GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-19/00146 tot en met BK-19/00149 uitspraak d.d. 29 oktober 2019 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: [A] ) en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: [B] ) op de hoger beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2018, nummers 18/2250, 18/2252, 18/2253 en 18/2256 betreffende de onder 1.1 vermelde gevorderde bedragen. Procesverloop 1.
(776)worden toegerekend. 6.2.5. Belanghebbende wijst erop dat volgens de eigen opgave van de gemeente de legesopbrengst in de jaren 2013 tot en met 2017 respectievelijk 2,2 percent hoger, 12,5 percent hoger, 4,3 percent lager, 50,6 percent hoger en 81,1 percent hoger was dan begroot. Gemiddeld overtreffen de baten de ‘lasten ter zake’ dus met maar liefst 28,4 percent. Dat maakt de ramingen van de gemeente, waarin de ‘lasten ter zake’ de baten jaar in, jaar uit overtreffen, onaannemelijk. In dit verband is naar de opvatting van belanghebbende veelzeggend dat de Heffingsambtenaar ter zitting van de Rechtbank heeft erkend grote projecten niet in de ramingen te betrekken omdat deze “teveel invloed op de uitkomsten zouden hebben”. Dit verklaart volgens belanghebbende de stelselmatige overschrijding van de werkelijke ‘lasten ter zake’ door de werkelijke baten. Zouden de grote projecten wél in de ramingen zijn meegenomen, dan hadden ook de ramingen een dergelijke overschrijding van de geraamde ‘lasten ter zake’ door de geraamde baten laten zien. 6.2.6. Belanghebbende voert verder aan dat zij het bedrag van € 875.000 voor de post "verminderingsbesluiten" erg hoog vindt. Volgens belanghebbende wordt deze post hoger geraamd dan overeenkomt met de ten tijde van de vaststelling van de tarieven voor 2016 redelijkerwijs te verwachte verminderingen. Voor de toetsing van de geraamde ‘lasten ter zake’ aan de geraamde baten voor 2016 komt dit de Heffingsambtenaar, aldus belanghebbende, niettemin bijzonder goed uit. Dat blijkt als men de post “verminderingsbesluiten” voor 2016 bij de door de gemeente baten voor 2016 optelt. 6.2.7. Ook heeft de Heffingsambtenaar naar de opvatting van belanghebbende geen enkele onderbouwing gegeven van de kosten die volgens de Heffingsambtenaar verbonden zijn aan de werkzaamheden van VRH (Veiligheidsregio Haaglanden) en ODH (Omgevingsdienst Haaglanden). 6.3. De weerspreking door de Heffingsambtenaar van de door belanghebbende in hoger beroep ingenomen standpunten 6.3.1. De Heffingsambtenaar voegt aan hetgeen hij in de bezwaarfase en in eerste aanleg heeft aangevoerd over het uurtarief en de indirecte overhead, naar aanleiding van de door belanghebbende in hoger beroep ingenomen standpunten (6.2.2 tot en met 6.2.7 ) nog het volgende toe. 6.3.2. Het standpunt van belanghebbende dat de geraamde ‘lasten ter zake’ dienen te worden verlaagd met de winst op de interne dienstverlening door IDC aan DSO, vindt geen steun in de feiten. IDC maakte, naar blijkt uit de onderstaande tabel, waarin “V” voor voordeel en “N” voor nadeel staat, in 2016 geen winst maar heeft verlies geleden in dat jaar: Programma Rekening 2016 Begroting 2016 Resultaat 2016 Rekening 2015 18. Interne dienstverlening Lasten 2.567 642 N 1.925 9.858 Baten 1.635 4.363 N 2.728 4.874 Saldo exclusief reserves N 931 V 3.721 N 4.652 N 4.985 Dotaties 0 0 0 0 Onttrekkingen 3.097 3.097 0 755 Saldo inclusief reserves V 2.166 V 6.818 N 4.652 N 4.230 Aangezien geen sprake is van een winst, maar van een verlies, zijn, aldus de Heffingsambtenaar, eerder te weinig dan teveel kosten toegerekend aan de leges omgevingsvergunning. 6.3.3. De indirecte overhead van DSO in 2016 bedraagt € 17.991.000. Deze wordt alleen aan productieve functies (558 fte) toegerekend. De totale formatie van DSO is 776 fte. Van de indirecte overhead van DSO is, aldus de Heffingsambtenaar, een gedeelte, groot € 2.872.000 (16 percent), doorbelast aan de met leges belaste prestaties. 