand (‘d’) tussen beide signalen te bepalen teneinde bij een zo laag mogelijk (gelijk) zendvermogen te kunnen voldoen aan de vastgestelde maximaal toelaatbare foutkansen van beide signalen (vergelijk de in r.o. 4.31 en r.o. 4.36 hiervoor getoonde ROC’s uit Barkat en Van Trees en de ROC uit Motorola 744, met verschillende curves voor verschillende – voor beide signalen gelijkelijk geldende – energiewaarden). Vervolgens wordt bij de laagst mogelijke energiewaarde log Eta gevarieerd om de drempelwaarde optimaal te positioneren, zodanig dat aan het vereiste maximum aan foutkansen voor beide signalen wordt voldaan. Deze volgordelijkheid – eerst de energiewaarde van beide signalen bepalen en vervolgens aan de hand van vooraf vastgestelde maximaal toelaatbare foutkansen de drempelwaarde instellen –komt ook tot uitdrukking in vergelijking (8.77) van Barkat voor de berekening van de drempelwaarde aan de hand van de energiewaarden en in Example 3.1. 4.41 Naar Philips onderbouwd heeft gesteld, en door Wiko onvoldoende gemotiveerd is weersproken, zou de gemiddelde vakman, gelet op de context waarin die vergelijkingen zijn geplaatst en hetgeen op de prioriteitsdatum gangbaar was voor mobiele telecommunicatiesystemen, die vergelijkingen niet zo (theoretisch) benaderen als Wiko aanvoert. De gemiddelde vakman zal inzien dat dit algemene theoretische vergelijkingen zijn, waarbij vrijwel alle waarden – fase, frequentie, energiewaarde – kunnen worden gevarieerd en die toepasbaar zijn in allerlei verschillende modulatieschema’s. Toegepast op ACK- en NACK-signalen en gelezen in het licht van in de op de prioriteitsdatum bekende mobiele telecommunicatiesystemen algemeen toegepaste BPSK-modulatie, begrijpt de vakman dat s0(
  1. t)overeenkomt met –s1(
  2. t)en dat deze met gelijk vermogen worden verzonden. In dat licht valt niet in te zien dat de gemiddelde vakman, zonder enige verdere aanwijzing in die richting, de vergelijkingen zou toepassen om voor de signalen s0 en s1 ongelijke zendvermogens toe te passen om de foutkansen van die signalen beïnvloeden. Dat geldt temeer omdat in Barkat en Van Trees juist (uitsluitend) wordt geleerd dat daartoe de positionering van de drempelwaarde dient te worden gebruikt. 4.42 In dat verband heeft Philips er ook terecht op gewezen dat voor het geval verschillende foutkansen van beide signalen wenselijk zijn, de diverse vergelijkingen in de aangehaalde handboeken nu juist ten doel hebben – en uitgaan van – de berekening van de optimale drempelwaarde. Daarmee is in tegenspraak dat de gemiddelde vakman de drempelwaarde op nul zou fixeren en de energiewaarden zou variëren om de foutkansen te beïnvloeden. Die mogelijkheid wordt in geen van de handboeken expliciet geopenbaard (bijvoorbeeld door een op de berekening van die verschillende energiewaarden gerichte vergelijking – de door de deskundige van Wiko opgestelde vergelijkingen maken nadrukkelijk geen onderdeel uit van het handboek van Barkat) of zelfs maar gesuggereerd. In tegendeel, in de ten tijde van de prioriteitsdatum tot de stand van de techniek behorende mobiele telecommunicatiesystemen werd gebruik gemaakt van modulatietechnieken gekenmerkt door het gebruik van gelijke vermogens met verschillende fase (met 180° verschil) van binaire signalen. 4.43 Wiko heeft verder nog gewezen op navolgende passage op pag. 364 van Barkat: Het standpunt van Wiko dat uit de zinsnede ‘If, in addition, the signal energies are equal’ zou volgen dat toepassing van gelijke energieën een uitzonderingssituatie zou zijn en uitgangspunt van Barkat is dat de signalen met verschillende vermogens worden verzonden, heeft zij niet voldoende steekhoudend onderbouwd. Zij stelt immers ook zelf dat in de op de prioriteitsdatum gepubliceerde mobiele telecommunicatie standaarden BPSK-modulatie gebruikelijk was en de antipodale ACK- en NACK-signalen juist met gelijk vermogen werden verzonden. Aldus ligt veeleer in de rede dat de woorden ‘in addition’ door de gemiddelde vakman zullen worden begrepen als gevolg van het gebruik van antipodale signalen, en niet (a contrario redenerend) als tegenstelling. 