GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht zaaknummer : 200.241.839/01 zaaknummer rechtbank : C/09/542989 rekestnummer rechtbank : FA RK 17-8712 beschikking van de meervoudige kamer van 27 februari 2019 inzake [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. F.A.M. Engels te Den Haag, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J. Brouwer te Den Haag. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de Rechtbank Den Haag van 9 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 De man is op 2 juli 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De vrouw heeft op 4 september 2018 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: - op 24 juli 2018 een brief van 23 juli 2018 met bijlagen; - op 5 februari 2019 vier e-mails met bijlagen; van de zijde van de vrouw: - op 18 januari 2019 een brief van 17 januari 2019 met als bijlage een journaalbericht van 17 januari 2019 met bijlagen. 2.4 De mondelinge behandeling heeft op 6 februari 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de advocaat van de vrouw. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Bijzondere toegang is verleend aan de partner van de man. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: - Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. - Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen: - [de minderjarige 1] , geboren [in] 2012 te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige 1] ); - [de minderjarige 2] , geboren [in] 2013 te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige 2] ) (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen). - De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder. - De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast. 3.2 Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang in hoger beroep, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 14 november 2017 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderalimentatie) € 54,- per maand per kind zal voldoen, voor wat betreft de na datum van de bestreden beschikking te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4.2 De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende in hoger beroep bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat bij appellant geen draagkracht bestaat voor betalen van kinderalimentatie en de vastgestelde kinderalimentatie op nihil te stellen, althans op een zodanig lager bedrag als het hof vermeent te behoren. 4.3 De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof de man in zijn verzoek zoals vermeld in zijn beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4.4 De grieven van de man zien op zijn draagkracht en de ingangsdatum van de kinderalimentatie. 5De motivering van de beslissing De draagkracht van de man 5.1 Ter zitting in hoger beroep stelt de man dat hij niet beschikt over draagkracht om de opgelegde kinderalimentatie vanaf november 2017 te voldoen. De rechtbank heeft er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de man zijn vaste baan is verloren en zijn inkomsten niet heeft weten te behouden. De man voert aan dat hij krachtens zijn nulurencontract niet heeft kunnen werken vanaf medio februari 2018 omdat er bij zijn werkgever geen werk meer beschikbaar is. De laatste loonstrook, door de man in hoger beroep overgelegd als productie 6, dateert van 19 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.