6.3.4. Dat achteraf de werkelijke baten en ‘lasten ter zake’ veelal anders uitpakken dan ten tijde van de raming van de baten en ‘lasten ter zake’ werd voorzien, wordt, aldus de Heffingsambtenaar, veroorzaakt door de onzekerheden waarmee bij het ramen van de baten en de ‘lasten ter zake’ moet worden gewerkt. Meer- en minderopbrengsten ontstaan omdat er bij de ramingen een inschatting wordt gemaakt van het aantal aanvragen dat in het jaar zal worden ingediend en van de bouwsommen van de projecten waarop die aanvragen betrekking hebben. Voor de “grote” bouwplannen gaat dit als volgt. Wat betreft bouwplannen met grote zekerheid wordt de legesopbrengst op 100 percent van de geschatte bouwomvang/bouwsom geraamd. Is er niet meer dan een kans dat een aanvraag zal worden ingediend, dan wordt de legesopbrengst voor 25 percent ingeboekt. Voor nog niet bekende “grote” bouwplannen wordt gewerkt met een stelpost. Voor “kleine” bouwplannen wordt de legesopbrengst op grond van ervaringscijfers (cijfers van de drie voorgaande jaren) geschat. De Heffingsambtenaar stelt dat er eind 2016 onverwachts meer aanvragen van “grote” bouwplannen ingediend werden dan die waarmee bij de raming rekening was gehouden. In totaal waren deze onverwachte aanvragen goed voor een legesopbrengst van ca. € 7 miljoen. Overigens is het niet zo dat de meeropbrengsten voor andere doeleinden worden gebruikt dan die waarvoor zij werden geheven. Er is een “voorziening bouwleges” waaraan alle legesopbrengsten worden gedoteerd ten laste waarvan alle ‘lasten ter zake’ worden gebracht. Bij een hoge stand van de voorziening vindt geen onttrekking ten behoeve van de algemene middelen plaats. Wel kan in die situatie worden besloten tot een neerwaartse bijstelling van de legestarieven om de voorziening weer op een aanvaardbaar niveau te krijgen. Een langdurige negatieve stand van de voorziening kan wel tot dotatie aan de voorziening uit de algemene middelen leiden. De Heffingsambtenaar onderbouwt dit met het staatje dat is opgenomen onder 3.1.2 en is ontleend aan onderdeel 3.4. van het onder 3.1.1 genoemde document. 6.3.5. Ook de bedragen die gemoeid zijn met de zogeheten verminderingsbesluiten zijn moeilijk te ramen. De realisatiecijfers van 2012, 2013 en 2014 zijn respectievelijk € 285.202, € 888.510 en € 3.592.485. Naar aanleiding van de uitschieter in 2014 is besloten de post “verminderingsbesluiten” bij de raming voor 2016 op het niveau van 2013 te houden. Ten tijde van deze raming waren de realisatiecijfers van 2015 en 2016 nog niet bekend. 6.3.6. De kostenpost voor de VRH (€ 1.460.000) betreft de advisering van WABO-aanvragen op het gebied van brandveiligheid (vooral in de risicoklasse “middel” en “hoog”) en (bouw)toezicht op de WABO-vergunningen. De kostenpost voor ODH (€ 475.000) betreft de advisering inzake WABO-aanvragen op het gebied van onder andere bodem, geluid- en archeologische aspecten. 6.4. Beoordeling door het Hof 6.4.1. Onder meer in zijn arresten van 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777 en nr. 13/00469, 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938, heeft de Hoge Raad een aantal regels inzake stelplicht en bewijslast geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij de beoordeling van een geschil over, kort gezegd, de overschrijding van de opbrengstlimiet. Voor het onderhavige geschil zijn van deze regels in het bijzonder de volgende van belang. Er gelden twee (verzwaarde) eisen voor de motivering die de heffingsambtenaar in een geschil over de overschrijding van de opbrengstlimiet moet geven voor zijn betwisting van die overschrijding. De eerste eis is dat de heffingsambtenaar, indien de belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde "lasten ter zake" hebben overschreden, inzicht dient te verschaffen in de desbetreffende ramingen. De tweede eis is dat, ingeval de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de ramingen gemotiveerd in twijfel trekt of de post(
- en)kan(kunnen) worden aangemerkt als een "last ter zake", de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(
- en)dient te verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen. Hetzelfde geldt – mutatis mutandis - indien de [belanghebbende] gemotiveerd in twijfel trekt of (een) bepaalde bate(
- n)terecht buiten de ramingen is (zijn) gelaten dan wel of (een) bepaalde bate(
- n)op het (
- de)juiste bedrag(