4.44 Daarenboven volgt de aangehaalde passage op de vaststelling op pag. 363 dat de totale foutkans P(Ɛ)gelijk is aan PF en gelijk aan PM en afhankelijk is van parameter α: Aangezien de foutkansen (zowel false ACK als false NACK) derhalve in alle gevallen op dezelfde wijze afhankelijk zijn van parameter α – en daarmee (volgens vergelijking (8.80) van de energiewaarden Ɛ1 en Ɛ0 – valt niet in te zien dat de gemiddelde vakman daaruit zou (kunnen) begrijpen dat hij de afzonderlijke energiewaarden zou kunnen gebruiken voor vaststelling van ongelijke foutkansen voor de interpretatie van ACK- en NACK-signalen. Zoals reeds opgemerkt, geldt dat temeer omdat Barkat expliciet leert dat daartoe de drempelwaarde moet worden gebruikt. 4.45 Daarnaast heeft Philips er met recht op gewezen dat in de handboeken de parameter log Eta juist wordt gebruikt om bij gewenste ongelijke foutkansen de drempelwaarde in de ontvanger (het basisstation) te optimaliseren. In het geval de foutkansen gelijk zijn en de drempelwaarde neutraal is gepositioneerd heeft log Eta geen functie en komt dan ook niet in de op die situatie toegesneden vergelijking (8.79) voor (zie r.o. 4.33 hiervoor). In de benadering van Wiko wordt log Eta daarentegen toch gebruikt als de drempelwaarde in het midden is gefixeerd, maar dan om de door te transmitter (het mobiele station) te hanteren zendvermogens aan te passen. Die functie van log Eta is uit de handboeken niet af te leiden. 4.46 Ten slotte wordt er in Barkat vanuit gegaan dat de energiewaarden van s1 en s0 bij de receiver bekend zijn, omdat aan de hand daarvan het ontvangen signaal wordt gedetecteerd (zie r.o. 4.29). In Barkat (pag. 344) wordt dat expliciet vermeld: “In Section 8.2, we discuss the general and simple binary detection of known signals (…)”. Daarmee is – zonder verdere maatregelen waarvan niet gesteld of gebleken zijn dat die in de handboeken worden geopenbaard – niet te verenigen dat de energiewaarden door de transmitter zouden kunnen worden gevarieerd. 4.47 Dat de gemiddelde vakman ertoe zou worden gebracht de drempelwaarde op nul te fixeren omdat dit op de prioriteitsdatum de meest gangbare instelling zou zijn geweest, zoals de partijdeskundige van Wiko, dr Camp, stelt, moet worden verworpen. Dat moge juist zijn voor signaaltypen die even vaak voorkomen en even belangrijk zijn, maar gaat niet op voor ACK- en NACK-signalen. Ook volgens Wiko (par. 6 sub iii MvA) werd op de prioriteitsdatum nu juist aangenomen dat een false ACK nadeliger was dan een false NACK en werden de maximaal toelaatbare foutkansen voor een NACK-signaal – een verkeerd geïnterpreteerde NACK leidt immers tot een false ACK – aanzienlijk lager gesteld dan voor een ACK-signaal, zodat de drempelwaarde juist richting ACK werd gepositioneerd. 4.48 De conclusie luidt dat de handboeken niet leren dat het zendvermogen van een type signaal – onafhankelijk van dat van een ander type signaal – kan worden aangepast, teneinde de foutkansen daarvan te beïnvloeden. In de handboeken wordt voor dat doel uitsluitend de positionering van de drempelwaarde gebruikt, te weten gepositioneerd in het midden van beide energiewaarden om gelijke foutkansen te krijgen en uit het midden opgeschoven (bijvoorbeeld) in de richting van het ACK signaal om de kansen op een false ACK te verkleinen. De in Barkat en Van Trees voorkomende en door Wiko aangehaalde vergelijkingen zijn daarop - het vaststellen van de optimale drempelwaarde – toegesneden en zullen ook aldus door de gemiddelde vakman worden begrepen en toegepast. Bij gebreke van een openbaring van de toepassing van ongelijke energiewaarden van ACK- en NACK-signalen om daarmee de foutkansen te beïnvloeden is reeds daarom geen van de handboeken nieuwheidsschadelijk. 4.49 Daar komt bij dat in geen van de door Wiko aangehaalde handboeken het deelkenmerk van conclusie 10 wordt geopenbaard dat een aanpassing van het zendvermogen afhankelijk is van een door het basisstation doorgeseinde indicatie van het niveau van het zendvermogen voor elk type signaal. Ook indien aangenomen zou moeten worden dat de gemiddelde vakman een uit de stand van de techniek bekend TPC-commando of ‘power control bit’ (toegepast in de UMTS- en CDMA2000-standaards), AckChannelGain (toegepast in de EV-DO standaard) en/of power offset (toegepast in de TR 25.855 standaard) zou meelezen, wordt dit conclusie-element niet in de aangehaalde handboeken geopenbaard. Deze indicaties gelden immers voor het zendvermogen van het kanaal waarover, respectievelijk voor het zendvermogen van, alle signalen die over het desbetreffende kanaal worden verzonden. Deze indicaties beïnvloeden dus gelijkelijk het zendvermogen waarmee zowel ACK- als NACK-signalen worden verzonden. Aanpassing van het zendvermogen van een van beide signalen of toepassing van verschillende zendvermogens naar gelang het type signaal (waardoor de foutkansen kunnen worden beïnvloed) is daarbij niet mogelijk. Er is derhalve geen sprake van ‘indication of the power level at which each type of signal is transmitted’, in de zin van het octrooi. Ook daarom staan de handboeken niet aan de nieuwheid van het octrooi in de weg. 4.50 De door Wiko aangehaalde handboeken staan ook niet in de weg aan inventiviteit van EP 525. Hiervoor is overwogen dat deze handboeken uitsluitend uitgaan van het mechanisme van het verschuiven van de drempelwaarde om de relatieve (ongelijke) foutkansen van verschillende signalen te beïnvloeden. Een suggestie dat dit ook op andere wijze zou kunnen (of moeten) worden bereikt, ontbreekt. In het bijzonder ontbreekt (een aanwijzing voor) het inzicht dat voor het vaststellen van de foutkansen van de verschillende signaaltypen de energiewaarden Ɛ1 en Ɛ0 zouden kunnen worden gebruikt door deze onafhankelijk van elkaar in te stellen. Daartoe zou nodig zijn dat wordt afgestapt van de op de prioriteitsdatum voor mobiele telecommunicatiesystemen gebruikelijke BPSK-modulatie gekenmerkt door het gebruik van gelijke vermogens. Wiko heeft niet gewezen op enige passage uit de door haar aangehaalde handboeken waarin een suggestie daarvoor te vinden zou zijn. In het licht daarvan kan niet worden ingezien – en Wiko heeft ook niet toegelicht – dat de gemiddelde vakman er, met name ook bij gebreke van enige pointer in die richting, toe zou komen efficiëntie van het transmissiesysteem voor het zenden van datapakketten te verbeteren door afzonderlijk instelbare energiewaarden toe te passen voor ACK- en NACK-signalen. 4.51 Het feit dat tot de algemene vakkennis behoorde dat als een signaal met hoger vermogen wordt verzonden er een betere kans is op goede ontvangst (ten koste van toegenomen interferentie), maakt dat niet anders. Omdat niet kan worden aangenomen dat de gemiddelde vakman zou afstappen van BPSK, zou toepassing van die maatregel er toe leiden dat het vermogen van beide signalen zou worden verhoogd. 4.52 Daarnaast geldt dat de uit de stand van de techniek bekende indicaties voor het zendvermogen van het kanaal waarover, respectievelijk waarmee de ACK- en NACK-signalen worden verzonden, het zendvermogen van deze beide signalen gelijkelijk beïnvloeden. Wiko heeft onvoldoende steekhoudend onderbouwd hoe de gemiddelde vakman dan, uitgaand van de handboeken, zonder inventieve arbeid tot signaaltype-onafhankelijke vermogensbesturing zou komen. Het hof verwijst naar hetgeen daarover hierna in r.o. 4.81 wordt overwogen. 4.53 De slotsom is dat de gemiddelde vakman niet reeds op grond van zijn algemene vakkennis zonder inventieve denkarbeid tot de uitvinding volgens EP 525 zou komen. (