- en)is (zijn) geraamd. Indien de heffingsambtenaar aan beide eisen heeft voldaan, zijn er twee mogelijkheden: ofwel de belanghebbende stelt niet dat de feitelijke gegevens die in de door de heffingsambtenaar verstrekte inlichtingen zijn begrepen, onjuist en/of onvolledig zijn, of hij stelt dat dit wel het geval is. Stelt de belanghebbende niet dat de door de heffingsambtenaar verschafte feitelijke gegevens onjuist en/of onvolledig zijn, dan heeft de rechter slechts de rechtsvraag te beantwoorden of, uitgaande van die feiten, de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een "last ter zake", onderscheidenlijk of (het ontbreken) van de betreffende geraamde bate juist is. Bij ontkennende beantwoording van die vraag dient hij te beoordelen of daardoor de opbrengstlimiet is overschreden. Stelt de belanghebbende wel dat de door de [Heffingsambtenaar] verschafte feitelijke gegevens onjuist en/of onvolledig zijn, dan komt de bewijslevering aan de orde. In dat geval draagt de belanghebbende de bewijslast van zijn stelling dat de heffingsambtenaar onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt. Na de bewijslevering door de belanghebbende dient de rechter, uitgaande van de feiten die hij bewezen acht, slechts de eerder genoemde rechtsvraag te beantwoorden en in het licht daarvan te beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden. 6.4.2. Belanghebbende heeft aan de orde gesteld of met betrekking tot de in de Verordening aan legesheffing onderworpen diensten de geraamde baten de geraamde ‘lasten ter zake’ hebben overschreden. Derhalve dient de Heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de ramingen van de baten en de ‘lasten ter zake’. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende. De eerste onder 6.4.1 genoemde eis (het verschaffen van inzicht in de ramingen van baten en lasten) houdt niet in dat de Heffingsambtenaar de juistheid en/of volledigheid van die ramingen dient te bewijzen. Het verschaffen van inzicht in de ramingen van baten en ‘lasten ter zake’ heeft evenmin de functie van een weerwoord op hetgeen belanghebbende over bepaalde (al dan niet in de ramingen opgenomen) baten en lasten heeft gesteld. Van de Heffingsambtenaar mag in deze fase van de behandeling van het geschil – die aan de eigenlijke bewijslevering door partijen voorafgaat – niet worden verlangd dat hij tot op detailniveau ingaat op alle afzonderlijke baten en lasten die van belang (kunnen) zijn voor de beantwoording van de vraag of de geraamde baten de geraamde ‘lasten ter zake’ overschrijden. Vereist is dat de ramingen van de baten en ‘lasten ter zake’ berusten op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren. Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat de door de Heffingsambtenaar in het geding gebrachte ramingen niet aan dit vereiste voldoen, volgt het Hof haar daarin niet. Feiten op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat de ramingen van baten en ‘lasten ter zake’ – kort gezegd – niet op de begroting zijn gebaseerd, zijn niet gesteld en ook anderszins niet gebleken. Uitgaande van het vorenstaande heeft de Heffingsambtenaar met hetgeen hij heeft aangevoerd – het Hof verwijst voor een beknopte samenvatting daarvan naar rechtsoverweging 3.1.2 – in voldoende mate inzicht verschaft in de ramingen van de baten en de ‘lasten ter zake’. 6.4.3. Omdat de Heffingsambtenaar, naar volgt uit hetgeen onder 6.4.2 is overwogen, in voldoende mate inzicht heeft verschaft in de ramingen van de baten en de ‘lasten ter zake’, dient het Hof te bezien of belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de ramingen van de ‘lasten ter zake’ in twijfel heeft getrokken of die post(
- en)kan (kunnen) worden aangemerkt als (een) ‘last(
- en)ter zake’ alsmede of belanghebbende met betrekking tot één of meer bate(
- n)in twijfel heeft getrokken of die bate(
- n)in de raming is (zijn) meegenomen en zo ja, of dit tot het/de juiste bedrag(