  3. b)Shad 4.54 Shad is een voorstel van Motorola aan een 3GPP2-werkgroep in het kader van de verdere ontwikkeling en standaardisatie van de CDMA2000-technologie. In de ‘Abstract’ daarvan is het volgende vermeld: “In this contribution the transmit gains for an antipodal signaling scheme in which the transmit probabilities are known a priori is jointly optimized with the receiver hard decision device threshold value in order to obtain the required error probabilities for a minimum bit SNR. This type of signaling for example applies to the Hybrid ARQ acknowledgement channel in which the average frame error rate is known to the transmitter, and certain false acknowledgement and false negative acknowledgement probabilities are prescribed by the upper layers.” Het doel van het voorstel is onder het kopje ‘Introduction’ als volgt verwoord: Minimalisering van interferentie (vergelijk Motorola 744 hiervoor) is derhalve het streven. 4.55 Zoals blijkt uit de tekst onder ‘Problem Statement’ heeft Shad in het bijzonder betrekking op het Hybride ARQ bevestigingskanaal, waarover de ACK- en NACK-signalen worden verzonden: Vervolgens wordt herhaald dat het voorstel beoogt interferentie te minimaliseren: Ook het door Shad ontwikkelde algoritme is daarop gericht: “(…) we give an exhaustive search algorithm for minimizing γb for arbitrary values of Pfack_req, Pfnack_req and p.” Beoogd is dus interferentie te verminderen, door gebruik te maken van een zo laag mogelijk vermogen voor verzending van ACK- en NACK-signalen, maar wel met behoud van de maximaal toelaatbare foutkansen daarvoor (“subject to the constraint…”). 4.56 Ervan uitgaande (conform de in de stand van de techniek heersende gedachte) dat een false ACK ernstiger is dan een false NACK, worden de maximaal toelaatbare foutkansen (aangeduid als “required error rate”) in Shad vastgesteld op 10-6 voor false ACK (Pfack_req) en 10-3 voor false NACK (Pfnack_req). Voor beïnvloeding van de foutkansen wordt gebruik gemaakt van het uit de stand van de techniek bekende instrument van het verplaatsen van de drempelwaarde (in Shad aangeduid met “z”) in het basisstation. Vergelijk de laatste zin van de ‘Introduction’ (r.o. 4.54 hiervoor) en onderstaande passage uit Shad: In de onderste helft van figuur 1 (Receiver) (zie r.o. 4.55 hiervoor) is weergegeven dat de drempelwaarde z in de richting van ACK is verschoven, waardoor in overeenstemming met de relatieve maximale foutkansen de kans op een false ACK kleiner is dan de kans op een false NACK. 4.57 Eveneens uitgaande van de algemene vakkennis dat een signaal dat met hoger vermogen wordt verstuurd een grotere kans maakt correct te worden ontvangen, maar dat dit ten koste gaat van toegenomen interferentie, wordt daarnaast gezocht naar een optimaal (dat wil zeggen zo laag mogelijk) vermogen voor verzending van ACK- en NACK-signalen. Aangezien toegenomen interferentie nadeliger is naarmate de frequentie van het signaal toeneemt, is het zendvermogen van een ACK- of NACK-signaal afhankelijk gesteld van de waarschijnlijkheid dat zo’n signaal wordt verzonden, voor een ACK-signaal uitgedrukt met p (’probability’) en voor een NACK-signaal met 1-p. Daarmee is p een weergave van de kanaalcondities; naarmate de kanaalcondities beter zijn, zullen er meer ACKs worden verzonden en zal p groter zijn. Bij p = 0,1 worden 10% ACKs verzonden en 90% NACKs en is de kanaalkwaliteit derhalve slecht. Indachtig de doelstelling interferentie te minimaliseren, krijgt een signaal dat vaker wordt verzonden een lager vermogen, zoals ook is te zien in de onder r.o. 4.58 afgebeelde tabel. 4.58 In Shad worden twee parameters voorgesteld waarmee het mobiele station het zendvermogen van een ACK- of NACK-signaal (s1 of s2) kan aanpassen, te weten l voor een NACK-signaal en k voor een ACK-signaal (deze parameters l en k worden ook wel aangeduid als ‘gain factors’). Voor iedere waarde van p wordt in Shad (op basis van een algoritme) een optimale waarde voorgesteld voor z, l en k als volgt: De gemiddelde vakman die hiervan kennis neemt zal in het licht van wat er verder in Shad is geopenbaard, inzien dat dit samenstel van maatregelen erop is gericht interferentie tot een minimum te beperken doordat voor alle kanaalcondities (waarvoor p een indicatie
  4. is)een ACK- of NACK-signaal met een zo laag mogelijk vermogen wordt verzonden door toepassing van de gain factors l en k, terwijl tegelijkertijd door positionering van de drempelwaarde z wordt verzekerd dat de maximaal toelaatbare foutkansen (Pfack_req = 10-6 en Pfnack_req = 10-3) niet worden overschreden. Zoals ook in Shad is vermeld: “It is also interesting that the decision threshold z tends to be biased in the direction of the ACK bit that is assigned a positive voltage when Pfack_req << Pfnack_req (= 10-3). This minimizes the chance of a false ACK at the expense of a higher probability of a false NACK” – zal hij inzien dat de drempelwaarde z, ongeacht de toegepaste gain factors k en l, steeds in de richting van ACK is gepositioneerd, teneinde te waarborgen dat wordt voldaan aan het vereiste Pfack_req (= 10-6) < Pfnack_req (= 10-3). Dit kan in een – door Wiko niet bestreden – diagram dat Philips heeft opgesteld als volgt worden gevisualiseerd, waarin het ▲ symbool staat voor de drempelwaarde z: 4.59 Anders dan Wiko stelt is in Shad niet de uitvinding volgens het octrooi geopenbaard. Vooropgesteld wordt dat, zoals hiervoor overwogen, EP 525 leert dat het zendvermogen per type signaal, onafhankelijk van het zendvermogen van een ander type signaal, kan worden geselecteerd en dat daarmee de foutkansen per type signaal afzonderlijk en naar gelang van de behoefte onder de gegeven omstandigheden kunnen worden beïnvloed. Dat betekent dat de enkele toepassing van een verschillend zendvermogen van ACK- en NACK-signalen als zodanig de uitvinding volgens EP 525 nog niet anticipeert. 4.60 Weliswaar is in Shad sprake van toepassing van verschillende vermogens voor de verzending van ACK- en NACK-signalen, maar van het selecteren van het zendvermogen van een type signaal, onafhankelijk van het zendvermogen van het andere type signaal is geen sprake. Dat blijkt duidelijk uit het hierna afgebeelde onderdeel van de in Shad geopenbaarde vergelijking 6 op basis waarvan de waarden voor k en l in tabel 1 zijn vastgesteld: Hieruit volgt immers dat de waarden k en l niet alleen afhankelijk zijn van de frequentie waarmee zij voorkomen (samenhangend met de kanaalcondities waarvoor p een indicatie vormt), maar ook afhankelijk zijn van elkaar. Aanpassing van k leidt tot aanpassing van l en omgekeerd. De vermogens van de ACK- en NACK-signalen staan dus in een vaste relatie / verhouding tot elkaar en zijn daarmee niet afzonderlijk, onafhankelijk van elkaar in te stellen. 4.61 Daarenboven begrijpt de gemiddelde vakman uit Shad dat de gain factors k en l niet (mede) worden toegepast om de relatieve foutkansen van de respectieve signalen te beïnvloeden of om fouten zoveel mogelijk te beperken, zoals Wiko aanvoert, maar alleen om de interferentie tot een minimum te beperken. Dat volgt ook al uit de Introduction, waarin het doel van het door Shad gedane onderzoek is uiteengezet: “The objective of this contribution is to obtain the optimal power allocations to an antipodal signaling scheme such that the required performance is achieved with a minimum bit SNR. This is done by applying unequal gains to the transmit voltages of the two possible signals.” (onderstreping toegevoegd). Duidelijk is dat beïnvloeding van de foutkansen van die signalen in Shad nog steeds uitsluitend plaatsvindt door middel van positionering van de drempelwaarde. Ook dat volgt al uit de ‘Introduction’: “the threshold […] is biased so that the required error rate is achieved for each of the two types of errors.” (onderstreping toegevoegd). In figuur 1 uit Shad wordt de beïnvloeding van de maximale foutkansen (“Decreasing Pfnack” en “Decreasing Pfack”) ook alléén in relatie gebracht met de drempelwaarde z, niet met de hoogte van de vermogens van de ACK- en NACK-signalen. 