- en)is gebeurd. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende dit inderdaad heeft gedaan. Belanghebbende heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat en waarom naar haar mening ten aanzien van een aantal opbrengsten en kosten gerede twijfel bestaat of – wat betreft de opbrengsten – daarmee in de ramingen van de bate (in voldoende mate) rekening is gehouden en – wat betreft de kosten – of deze kunnen worden aangemerkt als ‘lasten ter zake’. Dit geldt in elk geval voor de door de gemeente in aanmerking genomen omvang en kosten van een formatieplaats (6.2.2), de door de IDC aan DSO in rekening gebrachte bedragen (6.2.3), de omvang en de toerekening van de indirecte overhead van DSO aan de met omgevingsleges belaste prestaties (6.2.4), het al jaren hoger uitvallen van de werkelijke baten dan de geraamde baten (6.2.5), het bedrag van € 875.000 voor de post "verminderingsbesluiten" (6.2.6) en de kosten die volgens de Heffingsambtenaar verbonden zijn aan de werkzaamheden van VRH (Veiligheidsregio Haaglanden) en ODH (Omgevingsdienst Haaglanden) (6.2.7). 6.4.4. De tweede onder 6.4.1 genoemde eis brengt mee dat de Heffingsambtenaar verplicht is over de onder 6.2.2 tot en met 6.2.7 genoemde, door belanghebbende in twijfel getrokken ramingen van opbrengsten en kosten nadere inlichtingen te verstrekken ten einde deze twijfels – naar vermogen - weg te nemen. Weliswaar mag van de Heffingsambtenaar in deze fase van de behandeling van het geschil worden verwacht dat hij dieper dan daarvóór, bij de nakoming van de eerste onder 6.4.1 genoemde eis, ingaat op de door belanghebbende in twijfel getrokken ramingen van opbrengsten en kosten, maar van hem kan niet worden verlangd dat hij bewijst dat de twijfels van belanghebbende ongegrond zijn. Meer dan een inspanningsverplichting is aan de Heffingsambtenaar niet opgelegd. Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar met de door hem verstrekte, uitvoerige informatie, die is samengevat onder 6.3.2 tot en met 6.3.6, aan deze inspanningsverplichting voldaan. 6.4.5. Voor zover belanghebbende heeft willen stellen dat de feitelijke gegevens die in de zo-even bedoelde uitvoerige informatie zijn begrepen, onjuist en/of onvolledig zijn, volgt het Hof haar daarin niet. Zoals onder 6.4.1 is uitééngezet heeft belanghebbende de bewijslast van haar stelling dat de heffingsambtenaar onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt. Zij dient daartoe feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die deze stelling kunnen dragen. Daarin is zij naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. Weliswaar heeft belanghebbende kritische kanttekeningen bij de door de Heffingsambtenaar verstrekte informatie geplaatst, maar als bewijs dat de feitelijke gegevens die in de zo-even bedoelde uitvoerige informatie zijn begrepen, onjuist en/of onvolledig zijn, schieten deze kanttekeningen tekort. 6.4.6. Gelet op het vorenstaande heeft het Hof nog twee vragen te beantwoorden, te weten de rechtsvraag of, uitgaande van de feitelijke gegevens die begrepen zijn in de door de Heffingsambtenaar verstrekte informatie, de betreffende posten kunnen worden aangemerkt als ‘lasten ter zake’, onderscheidenlijk of de ramingen van de betreffende baten - of het ontbreken daarvan - juist zijn (
- is)en, in het licht daarvan, of voor de op grond van de Verordening in 2016 geheven leges de geraamde baten de geraamde ‘lasten ter zake’ hebben overschreden. Het Hof beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede ontkennend. Daarbij gaat het Hof uit van (de juistheid van) de feitelijke gegevens die in de door de Heffingsambtenaar verstrekte informatie zijn begrepen (zie onder 6.4.5). Voorts is pas dan plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen. Daarvan is, in het licht van de feitelijke gegevens die in de door de Heffingsambtenaar verstrekte informatie zijn begrepen, geen sprake. 6.4.7. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraken van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door G.J. van Leijenhorst, E.M. Vrouwenvelder en W.M.G. Visser in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 29 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden: Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: - de naam en het adres van de indiener; - de dagtekening; - de gronden van het beroep in cassatie. Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.