4.62 Naar Philips gemotiveerd en onweersproken heeft gesteld wordt in Shad de drempelwaarde zo gepositioneerd dat deze steeds dezelfde afstand tussen beide signalen (biased in de richting van ACK) blijft houden, ongeacht de toegepaste zendvermogens, zoals ook blijkt uit het in r.o. 4.58 opgenomen diagram. In overeenstemming met dat alles (en met de algemene vakkennis zoals blijkt uit Barkat en Van Trees) worden in het door Shad voorgestelde algoritme ook éérst de energiewaarden voor k en l vastgesteld bij een zo laag mogelijke SNR γb (in verband met de wens referentie te minimaliseren) in afhankelijkheid van p en elkaar, pas daarná wordt de benodigde waarde voor z bepaald (om aan het het vereiste voor de maximale foutkansen te voldoen). 4.63 Het standpunt van Wiko dat uit Shad zou blijken dat niet alleen de drempelwaarde maar ook de vermogens van de ACK- en NACK-signalen er mede voor zorgen dat aan de maximale foutkansen wordt voldaan, wordt verworpen. Zij heeft ter onderbouwing van dat standpunt verwezen naar de volgende passage uit de ‘Abstract’: “In this contribution the transmit gains for an antipodal signaling scheme in which the transmit probabilities are known a priori is jointly optimized with the receiver hard decision device threshold value in order to obtain the required error probabilities for a minimum bit SNR.”, in het bijzonder de woorden “jointly optimized”. Die gevolgtrekking is in het licht van de publicatie in zijn geheel beschouwd evenwel niet gerechtvaardigd en zou door de gemiddelde vakman daaruit ook niet worden afgeleid. Zoals hier reeds overwogen staan k en l in een vaste relatie tot elkaar. Datzelfde geldt voor de drempelwaarde z. Deze staat in vaste relatie tot de gains k en l. Dat blijkt uit de gegeven formules voor Pfack en Pfnack in Shad (in samenhang met de vaste relatie tussen de waarden voor k en l): Dat is ook tot uitdrukking gebracht door de zinsnede boven de tabel: “The values of z, k and l are for the optimal detector”. Daaruit volgt evenwel niet dat de gains k en l mede bijdragen aan het voldoen aan de vereiste maximale foutkansen. De gains k en l hebben wel invloed op de maximale foutkansen, maar die invloed wordt vervolgens (zie r.o. 4.62) geneutraliseerd doordat de drempelwaarde in vaste relatie tot die gains ‘meebeweegt’ om er voor te zorgen dat opnieuw aan die vereisten wordt voldaan. 4.64 Het standpunt van Wiko dat uit Shad is af te leiden dat met het verzenden van ACK- en NACK-signalen op verschillend vermogensniveau wordt beoogd het ontstaan van fouten zoveel mogelijk te verminderen om te voldoen aan de maximaal toelaatbare foutkansen, corresponderend met de ernst die het octrooi toekent aan een false ACK, is bovendien ook in tegenspraak met de in tabel 1 voorgestelde vermogenswaarde voor NACK-signalen bij slechte kanaalcondities (p = 0.1 t/m p = 0.6). Niettegenstaande het feit dat NACK-signalen dan juist vaak worden verzonden en de gevolgen van een incorrecte interpretatie daarvan (false ACK) groter zijn dan van een false NACK, is het zendvermogen van een NACK-signaal bij die kanaalcondities juist lager dan dat van een ACK-bericht. Dat kan alleen worden verklaard door de wens interferentie te beperken en is voorts alleen aanvaardbaar (gelet op de doelstelling dat wel de maximaal toelaatbare foutkansen dienen te worden gerealiseerd) als tegelijkertijd het mechanisme van positionering van de drempelwaarde (richting ACK) wordt ingezet om de kans op een false ACK te beperken. 4.65 De omstandigheid dat het NACK-signaal bij goede kanaalcondities (p = 0,8 en p = 0,9) wel op een hoger niveau wordt verzonden dan het ACK-signaal maakt dat niet anders. Naar de gemiddelde vakman weet heeft ieder telecommunicatiesysteem te maken met afwisselend goede en slechtere kanaalcondities. Hij zal inzien dat Shad nu juist beoogt voor alle voorkomende kanaalcondities tot minimalisering van interferentie te komen onder naleving van de systeemvereisten voor Pfack_req en Pfnack_req. Hij heeft daarom geen aanleiding alleen naar de vermogenswaarden bij goede kanaalcondities te kijken. De publicatie van Shad in zijn geheel en in onderlinge samenhang beschouwd leert de gemiddelde vakman daarom niet dat de meeste optimalisatie wordt bereikt door het vermogen van het NACK-signaal te verhogen, zoals Wiko heeft gesteld. Hij begrijpt uit Shad niet meer of anders dan dat het vermogensniveau afhankelijk is van de frequentie c.q. de kanaalkwaliteit (depending on its frequency / channel quality) en dat het vermogensniveau wordt gevarieerd met het doel de interferentie te beperken. Het voldoen aan de vereiste maximale foutkansen wordt tegelijkertijd en uitsluitend – onafhankelijk van de vermogensniveaus en de kanaalkwaliteit – gewaarborgd door biased positionering van de drempelwaarde z-richting ACK. 4.66 Daarenboven, zelfs als de gemiddelde vakman meer oog zou hebben voor de gekozen waardes bij goede kanaalcondities (waarbij het vermogen van een NACK-signaal hoger is dan van een ACK-signaal), dan nog is daarmee de uitvinding – die daartoe, anders dan Wiko stelt, niet is beperkt – nog niet geopenbaard. Zoals hiervoor reeds overwogen zijn in Shad de vermogens van het ACK- en NACK-signaal immers aan elkaar gekoppeld en afhankelijk gesteld van de frequentie waarmee zij voorkomen. Onafhankelijke instelbaarheid van de vermogens afhankelijk van het type signaal, zoals vereist door conclusie 10 van EP 525, is daarin niet geopenbaard. 4.67 Wiko voert verder aan dat in Shad is geopenbaard dat de ACK- en NACK-signalen ten minste een bepaald vermogen moeten hebben om goed te worden gedetecteerd. In tabel 1 wordt een “required γb=EbNt (dB)” gegeven. Verder is onder het kopje ‘Implementation Considerations’ vermeld dat het mobiele station de waarden voor l en k kan aanpassen indien blijkt dat de werkelijke waarden voor Pfack en Pfnack te hoog of te laag zijn. Daaruit volgt volgens Wiko dat de aanpassing van de vermogensniveaus van ACK- en NACK-signalen door middel van de k en l gains wordt gekoppeld aan de kans op een goede detectie bij het basisstation en is de drempelwaarde z slechts een additionele maatregel, zoals ook genoemd in het octrooi (par 23-25 PEA). Anders dan Wiko suggereert is daarmee echter de uitvinding volgens EP 525 niet geopenbaard. In beide door Wiko aangehaalde gevallen gaat het immers om (aanpassing van) het vermogen van beide signalen en niet om een per signaaltype afzonderlijk aanpasbaar vermogen. In tabel 1 blijkt dat uit de toepassing ten opzichte van dat vermogen van de (aan elkaar gerelateerde) gains en in de passage onder ‘Implementation Considerations’ uit het feit dat is vermeld dat “k and l are scaled up [down] by a constant”. Het gaat dan om het vaststellen van het minimale vermogensniveau (en dus de minimaal vereiste afstand tussen beide signalen) waarbij aan de (vooraf vastgestelde) vereisten voor de maximale foutkansen van beide signalen – door instelling van een biased drempelwaarde – kan worden voldaan. Dit is een bekende maatregel uit de stand van de techniek, zoals ook volgt uit Barkat, Van Trees en Motorola 744 (r.o. 4.96 e.v.). Een openbaarmaking of aanwijzing in de richting van toepassing van verschillende vermogensniveaus per type signaal ter beïnvloeding van de foutkansen is dat geenszins. 4.68 Shad stelt voor om het algoritme op basis waarvan de optimale waarden voor z, l en k kunnen worden berekend, te implementeren in het mobiele station. Wiko heeft aangevoerd dat het deelkenmerk van conclusie 10, dat het basisstation een indicatie van het vermogensniveau van elk van de signaaltypen overseint aan het mobiele station, niettemin wordt geopenbaard, omdat het voor de gemiddelde vakman duidelijk zou zijn dat het mogelijk en voor de hand liggend zou zijn dat de waarden voor k en l door het basisstation worden overgeseind. Philips heeft dat gemotiveerd bestreden. Het hof kan dit in het midden laten. Het hof is reeds op grond van al het voorgaande van oordeel dat Shad niet nieuwheidsschadelijk is voor conclusie 10 (en daarmee evenmin voor conclusies 11 en 14) van EP 525. 4.69 De slotsom is dat Shad naar het oordeel van het hof niet nieuwheidsschadelijk is voor conclusie 10 (en daarmee evenmin voor conclusies 11 en 14) van EP 525. 4.70 Zowel in Shad als in de algemene vakkennis van de vakman ontbreekt het inzicht dat de vermogensniveaus van de bevestigingssignalen afhankelijk van hun type afzonderlijk van elkaar kunnen worden gevarieerd om daarmee de foutkansen van desbetreffende signalen te beïnvloeden. In Shad noch in de door Wiko aangehaalde handboeken kan een aanwijzing in die richting worden gevonden. Bij gebreke van een toereikende toelichting van Wiko kan daarom niet worden ingezien op grond waarvan de gemiddelde vakman uitgaande van Shad op basis van zijn algemene vakkennis tot de uitvinding van EP 525 zou komen. (
  5. c)uitgaand van de EV-DO standaard in combinatie met algemene vakkennis en/of Shad of Shad Derryberry 4.71 Volgens Wiko kan de EV-DO standaard worden aangemerkt als de meest nabije stand van de techniek. Philips heeft dat bestreden. Het hof kan dit in het midden laten. Ook uitgaande van de juistheid van het standpunt van Wiko is het hof van oordeel dat de daarop gebaseerde inventiviteitsaanvallen van Wiko niet slagen. 4.72 De EV-DO standaard openbaart een mobiel telecommunicatiesysteem waarin gebruikt wordt gemaakt van een ARQ systeem. Het mobiele station controleert de juistheid en volledigheid van de van het basisstation ontvangen datapakketten en laat met ACK- en NACK-signalen weten of het pakket goed respectievelijk niet goed is ontvangen. Deze signalen worden verstuurd over een ACK-kanaal. Blijkens de standaard (par. 9.2.1.3.3.4) is dit kanaal BPSK-gemoduleerd. ACK- en NACK-berichten worden derhalve verstuurd met een verschillende fase, maar met hetzelfde vermogen. Het zendvermogen van alle over het ACK-kanaal verzonden signalen – dus voor ACK- en NACK-signalen gelijkelijk – wordt bepaald door een van het basisstation ontvangen AckChannelGain. 4.73 Door de EV-DO standaard wordt derhalve niet geopenbaard
(1)dat het vermogensniveau van een verzonden signaal afhankelijk is van het type signaal (ACK of NACK) en
(2)dat dit per type signaal (apart) wordt bepaald aan de hand van een door het basisstation overgeseinde aanduiding van het vermogensniveau. 4.74 Naar het hof begrijpt stelt Wiko zich primair op het standpunt (par. 35 e.v. PEA en par. 80 MvA) dat de verschilmaatregel alleen daarin zou bestaan dat in de EV-DO standaard het vermogen voor ACK- en NACK-signalen gelijk is en dat volgens de uitvinding verschillende typen signalen met verschillende vermogensniveaus kunnen worden verzonden. Volgens Wiko vereist conclusie 10 niet dat het basisstation een aparte indicatie voor ACK- en NACK-signalen overseint. De onder
(2)genoemde deelmaatregel zou daarom geen verschilmaatregel zijn. Zoals hiervoor in r.o. 4.13 overwogen is dat standpunt van Wiko onjuist, zodat maatregel
(2)dit wel degelijk een verschilmaatregel is. 4.75 Het subsidiaire standpunt van Wiko, zo begrijpt het hof, is dat (uitgaande van de door Philips voorgestane en door het hof juist geachte uitleg van conclusie 10) beide maatregelen verschilmaatregelen zijn. Anders dan bij de uitvinding volgens het octrooi is het in de EV-DO standaard niet mogelijk om de ACK- en NACK-signalen afhankelijk van signaaltype met verschillende vermogensniveaus te verzenden. In de EV-DO standaard geldt de ACKChannelGain immers voor het ACK-kanaal in zijn geheel en kan het vermogen van de daarover verzonden signalen niet afhankelijk van het type signaal worden aangestuurd. Daaruit volgt dat er ook geen sprake is van een aparte indicatie van het vermogensniveau voor elk van de typen signalen (par. 101 MvA). Niettemin gaat Wiko uit van het door de rechtbank alleen op verschilmaatregel
(2)gebaseerde – en daarmee te beperkte – technische effect, namelijk dat de kans op een goede ontvangst voor het ene type signaal ten opzichte van het andere type signaal kan worden beïnvloed / verbeterd, en daarmee ook van een onjuiste objectieve probleemstelling, te weten dat te bereiken. 4.76 Beide verschilmaatregelen hebben in onderlinge samenhang het technisch effect dat de

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.